bi peleidM er aak bee ie Ll

%

VERHANDELINGEN a EE | ZEEUWSCH GENOOTSCHAP KE | DER ai WETENSCHAPPEN

VLISSINGEN …—

UITLEGGING der TITELPLAAT,

e WYSHEID, fier gezeten op haar Throon, Befchouwt men in MINERVE?’S Wapenrusting ; Doch, warsch van fabeldicht en valfche Go’on, Schept ze in Gops BOEK haar grootíte zielsverlusting, Twee Zuilen, die ’t gewelflel van haar Kerk Aan d’eenen kant bouwkunftig onderfchraagen , Vertoonen ’t ZEEUWSCH en V LISSINGS wapenmerk, En wiLLEMs beeld, wien’t werk wordt opgedragen, Doorluchtig Hoofd van onze Maatfchappy,

Die , fchoon noch in heur zwakke en kizdfche jaaren , Hem d’ Eerfteling heur’s arbeids, vlug en bly, Voor de oogen brengt, met lust om voort te vaaren.

De Tafel met den Voorgrond, ryk bedekt Met Tekenfchets van Kunst en Wetenfchappen , En ’tVergezicht, dat ginder d’ aandacht wekt Ter zyde van Gordyn en Tempeltrappen, Getuigen, dat de weetzucht, vlyt en lust, Door de Eer gefpoord., ‘aan Zeelands verfterpaalen In onze West noch niet-zyh uitgebluscht: Men tracht door zut ’er mede een Prys te haalen. Handhaving van den Godsdienst en het Recht, Geneesbebulp, tot fteun van ”tmenschlyk leven ,

“x Natuurboek, doot Gods hand ons voorgelegd, ’tNatuurboek , door zyne Almacht zelf befchreven, De Meetkanst, in heat takken ruim vertpreidt,

De Schilderkunst, zoo fix in kleur en trekken, De Puikmufyk , die harten opwaarts leidt,

Haar Zuster, die de dofheid.zelf kan wekken, %* Vermogen om door ’t helder Spiegelglas

Het Starrenheir aan ’tmeïtschlyk oog te klemmen, Of, door behulp vans Graadboog: en Kompas,

Op verren tocht een dolle“zeé te temmen; Hiftoriekunst, die ’t oude in ’tnieuw herfchept, Die munt en fleen van vroeger eeuw doet tuigen ,

Die honing zelfs uit bittren alzem lept, En uit vergift weet artzeny te zuigen,

En wat zich meer liet fchetzen op de print, Zyn beeldfpraak van het doel, waar heen wy trachten.

Is 't werk gering? wie deugd en wysheid mint, Heeft eindlyk op zyn arbeid vrucht te wachten.

Dus huwt m’ in ryk van onzen Waterleeuw- De Scheepvaardy met de oefning der verftanden,

Der braaven gunst zal by den noesten Zeeuw Den yvergloed noch fterker doen ontbranden.

Je Je BRAHE

N

U

IM

ALE In dia ie AE ereen ee :

kk hd 7 ie

wi B es ‘Je ap en en pmege

VERHANDELINGEN

ZEEUWS CH

GENOOTSCHAP

D ER WETENSCHAPPEN

TE

VLISSINGEN

__ PIERDE DEEL En Kn

TE MIDDELBURG; *r PIETER GILLISSEN;

Drukker van het Zeeuwsch CE DN der Wetenfchappen, hea

ve

an A

VA h

Het Genootfchap erkent geene exem- plaaren voor-echt, dan dië door eenen der Secretarisfen eigenhandig, ondertee:

kend 27e PR £ ee Ek , y ‚jura C Jeen

AN

í if

ral

vAN HET ZEEUWSCH AUS edes DER WETENSCHAPPEN re

TSS INS EN.

SH. et algemeen. ontfing, ‘by gars de vorige deelen der Ver- handelingen, door het Zeeuwsch Genootfchap der wetenfchappen uitgegeven, eenig verflag aan- gaande deszelfs toeftand, in zoo verre het kon geoordeeld worden daar by belang te hebben. Men achtte het niet ondienftig, op dien voet voorttegaan, vertrouwende ‚IV. DEEL, m3 dat

Evi]

dat zoodanig bericht den Lezeren niet geheel onaangenaam zal zyn.

By het houden der algemeene vergaderinge, den zevenden van herfstmaand des jaars MDCCLXXIII heeft de Heer BRAHE voorgele- zen een gedeelte van zyn helden- dicht de Muzyk, en de Heer TE WATER bericht gegeven van fom- mige natuurlyke, oudheid- en let- terkundige zeldfaamheden , die hem, op zyne reize door Gelder: land, Utrecht, Friesland, Owerys- Jel, ‘Groningen en Drenthe, waren voorgekomen. ’t Gene wyders in deze vergaderinge, met betrek- kinge tot de opgegevene vragen, werdt befloten, blykt uit het Pro- gramma, toen vastgefteld, en met deze volgende woorden door den druk gemeen gemaakt;

Het

En

Er EET cd

Eee

et. ZEEUWSCH. GENOOTSCHAP - DER EL WETENSCHAPPEN t@e VLISSINGEN? »x welk den 7. September 1773. zyne algemeene Vergaderinge heeft gehouden, was van oordeel, dat de antwoorden op de Vragen in ’t vorige Programma voorgefteld, en welker eerfte was: Wat is de reden van het flerk afnemen der Zeeuwfche, voornamelyk der Walcherfche Dui- nen en flranden? hoe is zulks woor te komen, en welke middelen, buiten de reeds bekendes zyn, op de nuttig fle en minst kostbaare wyze, tot derzelver behouding aan te wenden? De andere: hoe konnen de wallen of grondbraaken in de Zeedyken, voornamelyk die der Provincie Zeeland , best en minst kostbaar voorgekomen worden? niet voldoende waren, en derhalven den beloofden eerprys niet konden wegdragen , fchoon de fchryvers, die tot zinfpreuk hebben gebruikt, de eene: wit zugt voor Zeeland, de andere:

Dit dient ten nutte van het flrand Behoud woor zeedyk flik en zand.

met hunne Verhandelingen over dezelve by het Genoetfchap dankbaarheid en lof verdienen.

Het is uit aanmerkinge van het groot nut, ’t gene de Provincie Zeeland zoude konnen trek- ken uit de volledige beantwoordinge der gemel-

MA de

E vm J

de Vragen, dat het Genootfchap ten allen tyde zal genegen zyn een gouden Medaille aan zulken toe te wyzen, die, by vervolg van tyd, aan de eene of andere vrâag volkomen zal voldaan heb- ben.

Wyders herhaalt het Genootfchap de opgave der Vrage, voor ‘den cerften January 1774 te beantwoorden : |

In welke evenredigheid zyn de landen in de Provincie Zeeland, en in ieder eiland in ’t by- zonder , aangelegd tot Bosfchen, Boomgaarden , Weilanden en Bouw landen # 2 is die evenredig- beid, welke thans tusfthen dit wierfoortig ge- bruik der landen in deze Provincie plaats heeft, de voordeelig fie, volgens welke de landen binnen dezebve konnen worden aangelegd $ ? zoo neen , hoedanige verandering is daar in woor het al-

emeen belang wenfchelyk, en welke zyn de bes

te en vruchtbaarfte middelen, om dezelve daar

te flellen? Welke foorten van houtgewas en landvruchten zyn ’er , buiten die welke în Zee- land doorgaans het meeste worden aangekueekt, die in onze Zeeuwfihe gronden, met een evEn- geljk of grooter voordeel voor het Geineenebest en voor den Landman, dan de thans geeulsiveer- : de, zouden konnen worden geteeld ; = welke van drzelue v verdienen in het byzonder aangemoedigd d 5 #

ú ix J

de worden ; en hoedanig zyn de gefthiktfte middelen , om derzelwer culture gemeen te ma- ken ? | Het Genootfchap verlangt, dat de beantwoor- ding van het eerfte lid dezer Vrage op plaatfe- Iyke en zoo naauwkeurige onderzoekingen, als de aart der zake gehengt, moge gegrond zyn; dat de bewyzen daar van, zoo veel mogelyk;, by wyze van bylagen, nevens de beantwoor- dinge met renvoy aan dezelve, worden overge- zonden. En met opzicht tot de tweede en ver- dere leden dezer vraag wenscht het Genoot- fchap, dat de gronden en redenen, waar van de fchryvers tot ftavinge van hunne begrip- pen zullen gebruik maken, voornamelyk ont- leend wor den uit den aart van onze Zeeuwfche gronden en luchtsgefteldheid uit het geen de Ondervinding in andere landen, alwaar een der- gelyk climaat en gelykfoortige. gronden voor ’% grootfte deel te vinden Zyn; heeft geleerd sen uit de ‘byzondere nuttigheid, voordeel en ge- fchiktheid van deze of gene planten of gewasfen » het zy tot eigen confumtie of verwerkinge in de Provincie, het zy tot vervoeringe naar el. ders ‚en gevolglyk ook uit de handeldryvende belangen van de Provincie.

Noch felt het Genootfchap tot eene vraag

ian % 5 voor

[Xx]

voor, welke zal moeten beantwoord worden voor den 1. January 1775.

Welke gedeelten van de Nederlandfche Hi- Jlorie, byzonder van Zeeland, zyn tot nu toe niet naauwkeurig genoeg behandeld , en uit wel- ke bronnen zouden dezelve in een beter licht kon- nen gefteld worden ter aanvullinge der Vader- bandfche Gefchiedenisfen ?

In het beantwoorden van welke vrage de Schryvers in acht moeten nemen, dat dezelve zich bepaale tot de zeven vereenigde Provincien en de onderhoorige landen.

De prys, gefteld op ieder van de twee op- gegevene vragen, voor den Autheur, die de- . zelve, naar het oordeel van het Genootfchap, best beantwoord zal hebben, is een gouden Medaille, op den ftempel van het Genootíchap geflagen, met het jaartal en den naam van den Schryver,

De antwoorden op de vragen moeten niet met den eigen naam des Schryvers, maar met een zinfpreuk geteekend en met een verzegeld billet, het welk dezelfde zinfpreuk tot opfchrift heeft, waarin des Schryvers naam en adres gemeld zyn, verzegeld aan den Heer Justus Tjeenk, Secretaris van dit Genootfchap, zeer leesbaar gefchreven, gelyk ook een affchrift, of

dub-

[ x1 ]

dubbel derzelve, in het Nederduitsch, Fransch of Latyn franco worden toegezonden, voor den bepaalden tyd, na welken geene meer tot den prys zullen worden toegelaten,

Ieder een, wie hy ook wezen mag, ftaat vry naar den prys te dingen, uitgezonderd hún die in eenig opzicht Leden van dit Genootfchap zyn, Ook zal het den genen, die den prys behalen zal , niet vry ftaan, zyne Verhandelinge, waar op hem de prys is toegewezen, in ’t geheel of ten deele, het zy afzonderlyk , of by eenig an- der werk, te doen drukken , zonder uitdruk- kelyke toeftemminge van dit Genootfchap.

Evenwel zal het den Leden, des goedvinden- de, vry ftaan, om, fchoon zonder naar den prys te dingen, over de opgegevene vragen te fchry- ven en derzelver antwoorden op de bepaalde wyze, alleen met de byvoeging van de woorden Lid van het Zeeuwsch Genootfchap achter de zinfpreuk , zoo boven op het verzegeld bifler, als op de verhandelinge zelve geplaatst, te laten toekomen, ten einde het Genootfchap daar van ook een nuttig gebruik voor het algemeen konne maken, het zy door derzelver verhandelingen, geheel, of by uittrekzels van het byzonderfte, mede te deelen.

En ten einde de verhandelingen over de op-

ge-

F xn J

gegevene vragen, door zulken die geen Leden zyn toegezonden, fchoon zy den prys niet beha- len, evenwel niet in het duister blyven, zal het Genootfchap ook daar van gebruik maken, en dezelve , of geheel, of ten deele, met den druk gemeen maken, ’t zy onder de bygevoeg- de zinfpreuk, of met melding der naamen, in- dien de Schryvers dezelve aan het Genootfchap gelieven te openbaren, na dat de prys zal zyn toegewezen ; en zulks in de nieuwspapieren zyn bekend gemaakt. |

Den zesentwintigften van hooi- maand in den jaare ‘MOCCLXXIV werdt wederom de jaarlykfche al- gemeene vergadering van het Ge- nootfchap gehouden, waar in de Heer ’s GRAVEZANDE verflag deed van den. tegenwoordigen {taat der Jooden en hunne voor- rechten te Cochin, en de Heer TE WATER zyne verhandelinge, over ’t begraven der lyken in de fteden en kerken, mededeelde,

Wat ’er wyders in deze byeen-

kom--

E-sui }

komfte is vastgefteld nopens de vragen, voorheen en nu ter beant- woordinge aan ’t gemeen opgege- ven , leert het Programma, ‘welk van dezen inhoud was:

Nem aan het ZEEUWSCH GENOOT" SCHAP DER, WETENSCHAPPEN te VLISSINGEN , in deszelfs algemeene vergade- ringe, gehouden den 26 July 1774, gebleken is, dat de tydsbepaling , om voor den eerften January van dat zelve jaar te beantwoorden de vrage, by het Programma van den jaare 1772 voorgefteld: Zn welke evenredigheid zyn de lan- den in de Provincie Zeeland, en in ieder eiland | in ’t byzonder, aangelegd tot Bosfchen, Boom- gaarden, ‘Weilanden en Bouwlanden? “ir die evenredigheid, welke thans tusfchen dit wier- foortig gebruik der banden in deze Provincie plaats heeft, de voordeelig fle, volgens welke de landen binnen dezelve konnen worden aange- degd? zoo neen, hoedanige verandering is daar in voor het algemeen belang wenfchelyk, en wel- ke zyn de beste en vruchtbaanfte middelen, ons dezelve daar te flellen? WWelke foorten van __hout-

L Xiv j

boutgewas en landvruchtén zyn ‘er , buiten dië welke in Zeeland doorgaans het meeste worden aangekweekt, die in onze Zeeuwfthe gronden; met een evengelyk of grooter voordeel voor. het Gemeenebest en woor den Landman, dan de thans gecultiveerde , zouden konnen worden geteeld ; welke van dezelve verdienen in het by- zonder aangemoedigd te worden; en hoedanig zyn de gefthiktfte middelen, om derzelver cultu- we gemeen te maken? niet ruim genoeg geweest is, om, met in acht neminge van de bygevoeg- de bepalingen, daar op voldoende te konnen antwoorden, heeft het Genootfchap goedgevon- den dezelve vraag voor als noch aan te houden, en thans eene andere voor te ftellen, welker opgave, federt eenigen tyd, zoo de menfchen- liefde als het algemeen belang van de geoctroy- eerde OOST-INDISCHE MAATSCHAPPYE de- zer gewesten. fchynen gevorderd te hebben, en welke voor den eerften January 1776 zal dienen beantwoord te worden , namentlyk: Welke zyn de duidelyke en onderftheidene kenmerken van die befmettelyke rotkoorts (febris maligna pu- trida), welke thans zoo algemeen befpeurd* wordt op de uitgaande Oost-Indifche Schepen dezer banden; door welke oorzaaken wordt deze koorts voortgebragt, en welke zyn de middelen

onz

[xv 1

om dezelwe te behandelen, woor te komen en den woortgang daar van te fluiten?

„De vraag, door het Genootfchap in x jaar 1773 opgegeveh, om ze voor den aanvang. van het jaar 1775 te beantwoorden, was: Welke gedeelten van de Nederlandfche Hiftorie, by- zonder van Zeeland, zyn tot nu toe niet naauw. keurig genoeg behandeld, en uit welke bronnen zouden dezelve in een beter licht konnen gefteld worden ter aanvullinge en woltooijinge der Va- derlandfche Gefthiedenisfen? |

Ter oplosfinge van welke vrage de Schryvers verzocht worden, zich alleen te willen bepalen tot de zeven vereenigde Provincien ‘en de on= derhoorige landen.

De prys, gefteld op ieder van ar twee op- gegevene vragen, voor den Autheur, die de- zelve, naar het oordeel van het Genootfchap, best beantwoord zal hebben, is een gouden Medaille, op den ftempel van het Genootfchap geflagen, met het jaartal en den naam van den Schryver. f

Waarby dezelfde voorwaarden. en bepalingen gevoegd waren, “in. je vorige Programma gemeld,

Enk boven uitgedrukt,»

| Niet

L Xvi J Niet dan met eene fmertende. aandoeninge van droef heid, maakt het: Genootfchap - meldinge;- dat eenige Beftierders en - Leden aan zelve, door den dood, ontrukt

zyn. | | gen de eerften behoorden de Heer Mr. wiLLEM Cornelisz, OCKERS- se, Heer van ’sGravenpolder , Bur- gemeester en Raad der {tad Zierik- zee, overleden den zevenentwin- tigften van hooimaand des jaars MDCCLXXIVv, en de Heer Mr. JOANNES DE WIT HAGANEUS, Commisfaris der kleine bank van Juttitie te Haarlem, den zestien: den van fouwmaand deszelven jaars geftorven, terwyl hy Zrank- ryk doorreisde. osllen In den jaare mpcceLxxm verloot het Genootfchap uit het getal van zyne Leden, den Heer JAN WA: GENAAR, door wiens dood, voorgevallen den eerften. van len- aol te-

[ xvu Ì

temaand, en aan het Genootfchap plechtig bekend gemaakt, ons Var derland en de ftad Am/lerdam een’ uitmuntenden gefchiedenisfchry ver verloren hebben, en den Heer LOUIS LANCELOT MAIZONNET, Predikant by de Waalfche ge- meente te Dordrecht, daar hy den zevenentwintigften van wynmaand overleden is, dien lof en roem na- latende, welken hy zich, in vroe- ger tyd, ook binnen deze ftad had verworven. In het volgende jaar MDCCLxxIV ftierf de Heer HE N- RICUS HAGEMAN, rustend Pre- dikant der Lutherfche gemeente te _ Amflerdam , wiens uitgegeven fchriften overvloedige blyken van onvermoeide naarftigheid opleve- ren. In den aanvang van dit _ doopende jaar ontviel aan het Ge- „nootfchap de Heer JOHAN MAR- TIN HOFFMAN, die, fchoon hy „rustte, van zyn Leeraarampt. te „IV. DEEL, lk Maas:

É «vi j

Maúasfluis, echter rusteloos voort: ging in ’t verdedigen van den waá- ren Godsdienst, en in ’t beftryden van het ongeloof. Noch korter geleden, den zevenden van lente- maand, werdt het Genootfchap door den dood beroofd van een zyner Leden, den Heer JOB BAs- PER, een man van uitftekende bekwaamheden in de geneeskunde en nâtuurlyke hiftorie, waar door hy niet alleen te Zierikzee, zyne geboorteplaats, en in de Neder- fandfche gewesten, maar ook in alle landen, daar de wetenfchap- pen op een’ hoogen prys ftaan, zich zelven een’ onfterfelyken naam verkregen heeft.

Daarentegen is het getal der Heeren Beftierderen en Leden, op verfcheiden tyden, op eene aan- Zienlyke wyze door byvoeginge ‘Van anderen vermeerderd ht en.

L XIX Ì

den. Tot den eerstgemelden post zyn verkozen de Heeren

Mr. JOHAN PIETER VAN DEN BRANDES Ridder Baronnet, Heer van Gapinge, - Crabbendyke, Couwerve enz. Schepen en Raad der ftad Middelburg. Den 6 April

SNE TER

Mr. wirLeMm TursAur, Heer van Aagtes kerke, Secretaris ter Admiraliteit in Zeee band, Kiesheer der ftad Middelburg. Den 6 April 1773.

Mr. ANTHONY PIETER WeBOs Raadsheer

__in den Hove Provinciaal van Holland en Zeeland, in 's Hage. Den 27 April 1773.

PETRUS ALBERTUS VAN DE PARRA, Gous verneur Generaal van Neerlandsch Zndia enz. te Batavia, Direéteur van de Hol- landfche Maatfchappij der wetenfchappen. Den 25 January 1774-.

FLORENS EILBRACHT, Stadhouder en Griffier

___der Leenen van den huize en ridder-hofftad Joenderfloot, en Secretaris te Abkoude, Den 28 Juny 1774

CORNELIS JACOB VAN DER LYN, Oud- Schepen der ftad Amfterdam. Den 28

Juny 1774.

EEL]

GEORGE FREDRIK Baron THOE SCHWART*

ZENBERG EN HOHENLANSBERG, Griet man van Menaldumadeel, Gedeputeerde Staat van Friesland, te Leeuwaarden, Lid van de Leidfche Maatfchappy der Ne- derlandfche letterkunde, en van ’t Gro-

pingsch Genootfchap pro excolendo Jure

Patrio. Den 28 Juny 1774.

ONNO ZWIER VAN HAREN, Grietman van

Mr.

Stellingwerf westeinde, enz. te Wolvega. Den 28 Juny 1774. RUTGERUS PALUDANUS, Raad en

Thefaurier der ftad Alkmaar, Directeur van de Hollandfche Maatfchappy der we-

tenfchappen. Den 28 Juny 1774.

„COENRAAD WOLTHER ELLENTS) Raad

en Secretaris van ’t Landíchap Drenthe, en medelid van den loffelyken Eeftoel al daar. Den 29 Nov. 1774.

RENEKE BUSCH GOCKINGA, Secretaris

der Heeren Gedeputeerde Staaten van Gro- ningen. en Ommelanden. Den 29 Nov. 1774:

DAVID THOMASSEN à THUESSINKs Burgemeester der ftad Zwolle. Den 29 Nov. 1774. 5

In

Lira HT

In de algemeene vergaderinge, in den jaare MDCCLxxIr gehouden, werden tot Leden aangenomen de „Heeren

GUALTHERUS VAN DOEVEREN, Hooglee- raar in de Geneeskunde te Leiden, Lid van de Hollandfche Maatfchappye Gn we- _tenfchappen.

PETRUS BONDAM; Hoogleeraar ì in de Rech- ten te Utrecht, Hiftoriefchryver van Gel derland, Lid van de Hollandfche Maat- fchappy der wetenfchappen, en-van de Leidfche Maatfchappy der Nederlandfche letterkunde.

G.J: GERARD) Secretaris van Haare Keizer- Iyke Majefteit, en van de Keizerlyke Koninglyke Academie der wetenfchappen en fraaije letteren te Brusfel.

GERARD DE WIND, Medic. Doct., Anato- miae, Chirurgiae artis obftetr, Lector te Middelburg.

_En in de algemeene vergaderin- ge, in den jaare MDCCLXXxIV, zyn tot Leden aangefteld de Heeren

mig JAN

Lxxn J

JAN SPLINTER STAVORINUS, Kanitein ter zee by de Admiraliteit in Zeeland, te Middelburg.

CHRISTIAAN RUDOLPH HANNES, Med, Doct. Stads Phyficus te Wezel, Lid van de Keizerlyke Academie der Natuur-on- derzoekeren , en van de Hesfifche Socicteif te Giesfen.

GERARD GREEVE, Heel- en Vroedmeester te Utrecht.

JAMES BEATTIE, Profes'or in de zedelyke wysgeerte en redenkunst in Marfchall Collegie en de Univerfiteit te Aherdeen.

Alle deze Heeren lieten zich de gedaane verkiezinge welgevallen, en beloofden, zoo veel hun mo- gelyk is, tot den bloei van dit Genootfchap te zuilen medewer- ken, waar van fommigen reeds daadelyke blyken hebben gegeven,

Het Genootíchap kan niet onge- voelig zyn aan de verplichtende wyze, waar op fommigen de boek-

vere

Le wma ]

verzamelinge , anderen deszelfs ka- binet van natuurlyke zeldfaamhe- den vermeerderden. De Heeren Vosmaar , Baster , Nieuwland, Slab- ber, Brahe, Curtenius, ’s Grave- zande, wan Drunen, Hofflede wan peren, St. Simon, Willemfen , Per- renot, Fermin, Gallandat, Leden van ’t Genootíchap, Zrip, N. C. Lambrechtfen, Verheye van Citters, Lelyveld, Nuysfenberg, Le Roy , en aderen, vereerden aan ’t Ge- nootfchap hunne uitgegevene fchrif- ten. De edelmoedigheid der Hee- ren Winckelman en van de Spiegel vermeerderde insgelyks de boe- kery, welke echter vooral aans groeide door de aânzienlyke en herhaalde gefchenken van den Heer van Damme, die hier in een groot voorbeeld van navolginge aan anderen heeft gegeven. —_— De verzameling van natuurlyke zeldfaamheden is, federt twee

id! jaar

Dt BMT V 1]

jaaren, ongemeen aangegroeid. De Heeren A. }. Hurgronje en Snouck Hurgronje deden aan ’t Genootfchap een voortreffelyk ge- fchenk van eene talryke verzame- linge der fraaifte hoorns en fchul- pen; anderen bragten ook het hun- ne toe, om het natuur-kabinet tot meerdere volkomenheid te bren- gen. Hier toe ftrekten de giften der Heeren Winckelman, Brahe, Ze Water, Helleman, wan’ der Woord en Bomme, aan welken laatften, gelyk ook aan den Heer Slabber, de bekwaame rangfchik- king moet dank geweten worden, Een goed aantal van allerleye myn- ftoffen is het Genootfchap verfchul- digd aan de vriendelykheid van den Heer Gravezande. Zelfs hebben eenige aanzienlyke vrouwen, wel ker zedigheid verbiedt haare naa- men te vermelden, het Genoot- fchap door gefchenken van dit

| AE: foort

LERS |

foort aan zich verplicht. Onlangs ontfing het Genootfchap eene ge- dachtenis van den Heer Baster, volgens zynen uiterften wille, be- ftaande in een konftig bufet, door hem zelven gemaakt, en famenge- fteld uit allerhande foorten van hoorns, fchulpen, zee-gewasfen, en andere natuurlyke zeldfaamheden, welke dit fchoon gedenkftuk van ’s Mans vernuft verfieren. De mildaadigheid der Heeren Wanc- kelman, Lambrechtfen wan Riút- them, wan Damme en van der Woord ftelde het Genootíchap in t bezit van verfcheiden pennin- gen en munten, ten grootften deele betrekkelyk tot de Neder- landfche gefchiedenisfen. De Heer Steengracht vereerde ook ze- keren fteen, gevonden op ’t huis

te Britten, waaromtrent Hy be-

richtte, dat dezelve afgeteekend gevonden worde by VAN LOON En AAN LS

5 al

[ XXVI ]

aloude hiftorie van Holland I deel bl. 154, en in ’t werk van den „Marquis De sT. sIMON over den oorlog der Batavieren en Romei- nen; dat op dien fteen verbeeld worden de gevangenisneming en wegvoering van Welleda, naar 't gevoelen van CANNEGIETER «de Brittenburgo pag. 143, en VAN LOON in ’t genoemd werk bl. 127. By dezen fteen heeft de Heer VAN DAMME, naderhand, eenige an- dere gevoegd, welke, volgens o- verleveringe,. insgelyks op ’t huis te Britten zouden gevonden zyn. Twee van dezelven zyn zeer ge- yk aan den fteen, zoo even ge- meld, en fchynen dezelfde gebeur- tenis aftebeelden, welke, naar de gisfinge van dezen Heer, niet is de gefchiedenis van /elleda , maar van Suzanna; een gevoelen, dat het onderzoek der oudheidkundi- gen wel waardig is, vooral om dat

meer

[LL xxvu J

meer foortgelvke fteenen in ons

Vaderland te vinden zyn.

Het Genootíchap ontfing, met byzonder genoegen, een goed aantal van verhandelingen over verfcheiden takken der weten- fchappen, en zal dezelve, zoo fpoedig mogelyk, aan het alge- meen door den druk mededeelen; zullende het vyfde deel eerstdaags onder de pers komen, om te vol- doen aan het oogmerk der fchry- veren, en aan ‘t verlangen der let- teroeffenaaren. |

Dit vierde deel bevat drie ant- woorden op de voorgeftelde vraag belangende de palen en regelen der gevolgtrekkingen, in ’t onder- zoek der natuur, uit de reeds ge- maakte waarnemingen en proefon- dervindingen ter navorfchinge van

__‚de noch onbekende oorzaken der

Vi

vete

L xxvim J

verfchynfelen. Het eerfle van de- ze antwoorden heeft tot Schryver den Heer VAN IPEREN, aan wien 't Genootíchop ook verfchuldigd is de vertalinge van het tweede {ftuk, waar van de Heer PAP DE FAGARAS de opfteller is. De derde verhandeling, over dit on- derwerp, werdt gefchreven door den Heer P. FERMIN, en in ’% ‘Nederduitsch vertaald door den Heer P. BODDAERT. De Heer VAN DAMME doet bericht van zyne talfyke verzamelinge van Griekfche, Romeinfche , en andere oude Penningen, zullende deze _eerfte afdeeling, eerlang, door eene tweede gevolgd worden, waarby Hy zal voegen de afteeke- ninge van veele ongemeene ftede- lyke penningen, welke tot nu toe nimmer zyn uitgegeven.—- Hier- op volgen de geestkundige en ‘zedelyke aanmerkingen. van den 19 Heer

ren Ì

Heer PARIS over het verband van verfland en wille— De Heer HENNERT, die ín eene voorgaande verhandelinge, in het derde deel geplaatst, de waare gedaante der aarde onderzocht, doet hier naauw- keurig onderzoek, of de onzeker- heid daaromtrent eenen merkely- ken invloed hebbe op de ftarre- kunde en zeevaart…—- De ver- handeling van den Heer SCHORER toont de dwaasheid en fchandelyk- heid der tweegevechten, uit ver- fcheiden gronden, aan. De aan- merkingen over den Hofftyl of Franfchen Schryfftyl, door den Heer ’s GRAVEZANDE gefchreven, hebben veel invloeds op de ge: fchichtkunde van ons Vaderland. De Heer BoNN befchryft zyne waarneminge van eene aanmerke- lyk uitgezette pisblaas en omgebo- gene zwangere baarmoeder…— De Heer TE WATER beftrydt, in zyne

ver-

[ xxx 1

verhândelinge, de onbetamelyke ‚gewoonte van ’t begraven der Iy- ken binnen de fteden en kerken.— Eindelyk zyn hierby gevoegd de Meteorologifche. waarnemingen van den Heer BASTER, in de jaaren 1772, 1773 en 1774 te Zierikzee

gehouden.

Indien het algemeen voortvaart de pogingen van t Zeeuwsch Ge- nootfchap te onderfteunen, gelyk tot nu toe gefchiedde, hoopt het zelve meer en meer de voorge- {telde oogmerken te bereiken, welke fteeds dezelfde blyven, GODS eer, het belang van ’t menschdom, en het nut der land- genooten.

Vlisfingen den laatflen van bloeimaand MDCCLXXV.

Hist

LYST

[ xxxi 1 LYST per VERHANDELINGEN,

ntwoord op de vraag voor ’t jaar 1772, door j. VAN IPEREN, 4. L. M, Phi- lof: Doct., Predikant te Vere. Bla

Antwoord op dezelfde vraag, door J. PAr DE FAGARAS; m€@t de vertalinge van J. van Iperen. 119

Antwoord op dezelfde vraag, door P, FER= MIN, M. D. gezworen Raad te Maas- tricht; met de vertalinge van Mr. P, Bod= daert. 3I9

Bericht van eene talryke verzamelinge van Griekfche, Romeinfche en andere oude penningen, door P. VAN DAMME 419

Pfychologifche en Moralifche aanmerkingen over het verband van verftand en wille, door j. W. PARIS, Predikant te Hulst. 453

Onderzoek, of de onzekerheid omtrent de waare gedaante der aarde eenen merkelyken invloed hebbe op de ftarrekunde en naviga= tie, doort, Fr, HENNERT, A, Le M, Phi= bof. Do&. en Profesfor te Utrecht, _— 499

Verhandeling over de dwaasheid en fchande- lykheid der Tweegevechten, door Mr. W.SCHORER, Prefident van den Raad en ’* Leenhof van Vlaanderen te Afiddelburg. 545

Verhandeling over den Franfchen Schryfftyl, doorgaans genoemd Stilus curie of ftyle . van den Hove, door A, ’SGRAVEZANDEs Predikant te Middelburg. 577

Ont=

[ XXX J

Ontleed- en Vroedkundige waarneeming eener

aanmerkelyk uitgezette pisblaas, en omge=

‚bogene zwangere baarmoeder, door A. BONN, Med, Dot. & Profesfor te Amfterdam. Ó13

Verhandeling over het begraven der lyken in de fteden en kerken, door 7. w. TE w A= TER, Predikant te Vlisfingen, 629 Meteorologifche waarnemingen te Zierikzee,

in de jaaren 1772, 1773 Een 1774, door J. î BASTER, Med, Dot. aldaar, _ kr

DRUKFEILEN,

In III Deel bladz. 542 laatfte reg.

flaat za3 Dar: lees=zaH3Dar

In IV Deel ftaat bl. 422 aant; (c) Oxirii lees Oxoriae —— bl. 624 rf, 22 aandrongen - aangedrongen =— bl —= r. 24 ophoping —_= ophooping

ANT:

ANTWOORDEN Vee RAG #E:

Mag een Natuuronderzoeker, uit de reeds ges maakte waarnemingen en proefondervindin= gen, verdere gevolgen trekken ter uitvorfchins ge van de noch onbekende oorzaken der ver« Jibynfelen? zoo ja, hoe verre mag hy daar in voortgaan , en welke regelen moet hy daar, omtrent in acht nemen 8

VOORGESTELD OM BEANTWOORD TE WORDEN IN DEN JAARË

MED SC CBON A TA,

HAR IN

wg Vosrt oh se rmdsovehmountes/ vn ik eniatershnhgorg aa mopmisnstinnus san emidgoeris gas adden noplousg vroren IB ARP lo adostoo ShmÂidno droe sh aon B st WRh  onee sv LOU ‚oJ oor Saria, “ank qd. aoome sohoge shade Ma. inches

| DE RON REN ERS st tea tan

EELT ENOHO AV,

WEGAOW. AT. OIOOWTMATE Mo

RRAAD » EL MEE ech enen

AEEA GM

Bladz. 3 ANTWOORD

OP DE

VR A GE:

Mag een Natuuronderzoeker, uit de reeds gez

maakte Waarnemingen en Proefondervindin- gen, verdere gevolgen trekken ter uitvonfchinge wan de nog onbekende Oorzaken der Verfchyn= Jelen?

Zoo ja, hoe werre mag hy daar in voortgaan ? En welke Regelen maet by daaromtrend in agt nemen ? tovlse Dv 0 ù E

SOSUA VAN IPEREN. | AS aft loof lef ff

Ik nam de vryheid, om de Vrage dL aanftonds in drie leden , duidelyk- heidshalven te fplitfen ;'om dat myne Verhandelinge of Arwoord zoo: moest verdeeld ‘worden zow’ ik’ voldoen ep A

4 SJ VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

hets oogmerk, der Vlisfingfche Maat- fchappye. Maar hy, die het geoorloof- de der gevolgtrekkingen, zoo als die uit de Waarnemingen en Proefondervin- dingen , Oongedworgen. vóortvloeijen, wraakt, en er zig, nog in deze verligte ‘Eeuws tegèn verzetten vwil,“heeft juist al-dien“omflag niet-van nooden. Zyne taak\is-fpoediger.afgedaan, De tweede en; derde, Voorftellinge van het Vraag- {tuk raken hem niet - Gansch-anders is het met my gelegen : want ik houde het-daar voor-‚-dat:het eerfte Lid , zon- der eenige aarzelinge, aanftonds met Ja moet worden beantwoord; en dus verpligte ik my zelven, om óok myn best te doen, dat ik het doelwit der twee laatfte Vaorftellingen , hoe werre mag. men daar in_ voortgaan? en welke Regelen moet mèn daaromtrend in agtne- men? treffe.

L

De Ridder.NE wTON word, in: Efi- geland;ten-minften voor deneerften en voornaamftenwysgeer gegroët die alle de. winderige A naroniksidial ien van Jon CAR-

VRAGE VOORT JAAR MDCCLXXIL 5

CARTESIUS, GASSENDI en anderen van. zynen. tyd uit de Proefondervinde- lyke Natuurkunde -wilde-hebben. uitge- bannen ; maar geenzints:de Gevolgen, welke men uit de waarnemingen en Ex- perimenten trekt, Zyne gezegdens daar- omtrend, by den Heer BRUCKER aan- gevoerd, meene ik hier te mogen-plaat- zen: Quidguid ex Phoenomenis non dedu- citur Hypothefis vocanda est: et Hypo- thefes „feu phyfice , feu metapbyfice feu gualitatum occultarum feu mechanica in philofophia experimentali locum non har bent. In hac pbilofopbia propofitiones de- ducuntur ex phoenomenis €” redduntur generales per Induftionem, Dat is: Al » wat uit de Verfchynzelen word af- » geleid , moet men eene Vooronder- ftellinge heeten: ven de Vooronder- » ftellingen , zoo natuurkundige, -over- » natuurkundige, als wergtuigelyke- en » opwerpzels van verborgene hoedanig- heden, hebben in de Proefondervinde- » lyke Wysbegeerte. geene plaats. In » deze W ysgeerte leid-men zyne: Stel-

lingen uit de Verfchynfelen af en men

5 maakt haar algemeen, door middel » van de Andudtie”,

Door de _Zndudie. werftaan. de Rede- sh A 3 neer.

Z

G 7. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

neerkundigen, gelyk bekend is, eene Gevolgtrekkinge ter beraminge der ei- genfchappen van eene geheele Soort, of van een gansch Geflagt, ontleend uit de eigenfchappen , welke men in verfcheide: rie wezens onder die Soort, of dat Geflagt, behoorende, had aangetroffen. En zoo- danige Gevolgtrekkinge is ook altoos door de Heeren ’%S GRAVEZANDE, DESAGULIERS, MUSSCHENBROEK en NOLLET in agt genomen; en word nog heden door genoegzaam alle de Natuuronderzoekers goedgekeurd en gebruikt.

In de Starreloopkunde is men vooral bedagt geweest, om uit de W aarnemin- gen der Paralaxen , Eclypfen en andere Optijche Verfchynzelen, door de Verhe- vene Geometrie „Gevolgtrekkingen te vormen, welke eene nieuwe gedaante aan die Wetenfchap gegeven, en eenen on- gemeenen glans over de Wysbegeerte verfpreid hebben.—- De Natuurlyke Historie ftapelt, dagelyks, waarnemin- gen’op, en wel zulke, die de Induttie der Rangfchikkers foms van voorbarig- heid overtuigen, en menige fchepzelen uit de eene kas der Kabinetten van Lief- hebbery in eene andere kas, immers ui

er 6 4 e

VRAGE. VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 7

„de eene lade in. de andere doen -over- gaan. Gelukkig waren de Sterrekundi- gen, indien zy hunne waarnemingen even gemakkelyk konden vermenigvul- digen,enlangs-dien weg, hunne. Mathe- matifche Gevolgtrekkingen verbeteren! In de Ontleedkunde van-ALBINUS- en HALLER, in de Scheikunde van BOER- HAVE, in de Geneeskunde van MEAD EN VAN SWIETEN; in de Befpiege- lingen van BONNET, kortom in alle de niewere en verbeterde famenftel- len -der Natuurlyke Wetenfchappen, heercht de JZndutie zoo algemeen en fterk , dat dit overal aangenomen ge- bruik alleen genoeg moet zyn, om ons verlof te geven, ja zelf te noodzaken tot een toeftemmend Antwoord op ‘het eerfte lid der voorgeftelde Vrage : ‚na- mentlyk dart ja! een Natuuronderzoeker, uit. de reeds gemaakte Waarnemingen en Proefondervindingen , verdere gevolgen mag trekken ter uitvorfchinge: van de nog onbekende oorzaken der Verfchynzelen..

„De Proefondervindingen zyn Waar- nemingen , welke door kunst uitgevon= dens uitgevoerd en verbeterd worden. Sedert GUERICKE, die de Lugtpomp ai A 4 uits

B Je VAN PEREN ANTWOORD OP DE

“uitvond, en BOYLE, die haar verbeter: de; zyn de eigenfchappen der Lugt, welke te voren nog zeer gebrekkig ge- kend en flegts in ’t ruwe opgemerkt wa- ren, met eene verwonderenswaerdige naauwkeurigheid, gadegeflagen. Maar genoegzaam alles, dat men op die wy- ze van de Luugt heeft leeren kennen „zou naawelyks “voor” meer dan Waafne- mingen der Lugtpomp' mogen worden ‘aangezien, en, zoo min als de Barome- ter van TORRICELLI, kurinen dieren ter bepalinge der Eigenfchappen van dat Element, 100” men de Verfchynzelen, “welke zig in de Pomp en Barometer ver- toonen „niet, by Gevolgtrekkinge, op den Dampkringzou mogen toepasfen,

soDe werktuigen, die men, by het doen der Proefnemingen, noodig heeft, zou- „den nimmer zyn toegefteld, indien eene genoegzaam oneindige fchakel van W aar- nemingen, federt TUBALCAIN, het ‘bewerken van hout, teen, metaal, glas en-andere {toffen niet tot-eene volmaakt- heid gebragt hadde, die misfchien, door volgende W aarnemingen, weinig zal kun- nen verbeterd worden: vooral zoo men „de.waarfchuwingen van den-Heer Nor- LET daaromtrend in agt neemt, in zyn iet ulit-

VRAGE VOORT JAAR MDCCLXXI. 9

gitmuntend werkje, getiteld Avis aux Amateurs de la Phbyfique. En waarlyk! ishet wel te denken, dat de Werktuig- kunde, alleen by geval, zulke vorderin- gen zou hebben gemaakt, gelyk zy ge- maakt heeft, vooral in Engeland, zon- der dat de fcherpziende fchranderheid der werkbazen , uit vorige ondervindin- gen,bevorens had geredeneerd „ter ftavin- ge van hare waarfchynelyke vermoedens van voorfpoed, die er te wagten was in het verbeteren der werktuigen? Is het wel te denken, dat de Wiskunftenaars, in het doorzetten hunner Natuurkundi- ge Berekeningen, gecyfferd zouden heb- ben, zonder eenige vermoedelyke uit- koomften vooruit te zien, en dus Gevol- gen te trekken uit de Waarnemingen en Proefondervindingen , welke hun aan- leidinge gegeven hadden, om Ziguren te teekenen en Eqguatien op te zetten? Is het geheel beloop der Stelkundige of Algebraifche Oplosfchingen wel iet an- ders, dan eene vernuftige reeks van -oft- feilbaar- aan elkanderen vastgefchakelde “Gevolgtrekkingen?— E

cie Zou ook waarlyk ftryden met ‘het Oogmerk der Nature zelf, “indien-wy Ai A 5 niet

10 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

verder gingen, dan telkens bloote waar- nemingen te doen, zonder uit gelykvor- mige waarnemingen, gedaan op gelyk- foortige voorwerpen, ° zy met de zin- tuigen alleen, ’tzy met behulp der ver- grootglazen en andere kunstmiddelen, algemeene regels te fmeden, Wierden wy dan geene elendiger W ysgeeren dan de geringfte , de veragtelyk{le beesten? of ten minften telden wy ons niet gelyk aan gochelaars en rarekykdraijers, als-wy het by enkele waarnemingen en proef- ondervindingen lieten berusten? Hoe! openbaart zig dan de oneindige Wys- heid van den Schepper niet in de „4na- logie, in de overeenftemminge zyner fchepzelen? Zyn dan de Verhevelin- gen, zyn de Mineralen, de Metalen, de Planten, de Infeêten, de Vogelen en Visfchen nergens meer in gelyk aan die, welke men voor den Zondvloed “waarnam? Volgt de Natuur geene vast- gaande maatregelen? Zyn er geene al- gemeene Wetten van Beweginge? „Zoo ja, waarom zou men die niet mogen uitvorfchen? Maar niemand is er byna zoo onbedreven, die niet begrypt, dat zulks onmogelyk gefchieden kan, als door Gevolgtrekkingen te vormen, die

| op

VRAGE VOOR °TJAAR MDCCLXXIL, 11

op juiste waarnemingen en proefonder- ‘vindingen gegrond zyn en menige eeu= wen na dezen nog een zonderling gemak aan de Proefondervindelyke Natuurkun- de zullen byzetten.

Wel is waar, loutere Gisfingen ko= men in de ware W ysbegeerte weinig te pas: *tis niet, dan by oogluikinge, wan- neer men dezelve gedoogt. Maar daar- om moet niet alles, wat maar eenigzints naar Gisfingen zweemt, uit de Natuur- kunde verbannen worden. Laten wy den beroemden Wysgeer van Geneve hooren fpreken (*) De kunst van Gisfen, zegt hy, wolffrekt uit de Natuurkunde te bannen ‚zou eveneens zyn, als of wy ons by enkele en byzondere Waarnemingen wit- den bepalen ; en waartoe zouden ons die Waarnemingen dienflig zyn , indien wy er geen het minst gevolg uit trokken? Zonder ophouden zouden wy bout; kalk en fieen by een brengen met oogmerk, om niet te bouwen, Zonder opbouden zouden wy het middel met het doeleinde verwar- ren. -_ Alles zou los van een gefcheiden bly- wen in-onze denkbeelden, terwyl onder-

Jus

(*) C. BONNET Palingenes, T.L p. 74e

12 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

tusfchen de ganfche Natuur alles famen-

Jthakelt. Indien NEWTON die kunst-

wan Gisfen niet verftaan had, zou hy ook nimmer den Hemel hebben kunnen în- dringen en er de Geestelyke Stuurlieden der Geflarntens, welke KEPLER ver- zonnen had, uit jagen, en er twee Werk- tuigelyke' Kragten op den throon zetten, aan welke alle de Starren, Planeten en Cometen nog blindeling fchynen te blyven

gehoorzamen. | Ik verftae door de Kunst van Gisfen geene losfe en wilde voorbarigheid in vooronderftellen van vermoedelyke Oor- zaken ‘err Gewrogten : neen ! maar eene oordeelkundige en voorzigtige beramin- ge van waarfchynelyke famenloopinge van werktuigen, ter ophelderinge- en verklaringe der Verfchynzelen, Want zoo zy-met geene oordeelkundige voor- zigtigheid word aangelegd, verdient zy geene Kunst genoemd te worden. NEW- TON-maakte zig, volgens het oordeel Van LEIBNITZ En BERNOULLI, fchul- dig. aan voorbarigheid: in het Vooron- derftellen, toen hy, met LOCKE,“ de waereld- voor een onvoltoyd werktuig aanzag, voor een onvolmaakt Horlo- gie, dat telkens, om zoo te fpreken, van

VRAGE VOORT JAAR MDCCLXXIL 13

van God moest worden opgewonden en herfteld : alzoo een eerbiedig denkbeeld. der Goddelyke Wysheid genoegzaam ‚was, om fluks die en andere foortgelyke ligtvaerdige Vooronderftellingen den bo- dem inte flaan. In tegendeel leert ons dat zelfde begrip der Oneindige W eten: fchap van het Opperwezen oordeelkun- dig gisfen en vermoeden, dat alles, in de bewegingen der waereldfche Lichamen en in het leven der Nature, ten minften doorgaansch , de: Wonderwerken alleen uitgezonderd , werktuigelyk toegaat ‚zoo van ’s waerelds ugtenftond af is. toege- gaan ; en eveneens tot aan de;voleindinge der eeuwen toegaan zal, > vermont:

De Kunst van Gisfen is ruim zoo oud alsde Kunst van Waarnemen,» Zoo dra was: de mensch op shet: voltoyd fchouwtoneel der Nature. niet mederge- zet, of hy nam de wonderen der God- delyke Wysheid. aanftonds: zoo wel waar , als de wonderen der Almagt: hy befpeurde eene gelyktydige famenftem- inge: der dingen en eeneopvolginge van. gébeurtenisfen in de; Natuurlyke Hiftorie, die haren genoegzamen grond An het voorledene-had ; enteffens:ook de gronden en oorzaken vanshet anr B e

14 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

de behelsde. Van ftonden aan redenka- velde hy over de fchakel der gebeurlyk- heden en wierd bedagt op het beramen der Goddelyke Werktuigkunde, In de- ze zag hy de heerlykheid van Aller- hoogftens onbegrypelyke en onnavolg- bare Wysheid gloeyen en gloren fchie- ten ; gelyk de en reeds voor hem gedaan hadden. Immers het ver- {tand van den volmaakten mensch kon de tweede Oorzaken niet voorbygaan en eenen Schepper aanbidden, die- reeds rustte, fchoon zyn werk nog gebrekkig gebleven was, en welken hy zou heb- ben kunnen te gemoete voeren, * geen ALPHONSUS, Koning van Castiliën eens, in eene drift van eigenwysheid ge- zegd word te hebben uitgerafeld , tegen de orders en wetten der Nature, van welke hy nog te weinige kennisfe had : dat ‚als het aan hem geftaan had, hy het Geheelal in eene juister order zou ge-

fchapen hebben.

In de kindsheid- befpeurt men reeds eene aangeborene drift: en geneigtheid;, om Gevolgen te trekken uit de Ver- fchynzelen en tot het onderzoek naar derzelver Oorzaken opte klimmen. Ne df

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. 15

Naarbootzinge , zoo gemeen aan kuikens, welpen en kinders, werkt altoos uit een vooruitzigt op de nuttigheid en aanges naamheid, welke er uit het naarvolgen der Ouderlyke daden te verwagten zyn. Deze drift van Naarvolginge is „zoo ’t my toefchynt, eigentlyk de zoogenaamde Inflin& in de Redenlooze Dieren, wat ook REIMARUS en anderen van derzel- ver Konstdriften mogen opgeven. Want waarom zou men toch in het Vee iets willen vastftellen, dat niet eenig- zints, in zeker derde, met den aard des Menfchelyken Geflagts overeen- komt? Is er geen omloop van bloed en andere levenszappen in alles-wat men tot de Dierelyke Waereld brengen kan? Inde ‘kinderen der menfchen nemen fchranderheid ‘en oordeel toe, naar ma- tesdat zy langduriger en“ uitgebreider ondervindinge krygen; en zy leeren al- lengskens uit de waar- en’ proefnemin- gen, welke zy maken en van” bejaarden dagelyks zien maken, op te klimmer tot „algemeene waarheden, welke zy daarna in voorraad-hebben; om uit de: zelve: ylings, by voorkomende’ gelegen:

dover derzelver hoedanigheden er gewrogten, oordeel -te. kunnen dies Lr) e

16 Js VAN-IPEREN ANTWOORD OP/DE _

De dieren zelve hebben hunne bepaalde werktuigen van de Natuur ontfangen, de Byen- by voorbeeld, „de: Wespen, de Bevers en foortgelyke fchepzels, over welker kunstgewrogten wy ons met regt verwonderen, en deze werktuigen-ge- bruiken zy met vermaak, op die wyze, gelyk zy die anderen van hunne foort hebben zien gebruiken, »: ran dor »„Sommigen -worden-door „honger «en dorst „dat is door trek naar-het:eigen- aardig voedzel , dat zy noodig hebben, gelyk de jonge Eenden, die van eene hoenderhenne zyn uitgebroed, gedre- ven naat eenelement, daar de voedfter- moeder eene’ vreeze en innige afkeer voor heeft, „Maar die Znftind zelve, gelyk alle zoodanige aangeborene driftens'zyn Algemeene Befluiten;. wier waarheid ver- volgens door. de Ondervindinge beves- tigd word. Men ziet hier uit (en dit is werkelyk eene Gevolgtrekkinge)--dat de Natuur, zelve. veeltyds de Waarne- mingen en-Proefondervindingenzvoór uit loopt Apen en-Papegayen; die de menfchen „naarbootzen ‚-fchynen-dit-te doen, uit-aanmerkinge van het vermaak en van.de voordeelen; welke zy-zig daar. uit beloven; gelykerwys-Honden, Haar:

en,

VRAGE VOOR °T JAAR MDÈCLXxm, 7

den, Beeren , door geftrengheid, eenige

oetfen en kunstjes geleerd worden, wel- ke zy ook in het werk ftellen ter voor- kominge van fchade en fmerte, By ge- volg blyft het zelf inderdaad onder de beesten niet by enkelvoudige waar- en proefnemingen berusten : neen! zy gaan verder: zy trekken er gevolgen uit: zy maken algemeene zetregelen ter bevor deringe van hun eigen genoegen, of tot afwendinge van ongemak en fchade. Men vind hier een verbazend voorbeeld van in de Paarden en Muilezels van

Quito in Zuid-Amerika, volgens de

egte verhalen van ULLOA. De eerst- genoemde zyn, op eene verwonderens- waerdige manier, afgerigt op de jagt der wilde geiten langs fteiltens en klippen; en de laatstgenoemde op het afglyden van bykans loodlynige gebergtens in diepe dalen langs enge en kronkelige pa- den: en wel op eene wyze, dat beraad- flaginge en beleid, by gevolgtrekkinge nopens het toekomende, zig, in derzel- ver handelingen, ten klaarften openba-

Ba ne Al

@) vrroa Hiftorifche Befchiryvinge. 1. Deel bl. 200.

18 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

Alle de Verfchynzelen, welke zig aan onze aandagt voordoen , kunnen ge- voegelyk als zoo vele Proefondervindin- gen en Waarnemingen worden aange- zien, voor zoo verre wy die befchou- wen en befpiegelen, en voor zoo verre die Befpiegelinge ons ftoffe verfchaft en handleidinge, om over derzelver aard en byzonderheden te vonnisfen, Ik voe- le eene Aardbevinge, ik hoore haar ge- druis, en ik zieer de nare gevolgen van. Wat gebeurt er? Myne ziele ontroert, myn harte popelt—- Ik vreeze, en ik verwondere my al bevende. De vree- ze doet my uitzien naar waarfchynelyke middelen van beveiliginge: zy dryft my ten huize uit. Ik onderftelde, om dat het anderen meer gebeurd is, dat my het dak, de gebindten, de- zolderingen boven hoofd zouden kunnen inftorten, Naawelyks ben ik een weinig tot be- daardheid gekomen, of de Verwonde- ringe doet my vragen, wat is de Aard- bevinge? waar uit ontftaat zy? Myn verftand zoekt fluks de oorzaken in de afgronden, In de onderaardfche afgron- den moeten er mynen zyn aangeftoken geweest, niet ongelyk aan de mynen voor eene vestinge : en dus moet er vuur zyn

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL Tj

Zyn ,omvaan te fteken „en Lust, om ont: barftingen te verwekken door hare veer: kragt: zoo-word het raadzel doof myn ‘oordeel opgeloscht. Geen fterveling is er, of hy zou op dat pas moeten (lapen; droomen of myméren, op wiens’ verz ftand de verbaästheid-en verwonderinge- foortgelyken ‘invloed, hoewel min’ of meer duidelyk, niet hebben zal, Ieder maakt zulke befluiten «en trekt zulke ge» volgens Dus is het de. Nature zelf,/zoo’ Zy niet verhinderd word haren eigen ge- woonen' tred te houden die ons nood zaakt omuit der Waar- en Proefnemins gen gewolgen:te-trekken ter uitvorfchin= ge van, de oorzaken der. Verfchynzelen.

Maar weet men wel (want dat is aans „merkeriswaerdig !) wat-doorgaansch'sde voornäamfte reden is, waäfom niéncna- Jatig word’ in ‘het oordeelkundig-üitvor- fchen der Natautlyke Oorzaken? Zy moet gezogt worden by: het uitdooven van de kragt der Verwonderinge wel= ke; naar dert aard van’ het menfchelyk gemoed gerekend, waarlyk, zoo niet de eenige, ten: minften” de” voorhaamifte fpringveer is wan het wysgeerigonder- zoek, De verwonderinge over een“ Ver-

Iv B 7 —___fchyn-

20 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

fchynzel verflaawt; zoo -dra--men. dat Verfchynzel-alte-dikwyls,en. fComwylen dagelyks waarbeemte-‘Men--ward er aan gewoon „en de-aandagttrekt;er Zig, van af pom -zig-naar. iets vreemds-en onge= meens, te: wenden.» Wanneer „meneenis ge Proefnemingen al: te dikwyls ziet! her= halen:s: raken-zy inovetagtingei; De In- beeldingskragt-etv het Geheugen kunnen dieherhalingen-vry-korter enmet smin- der-qmflags doen wanneer-het haar ger lust. Een Chinees zou beter waarnémer zynin Europa dan in het Oostelyk ges deelte van Afien»cen wij Europearien; zien meer , enmet meer nadruk jan Ame rika,sdan in Onze:vaderlandfche gewes- ten, Zy, die omftreeks den Vefuvius wonen, flaan. minder agt; op-Zyn: vuur- braken, dan vreemdelingen-;;die naar Napels reizen , en ; daar zyndej-de-ver-

bazende- uitwerpzels, van „het onder=

aardsch vuur en ’fernuis der Italiaan fche,afgronden,gaan bekyken, In alles kan. overdaad - bedreven. worden, , Én zou dat dan noitin het waarnemen det Verfchynzelen,- inhet vermenigvuldie gender Proefondervindingen, kunnen plaats, hebben? „Het bygebragte zal ge: noegzaam zyns-om: te-toonen; dat het

ld is 5 ver-

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL or

verzuimen der gevolgtrekkingen , aan een bedorven hersfengeftel zou kunnen geweten worden; als de Verwonderinge, die de baarmoeder van alle kundigheden is, door al te veel omflags van Waar- nemingen en Proefondervindingen, bui- ten noodzake en zonder vrugt op een geftapeld, uitgebluscht en gedempt word,

Een waar Philofooph verwondert zig over alles! Sedert dat hy een kloek- moedig opzet nam, om de Natuur al- omme, ja tot in hare binnekameren en geheimfte fchuilhoeken te befpieden, is er geen fchepzel onder de Zonne meer, dat hy zyner aändagt, zyner opmerk- zaamheid onwaerdig fchat. Maar geen hem inzonderheid verbystert en, als °t ware, in zyne onderzoekingen ftremt en overbluft, is de ontelbare menigte der voorwerpen: hy weet niet, waar hy zig eerst en best op bepalen zal Even- wel het eerfte , dat hy meent te moeten doen, om die verwarringe te ontwor- ftelen, is daar in gelegen, dat hy de Wezens en Verfchynzelen onder: foor- ten fchikt, en zig dan de gelykflagtige eenigzints op dezelfde wyze vertegen- woordigt, Deze is de natuurlyke en Er B 3 ons

22 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

ongewrongene neiginge- zyner fchran- derheid, zonder welke zyn Oordeel nog vuur nog leven hebben kan. Foei! zou een welmeenend Natuuronderzoeker dat edel vermogen , tgeen hem tot de alge- meene kundigheden alleen kan opleiden, en zoo zetregels uitvinden , welke het oordeel onmogelyk derven kan, verlco- chenenen, wegfmyten? en al het nuttige en vermakelyke zyner Natuurkennisfe, welke de Schranderheid, dat is het eier genaartig vermogen om gelykvormighe- den te ontdekken , alleen kan opleveren, met de voeten treden en verfchoppen? Zulk een Gevolgtrekken. tot de Gelyk- vormigheid kan niemand aan eene zyde zetten, of hy moet de Natuur van zyn eigen hert verzaken, en zyne ziele in een wezen veranderen , dat van de voornaam: {te eigenfchappen van eenen vernuftigen geest ontbloot is, Sv

De Gelykvormigheden , welke de

Schranderheid uitvond, waren de Ana- logien, uit welke de Rangfchikkingen Van: LINNZUS,;:REAUMUR, KLEIN en andere vermaarde Schryvers der Na: tuurlyke Hiftorie geboren zyn. Dus Xwammen derhalven, door het befchour

VRAGE VOOR °’T JAAR MDCCLXXI, 23

wen van ettelyke wezens, die onder eene foort behooren, door het bekyken van menige Verfchynzels, die, in een zeker derde, overeenftemmen, tot een. algemeen befluit, nopens de eigenfchap- pen, hoedanigheden, uitwerkingen van vele dingen: fchoon men egtèr de ove- rige Wezens en Verfchynzels, tot die foorten behoorende, onmogelyk alle en ieder afzonderlyk, waarnemen kan. In- dien dat vereischt wierd, dat men alle voorwerpen van eene-foort in oogen- {chouw moest nemen , om een voorzig- tig Natuuronderzoeker te worden, zoo zou men of moeten wanhopen van ooit de Natuur behoorlyk te kunnen door- fnuffelen, of ergens zoeken te markt te gaan, daar men ten minften een zweem. fel van alomtegenwoordigheid en alwe- tenheid opkogt. Zaler dan immermeer een Wysgeer onder de menfchen op- ftaan; hy zal voorwaar ! uit de hem be- kende Waarnemingen en Proefonder- vindingen Gevolgen moeten trekken: hy zal de Waarnemingen, op de Mane _gedaan moeten afzonderen van die, wel- ke men op Jupiter en zyne Trawanten doet : hy zal de Proefnemingen der Eletriciteit onder hare byzondere foort B 4 mMoe-

24 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

moeten laten, en met die van de Water: weegkunde niet verwarren : hy zal uit de blykbare Gelykvormigheden der ge- lykfoortige proeven, van de Lugtpompe by voorbeeld, voor zoo verre hem die bekend zyn, befluiten moeten tot het beramen van de veerkragt en andere al- gemeene eigenfchappen der Lugt; ja hy zal die befluiten naderhand moeten ge- bruiken, ter verklaringe van allerhande Lugtverfchynzelen, die hem by vervolg van tyd zullen voorkomen.

Edog laten wy edelmoediglyk han- delen en erkennen, dater in het vormen van Znalogien en overeenkomften meer- malen eene voorbarigheid heerscht, die befchaamd maakt, Maar heeft dan die fchaamte hare nuttigheid niet? Men zegt: een Vledermuis, hoewel zy geene pluimen heeft, en een Struisvogel, of- fchoon hy niet vliegt, behooren beide onder de Vogelen, om dat zy beide vlerken hebben: indien het hebben van vlerken eenen Vogel maakt; dat on- waaragtig is, Dit redeneren zou eenen boer niet misftaan , die nooit van vliegen- de Visfchen gehoord had, en om geene torren en vliegen dagt: maar een _Na-

ie tuur-

VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 25

tuurkenner zou er niet mede voor den dag komen durven. Ondertusfchen zou mogelyk de Heer DE BUFFON wel willen {taande houden, dat zulke eene beraminge zoo wel geoorloofd is als die, door welke men de Vledermuis met den Mensch, den Aap en het Spookdier by elkanderen voegt; om dat zy vier fny- tanden , boven in den mond, hebben, En zoo dra men befpeurt, hoe willekeurig dusdanige eene beraminge en verdeelin- ge zy, merkt men ook wel haast, dat men uit eene fchynbare foortgelykheid. geene vaste gevolgen trekken mag, Even dus krygt men, uitde vergelykinge der voorwerpen en Verfchynzelen zelve, ge- legenheid en aanmoediginge om allengs- kens naauwkeuriger in het waarnemen te worden: en ’geen men by voorraad tot gemak van zyn geheugen deed , word nimmer in gevolg getrokken , tot het op- maken eener wysgeerige beoordeelinge.,

De Wetenfchappen nemen hand over hand in keurigheid en- uitgebreidheid toe: en hoe meer goede Waarnemingen en Proeven men maakt, hoe gemakke- lyker het Gemeenebest der Geleerden in zyne loffelyke ondernemingen flagen

Bj zal,

26 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

zal, Want wat is er nog eene magtig lange weg af te leggen, eer de Kennisfe der Nature, zoo veel als die van de Aardbewoners kan beoefend worden, tot hare hoogstmogelyke volmaaktheid zal geftegen zyn! De meeste Waarne- mingen der Natuurlyke Historie zyn nog te algemeen, om er ftaat op te kun- nen maken. REAUMUR en de GEER bragten de Ontledinge der Infeten tot eenen vry hoogen trap van volmaakt- heid, LYONNET haddit bemerkt, hy zag de mogelykheid eener verdere vol- makinge, hy bepaalde zig op eene by- zondere foort: hy hoopte op de verbe- teringe van dat gedeelte der Wysbe- geerte: hy ondernam, bevlytigde zig en flaagde, TREMBLEY ontdekte eene zonderlinge eigenfchap in de Polypen, om aan ftukken gefneden, even zoo ve- le Polypen, als er ftukken zyn, voort te brengen. SPALLANZANI maakte daar uit op en giste en deed ettelyke proeven, De Slakken gaven hem eeni- ge voldoeninge, Maar waarom, zeide hy by zig zelven, zou iets diergelyks ook niet by eenige viervoetige dieren kunnen plaats hebben? Hy nam proe- ven met den Salamander , fibedr hen Lex aert

VRAGE VOOR °TJAAR MDCCLXXIL, 27

ftaert en pooten af, ja zelf eindelyk de kakebeenen , en ziet, evengelyke deelen, in alle deelen volmaakt overeenftem- mende met de afgefnedene, kwamen er te voorfchyn, De Nature, die zoo vele wonderen in de Geneeskunde, vooral inwendig, verrigt, genas den Salaman- der van de verminkinge.

Misfchien zal SPALLANZANI uit de bekende fabel der Aloudheid gevol- gen getrokken, en, met behulp van die redenkavelinge , eenige voorkeuze aan den Salamander gegeven hebben, In- dien TREMBLEY en SPALLANZANI de Waarnemingen en Proeven der vroege- re Natuurkenners niet gebruikt hadden, als geloofwaardige Berigten van de waar- heid dier byzonderheden, zouden zy wel zoo gereedelyk en onvermoeid. hun- ne verdere Waarnemingen en Proeven dienaangaande hebben doorgezet? Ja blykt dan uit deze voorbeelden niet ten vollen, dat een regtgeaard Philofooph uit de, reeds door andere of-door hem zelven gemaakte en herhaalde, Proef- en Waarnemingen , ja zelf uit fommige on- geloovelyke verhalen van PLIN1US en andere oude Schryvers, gevolgen dee

} ken

28 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

ken mag, ten minften ter aanlegginge en beftieringe van verdere Waar- en Proefnemingen, welke hy in perfoon, of zyne leerlingen en kunstgenooten, by vervolg van tyd, ondernemen en voltoijen zullen ?

GALILEUS in Italiën hoorende, dat men in Holland, een Verrekyker aan Prins MAURITZ vertoond had en aan- geboden, en dat er die Vorst en zyne hofhoudinge de vergelegene voorwerpen nader mede by het gezigt zag komen, duidelyker en grooter worden, begon aanftonds op het uitvinden van eenen Kyker te denken, die duizendmalen vergrooten zou; en in der waarheid hy vervaardigde hem, keek er door naar den Starrenhemel, en ontdekte onver- wagte niewigheden, vooral by de Pla- neten, welke Venetien en Italiën niet al- leen, maar geheel Europa in verwonde- ringe bragten. Maar zoo de Holland. fche uitvindinge den beroemden GALr- LEUS niet was bekend geworden, en hy er niet met opzet op ingedagt, ener gevolgen uit getrokken had: wat zou de Starrekundige Waereld, ten dien opzig-

te,

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 29

te, misfchien nog lange in de duister nisfe hebben blyven zitten ? Waarlyk indien men de Proefonder- vindelyke Natuurkunde en hare Hiftorie gelieft te doorloopen, zal men dit on- gemeen bewaarheid vinden, dat de eer- fte aanleg der Proefnemingen altoos zeer gebrekkig was, en genoegzaam nergens anders toe diende, dan om fchrandere vernuften aanleidinge te geven tot het verbeteren der Werktuigen, tot het wa- gen van ‚nieuwe en allengskens naauw- keuriger Proeven , tot het nader beoor- deelen der Verfchynzelen en tot het ra= den en gisfen naar derzelver Natuurlyke Oorzäken., Wy zullen er eenige ftaalt- jes van bybrengen.> De burgemeester-v AN GUERICKE, had,op den ryksdag teRegensburg, met’ zyne Lugtpomp eerst de Veerkragt der ugt aangetoond ‚-en den Keizer, zoo wel alsde Keurvorften, in verwonderin- e opgetogen. Evenwel de-Uitzetbaar- eid. en Samenkrimpinge van dit onzigt- baar Element, werd alleen by Gevolg. trekkinge, toen reeds, uit die Proefnemin= gen. opgemaakt, BROYLE en naderhand SENGWERD kregen er aan-en hand: leidinge. door ,-om de gebreken. van ij GUE-

30 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

GUERICKE’s Lustpomp te verbete ren, en de zeldzame veranderingen der Zwaarte in het Ydel te vermerigvuldi- gen, en teffens nader aan te-wyzen; hoe de Lugt alle lichamen als doordringt en bezielt, Zy trokken derhalven-ge- volgen uit. hunne’ kunstgrepen; en zy maakten „Algemeene ‘Regelen en-Wet- ten, waar naar men. beflooc-en wilde , dat de Lugt hare werkzaamheden zou blyven verrigten, > 151dadaer …_ Het Driekantig Kryftal vanden Rid- der NEWTON, dat „en de fchiinge

eener Ligtítrale in alle de Regenboogs-

koleuren , en den onveranderlyken voort- gang dier afgefcheidene;koleuren leven-

ig vertoont en betoogt, gaf van zelf aanftonds de’ maniere aan de hand, op welke men de Regenbogen en hare Ver- fchynzels verklaren moet, Trouwens, waar toe zouden tog alle de menigvul- dige Proefnemingen vandien aard ge- diend hebben, indien. zy daar niet toe waren ingerigt. geweest om de Schoon- heden der Natuur , welke voornament- lyk inde fchakeeringe-der verfchillende foorten van doorfchietende , gebrokene en wedergekaatfte Zonneftralen beftaan, eenigzints wertuigelyk, volgens de Proe-

AU ven

VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL. 31

ven vanhet Prisma, de Camera Obfcura, de Schaduwen en Gezigtpunten, te doen begrypen?

Voormaals weigerden fommige Na- tuuronderzoekers volftrektelyk, dat er eene fynere Vloeiftoffe dan de Lugt, in onzen Dampkring aanwezig zou zyn: zy hielden een waar Ydel ftaande, en uit die ligtvaerdige Vooronderftellinge, trokken zy gevolgen, welke zy niet noo- dig hadden. Maar nu, federt hun de Kletriciteit de oogen geopend heeft, vinden zy wel degelyk eene zoodanige. fynere ftoffe, welke de uitgepompte klok vervult, en inde Lugtledige ruimte ver- _bazende Verfchynzels voortbrengt, Zoo- danige Proefnemingen leeren ons dan, ten minften , dat de Natuur onuitputte- lyk is, dat er nog oneindig fynere Ele- menten en Vloeiftoffen in kunnen voor- komen, dan die, welke men nog heden kent, of immermeer wegens de zwak heid van het gezigt zal kunnen ontdek- ken. De Vooronderftellinge.-van ‘het vlugge Zenuwvogt, dat men Levens- geesten noemt, krygt door die Gevolg- trekkinge eenen hoogeren. trap van waarfchynelykheid : terwyl-alle de Stel: zels, welke men, tot hier toe; ter opjord

chin-

32 j. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

fchinge van het gewigtig raadzel der Voortteelinge, heeft uitgedagt, veel van hare waarde verliezen ; om dat zy niet in agt nemen de onmogelykheid, om, door eene grove Inbeeldingskragt misleid, vonnis te vellen over de eigenfchappen van het Zaad, dat, tot byna in het on- eindig fyne toe, een werktuigelyk be- ftaan bezitten moet,

Men behoeft flegts den voortgang der Kunften en Wetenfchappen , in de voor: ledene en tegenwoordige eewe, naar te gaan, om van de nuttigheid. der Gevolg. trekkingen uit de Proeven en Ontdek- kingen, die reeds gedaan waren , over- tuigd te worden, HELMONT, BACO; PARACELSUS en sYLVIUS, hebben immers de Proefnemingen der Chymie of Scheikunde ongemeen uitgebreid „en, offchoon zy, zoo wel als hunne leerlin- gen, doorgaansch wat al te voorbarig in tGevolgtrekken waren, moet en mag men egter- geenzints ontveinzen , -dat Zy, ja de Alchymisten of. Goudzoekers zelve, verbazende Verfchynzels hebben waargenomen en bekend gemaakt wel- ke ons nu menige verborgentheden der Nature leeren kennen , en ook eenigzints

i op

VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXi. 33

op derzelver eigenfchappen;, gewrog: ten en oorzaken doen denken; daar wy misfchien anders geene gelegendheid toe zouden gehad hebben. > |

Onder de Geneesheeren is deze waará heid bekend , en openbaart zig nog da gelyks: gelyk uit het werk van den Heer SANDIFORT, dat in elks handen is; blyken kan. Wy zullen, alleen met een woord, van vroegere ontdekkingen fpres ken. HARVEY, PECQUET, BARTHOS LINUS, RUYSCH, ASELLIO;, BOREL- Lus en anderen hebben, door middel der Ontleedkunde, byzonderheden inde huyshoudinge van het Dierlyk Lichaam aangetroffen , welke zy „deels by Gevolg- trekkinge uit HiPPOCRATES hadden vermoed , deels door elkanderen in naar- yver voorby te ftreven, op het voet- fpoor, dat zy gemaakt vonden, gints en herwaards omziende, onder weg, heb- ben waargenomen en opgemerkt. In diervoegen gaf het vermeerderen en her- halen der Proefnemingen telkens ftoffe tot nadere vermoedens van andere by- zonderheden, aanfporinge tot het zoe- ken van nieuwe ontdekkingen, en hand- leidinge tot het beramen van nieuwe we-

Ek C OON gen

34 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

gen en middelen, om de onpeilbare af gronden der Nature op te delven, en % geen tot nog toe onzigtbaar gebleven was, ware ’t mogelyk, voor het oog der wyzen bloot te leggen. Op dien voet trok men doorgaansch zeer gelukkige gevolgen uit de reeds gemaakte Waar- nemingen en Proefondervindingen, ter uitvorfchinge van de toen nog onbeken- de oorzaken der Verfchynzelen , in de Befpiegelende Geneeskunde, in welker be- vorderinge het Menfchelyk Geflagt een zeer groot belang moet ftellen, |

Wat de Befpiegelende Natuurkunde; of, gelyk ik die liever noeme, de Na- tuurkundige Wysgeerte (daar het, by het oplosfchen der Voorgeftelde Vrage, meest op aankoomt) in het byzonder aanbetreft; deze heeft, by de Gevolg- trekkinge, ongemeen veel velds gewon- nen en groote fchatten aangewoekerd, - SGRAVEZANDE, DESAGULIERS , MUS- SCHENBROEK, LEIBNITZ, MAUPER- TUIS, de EULERS, vader en zoon, en menige andere Wiskunftenaars ; hoe zeer zy zig ook tegen het voorbarig en onvoorzigtig Gevolgtrekken der Inbeel- dingskragt verzet hebben en aangekant;

Nas

VRAGE VOOR °TJAAR MDCCLXXIL. 35

namen egter de Waarnemingen en Proef. ondervindingen, die zy gemaakt von- den, voor Grondbeginzelen aan, waar op zy hunne Geomertrifche en Algebrai- Jche Berekeningen bepaalden: om zoo, gemakshalven, de Natuuronderzoekers gevolgen te leeren trekken , ter vast{tel- linge van Algemeene Wetten en Rege- len, welke men de Nature zelve zag in agt nemen. Alle de deelen der zoogenaam- de (Mathefis Mixta) Gemengde Wis: kunde kunnen daar voorbeelden over vloedig van aan de hand doen ; en inzon- derheid de (Mechanica) Werktuigkunde: die ook wederom, op hare beurt, onge- meene voordeelen aan de Natuuronder- zoekers belooft; voor zoo verre zy al: toos het gebrekkige hunner befpiegelin- gen en overdenkingen met nedrigheid erkennen en belyden ; immers zoo lange zy nog de Werktuigelyke Oorzaken der Verfchynzelen, mitsgaders de magt en vorm harer Werktuigelyke Gewrog- ten niet eenigzints opfpeuren; of ten minften met eenige zekerheid bemerken, dat zy, in het uitvinden derzelve; al lengskens nader en nader komen.

Wel is waar , (wy ontveinzen dit niet) | C 2 DES:

36 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

DESCARTES €En MALLEBRANCHE Zyn te verre gegaan: zy hebben roekelooze Vooronderftellingen gefmeed , DESCAR- TES “inzonderheid, welke, ter ophelde- ringe der ware Natuurkunde, daarom niets dogten , om dat even die Vooron- derftellingen onverftaanbaar bleven, en meer voor verzonnene en verfierde Ver- {chynzelen, dan voor Verklaringen van aanwezige en waargenomene Verfchyn- zelen te houden waren. Niettemin had- den ook deze Vooronderftellingen hare

nuttigheid ; en die nuttigheid behouden _

zy nog, voor zoo verre zy in de Na- tuurlyke Hiftorie van het Menfchelyk Verftand eene plaats bekleeden moeten, en ook voor zoo verre zy ons doen zien, hoe de Redeneerkunde ligtelyk mis kan vallen, in het beoordeelen der vermoedelyke Oorzaken van de Natuur- kundige Gebeurtenisfen : vooral indien zy zig te veel toegeeft aan het woest en wild beramen der denkbeelden, welke eene fchrandere Inbeeldingskragt zig voorftelt, als konden dezelve volftrekken tot het verklaren van fommige voorval- len der Natuurgefchiedenisfe. Ondertus- fchen word het Vernuft en de Schran- derheid, door zulke voorbarige Voor:

on

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 37

onderftellingen uitgeput, het Oordeel word er door gekrenkt, en de Natuur- onderzoeker is nu op zyne hoede, om zig ;op die wyze, ten koste der waarheid, niet langer te laten misleiden Met fchade en fchande leert men voorzigtig worden.

De Baron van LEIBNITZ, BERNOU- ILLI, WOLF en menige andere voorna- me Wysgeeren, die uit de fchole van den vermaarden worLrF zyn voortgeko- men, hebben de Redeneer- en Wiskun- de beiden te baat genomen, om uit de Waarnemingen en Proefondervindingen, niet flegts onmiddelyke, maar ook ver- der afgeleide Gevolgen te trekken, \Die wyze van doen zou mogelyk, gelyk in % eerst (want alles heeft zyne mode) by vervolg van tyd zyn doorgedrongen en in {tand gebleven, was men niet in zy- nen yver wat te driftig voortgevaren , om van alles (Sy/logismen) Sluitredenen toe te ftellen ; en had zulks maar geene ver- traginge veroorzaakt, in het deorzetten der Proeven en Waarnemingen. Daar- enboven was er iet ftroefs en langdradigs in die manier van onderwyzen., Men zogt dit wel wat te verhelpen, door er eenen bevalligen bie aan te geven, en

de

38 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

de Bovennatuurkunde, in hare aange- naamheid en bevalligheid, met de ver- fierfelen der Dichtkunst en Welfpre- kenheid opgefchikt, ten tooneele te voe- ren ; gelyk nog onlangs de Heer pe MERIAN, te Berlyn, gedaan heeft: en het ontbrak ook niet aan bekwame man- nen, die ontegenzeggelyk betoogden, dat die zelfde Bovennatuurkunde, zoo als die van de Logifche Anduttie gebaard is en opgekweekt, en dat wel, by Alge- meene Gevolgtrekkinge, voornamentlyk uit de Befchouwinge der Nature ont- leend, ook, op hare beurt, Waarheden en Stokregelen aan de hand geeft, wel- ke men in een geregeld onderzoek der Nature, zekerheids- en _gemakshalven teffens, onmogelyk misfchen kan, Ja maar! eenige landaarden waren toen „200 *fchynt, nog niet wel vatbaar en ryp voor die verhevene en afgetrokkene Be- {piegelingen, of, gelyk de doorlugtige WOLF die noemde,voor dieRedenkundige Bedenkingen. Er moest eerst een BONNET opftaan, die der Leibnitiaanfche W ys- geerte een nieuw leven, eenen bevalligen zwier en eene verrukkelyke agtbaarheid byzette. Alles heeft zynen beftemden tyd, En nu zal mogelyk de abd aat-

VRAGE VOOR °T JAAR MDOCLXXIL, 30

Maatfchappy der Wetenfchappen eeni- ge kans zien, om de ware en gezuiverde Redeneerkunde, die anders zoo deerlyk verwaarloosd word, ja dikwerf befpot en uitgejouwd, voor het bestgeflepen Vergrootglas, voor de keurigfte Lugt- pomp en de volmaaktfte Zledrifche Ma- chine, niet langer te laten onderdoen, maar dezelve in hare oude eere en voor- regten te herftellen, ‘Ten minften, die bekorelyke Schoone, welke ons wyzer maakt dan het gedierte des velds, zal niet langer, door het beftel van zooge- naamde Philofophen, in een ferrail bly-

‚ven opgefloten ; nu er de eerfte vernuf-

ten dezer verligte Eeuwe ftoutmoedig voor uit durven komen, en beweeren, dat zy hetis, en zy alleen, die, fin haar kabinet, de voornaamfte ontwerpen heeft helpen fmeeden , om de kunst van Waarnemen en Natuurkundige Proeven te doen tot die volmaaktheid brengen, welke zy thans bereikt: ja! dat zy die zelve uit haren fchoot heeft voortge- bragt, en, gedurende derzelver jongfte teederheid , met hare borften gezoogd heeft, |

Ik weet zeer wel, dat de Zintuigen C 4 de-

40 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

dezen voorrang aan de Redeneer- en Bovennatuurkunde betwisten. Zy zelve matigen zig dien voorrang aan, en zy zouden zig gaarne alleen het regt voor- behouden, om het fchouwtooneel der Nature te befpiegelen, Zy fchynen te vreezen, dat haar de veel edeler Ziels- vermogens in de eere aantasten, en-den Íchepter, als ware, van het Koning- ryk der Nature, willen ontwringen. Dwaze vermetelheid! Begrypen zy dan niet, dat zy zelve. geene Zintuigen waren, zoo zig het Verftand en Oordeel niet verwaerdigden, om hen als werk- tuigen, alseene handfpeek , weegfchaal, hairbuisjes en diergelyken, in het Waar- nemen en doen van Proeven, te gebruis ken? Blyft dan het oog nog oog, het oor nog oor, en zoo voorts, na dat de betrekkelyke vermogens der ziele op die werktuigen zyn uitgedoofd? % Is immers de Ziele, die kykt, opmerkt, waar- neemt: zy is het, die alleen luistert, kykt, ruikt, tast en maakt. Het oog; by voorbeeld, is zonder de willekeurige opmerkzaamheid des gemoeds, hoe kun- {lig ook door den grooten Werkmeester toegefteld, met eerbied gefproken, niet ongelyk aan het voortreffelyk Micros

Jcoop

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 41

Jeoop vanden Heer DELLEBARRE, in de handen van eenen blindeman, Onze zielen daarenboven kyken of luisteren nimmermeer , zonder min of meer haar oordeel te gebruiken, zonder over den aard der Verfchynzelen, over de Oor- zaken der Zintuigelyke Aandoeningen, eenig vonnis te vellen, Wieis er onder alle de Philofophen en Godgeleerden, die my het juist oogenblik beperken zal, wanneer de eenvoudige voorftellinge en Befchouwinge overgaat tot het gevolg- trekken? % Oordeel is misfchien ruim zoo vroegtydig in de weer, als de Op- merkzaamheid. Ja! de Schranderheid zelve, die aanftonds op Analogien denkt, (en wel zoo veel te vlugger en fpoediger, als de Ervarenisfe meer Waar-en Proef- nemingen by de werk heeft) kan er on- mogelyk van tusfchen, om het Oordeel en de Redeneerkunde in haar belang te nemen ; ten einde die haar de behulpza- me hand bieden, om , met meer beleid , in het uitvinden der Analogien en Overeen- komften der Wezens, en ‚met meer ze- kerheid, in het goedkeuren en vastftellen derzelve te werk te gaan. By gevolg zetten de Proefondervindingen en Waar- nemingen, hoe fraijer en hoe vrugtbaar-

CG 5 der

42 Js VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

der die zyn, der Schranderheid een vuur en eene drift by, die noit wordt uit- gebluscht , maar door de Voorzigtigheid en Bedagtzaamheid moet beteugeld en beftuurd worden. Weg met alle die wysneuzen, welke eenen Philofooph zouden willen dwingen, om eene der beste en levendigfte kragten van zyne ziele te verminken, of te ontzenuwen !

De Heer CARRARD, wiens Verhan- deling over de Kunst van Waarnemen, onlangs den Gulden Eerenprys, te Haar- lem , heeft weggedragen , geeft hier en daar duidelyke bewyzen op, van de on: genoegzaamheid der Proef- en W aarne- mingen , ten zy er zig de Redeneerkun- de op vestige, om er Gevolgen uit te halen, ter uitvorfchinge der Oorzaken en ter aanwyzinge van Wegen, welke de wyze Natuur, of liever het Oneindig Vernuft van den Schepper inflaat, in het verwekken van vele gelykfoortige Verfchynzelen. Wy zullen er een en- kel voorbeeld hier van aanvoeren, en niet meer, om dat het Gekroond Ant- woord van den Heer CARRARD in ie- ders handen is, De Heer FERREIN) zegt hy, willende het beflaan. a

er

VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXII, 43

der Waterflagaderen, *tgeen de groote BOERHAVE gegist had, zonder bet te kun- nen bewyzen, dacht, dat , zoo zy werkelyk beftonden , by zulks gemakkelykst zou kun- nen toonen op de Uvea, die naar het zwart trekt,en by flaagde inderdaad ‚naar wensch, Dit bevestigt, zoo vaart hy voort, het geen wy reeds gezegd hebben , dat men zig wel wagten moet, van het beflaan wan ze- kere deelen of vaten , die men reden beeft om te gisfen, dat er zyn, te loochenen, zoodra men ze niet heeft kunnen ontdekken.

Vervolgens (want ik voele, dat deze Verhandelinge onder de hand te wyd- loopig zou worden) indien het altoos het voornaam doelwit van eenen W ysgeer zyn moet, zal hem die eertitel pasfen , om de aaneenfchakelinge der Oorzaken en Gewrogten uit te vinden, ter ver- heerlykinge van de W ysheid des Hemel- fchen Kunftenaars; zoo is het ook dien- zelfden- Wysgeer niet geoorloofd, by de Waar- en Proefnemingen, die reeds gemaakt zyn, te berusten : neen! hy is verpligt verder door te denken, vooral dan, wanneer er hem de W aarnemin- gen en Proefondervindingen genoegza- me gelegenheid toe verfchaffen; en hy

Us,

44 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

dus, als ware, gedrongen en gedwons gen word, om Algemeene Regelen te maken , welke hem onbegrypelyken fpoed en vaart in alle zyne Natuurkun- ige ondernemingen byzetten , hem ve- le onnoodige herhalingen van Proeven en Waarnemingen fparen, hem uit den dut en de mymeringe helpen, en eindelyk brengen tot die Regelen, welke de Na- tuur zelve voorfchryft. Uit deze ver- pligtinge ontítond , onder anderen, de bekende Regel van den Ridder NE w- TON, dat witwerkzebs van het zelfde flag tot dezelfde Oorzaken moeten gebragt worden, De Heer CARRARD noemt de- zen Regel, met regt, eenen Gewigtigen Regel, die het Verfland weel helpt, omtot Algemeener Verfchynzels op te klimmen, welke de fleutels zyn wan werfcheidene an- deren, en om de feiten, die men waar- neemt , onder zekere hoofden te brengen, Laat ik er nog bydoen, dat de Schran- derheid , die altoos .Analogien zoekt , de- zen Regel, van overlang , heeft uitgevon= den, en dat het naauwkeurig oordeel van NEWTON denzelven, door zyn gezag, onder de Natuuronderzoekers in gebruik gebragt heeft, om dat de Bevin- dinge hem deszelfs nuttigheid en nood- Za

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 45

zakelykheid had aangewezen, in het be- ramen en befchaven zyner Natuurwet« ten. De Redeneerkunde heeft hier hare taak, om het Oordeel te beteugelen, dat hetzelve niet te voorbarig befluite, ter bepalinge van de Gelykfoortigheid der Uitwerkzels: zy moet het verband der Gewrogten ‘en Oorzaken betogen: zy moet het Toevallige van het Eigen- aardige onderfcheiden : zy moet beflis- fen , of niet misfchien twee, drie, ja me- nigvuldige Oorzaken famenloopen, tot het verwekken van een Verfchynzel: eindelyk , zy moet ontwikkelen, wat deze en die Oorzaken onderfcheidentlyk toebragten tot het teelen , voldragen en baren eener Natuurgebeurtenisfe—

Waarlyk het zou er flegt met de Zintuigen uitzien, indien het Verftand dezelve niet beftuurde. Sedert dat de Heer CHESELDEN, zynen herftelden blindeman heeft hooren verzekeren , dat hem onmiddelyk, na dat hy begon te zien, de beelden der voorwerpen naby en als binnen het oog, en wel het on- derfte boven vertoonden, gelyk ook met de Camera Obftura, welke zig in ons Gezigt bevind, volkomen famen-

ftemt;

46 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

ftemt ; zoo mag men wel vry en vrank

elooven, dat indedaad, fchoon men

et juist niet opmerke , in alle de Waar- en Proefnemingen;, die men doet, iets oordeelkundigs of willekeurigs doorflaat ; iets heerscht, dat by gevolgtrekkinge zig overhaast, in het regelen en bepalen van den aard onzer ontdekkingen.

De Mensch is een Gemengd Wet zen, un Etre Mixte: (zoo noemt hem de Heer BONNET) en waarlyk, by al: le vernuftige daden van den fterveling, vind men zoo veele bewyzen van in- mengzelen der werkzaamheden van zie. le en van lichaam, dat de W ysgeer nog geboren zal moeten worden, die de juiste uiteindens , daar zig het Zutomati- Jche fcheid van het Vrywillige en Ver- nuftige, zal kunnen aantoonen; Gevol- gente trekken, zoo, van agteren , uit de Ondervindinge en gemaakte Ontdekkin- gen, als, by vooruitzigt, ter inftellinge en befturinge van verdere Waarnemingen; is eenen iegelyken aangeboren, van den lompften flaaf af, tot den befchaafften en doordringenften Wysgeer toe, Het opeenftapelen van Enthymemata heeft de boer gemeen met den edelman, de koster met den aartsbisfchop. W y zien; Wy,

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 4

wy hooren niets, of het komt ons voor; niet in het afgetrokkene, maar in zyne omftandigheden en toevalligheden , zoo voorgaande, tegenwoordige als toeko- mende, Men gist, men vermoed , men raad, men voorfpelt, eer men er zig op toelegt. Ja daar is, als ’t ware, eene onvermydelyke neiginge des gemoeds, om meer op te merken, uit het geen zig aan onze Zintuigen opdoet, dan de bloote befchouwinge fchildert in den fpiegel van ons Verítand, Zou men der- halven die aangeboreneK unstdrift, in wel- ker keurigheid en verhevenheid wy bo= ven de overige dieren uitmunten, en dien wy vry en eigenaardig altoos gebruiken, juist alleen in eenen Natuuronderzoeker moeten dempen en verftikken? en hem, in Zyne onfchuldige en Godverheerly- kende bezigheid, die vernuftige Gevolg- trekkingen benyden of misduiden, wel- ke hy, onder het Waarnemen en by het herdenken zyner gemaakte Ontdekkin- en, onmogelyk, zonder zyne menfche- yke natuur te verzaken, nalaten en ver: zuimen kan? Neen! want, in weerwil van alle eigenzinnigheid, zal hy zelf, die mogelyk het eerfte lid der Vrage gaarne ontkend en wederlegd zou zien, CVEN

48 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

even op dat zelfde oogenblik, als hy daar naar hunkert, Gevolgen trekken uit het vermoedelyk beantwoorden dier Vrage, en dus Vooronderftellingen ma- ken en Gevolgelyke Befluiten van Re- denkavelingen vormen, welke hy in an- deren niet dulden wil,

Ja maar, dit is ’* nog niet al! Een doorgeleerd en ervaren Philofooph kan de Kunstdrift van Gevolgtrekken, ter ophelderinge der Natuurwonderen veel minder verloochenen, dan iemand, die

nimmer iets met opzet waarnam, of

van eenige Proefnemingenlas, of hoorde, Trouwens hy ziet de Myten, Polypen en menige andere, voor het bloot oog onzigtbare, levendige fchepzels door zyn Vergrootglas: hy neemt de paringe waar der Znfe&en, hunne eijeren, her- fcheppinge en de zonderlinge vernieuw- de uitgroeijinge van de geknotte leden der Slakken en Salamanders: en zoo befluit hy, dat alle deze Verfchynzelen regelmatige gewrogten zyn van kunftig- gewerktuigde wezens: verder, dat er geenerley leven of geboorte uit de Ver- rottinge te wagten is, gelyk de Aloud- heid droomde: en eindelyk, dat al en

e

VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXT. 49

de Onkunde en Bygeloovigheid; in zoo= danige veelvuldige betrekkingen, had vastgefteld, als zoo vele verdigtzels en beuzelingen, tegen de veelvuldige W ys« heid van den grooten Schepper aan: druisfchen. Elke Proeve, elke Waar- neminge , zoo dikwerf zelfs, als die her= haald word , dwingt hem op nieuw, om dieper in te denken en verder voor uit te zien, De geleerde nieuwspapieren en jaarboeken der Letterkunde moedigen hem desgelyks aan, om, op het geluk- kig en roemrugtig voetfpoor van anderen, nieuwe verborgentheden te vermoeden ; en naar onbekende uitkoomften om te zien. Hy word bygevolg een Natuur- kundig Propheet, dagelyks meer en meer overtuigd van de onfeilbaarheid zyner voorfpellingen ; en de vervullinge bedriegt hem niet. Zoo word hy dan ook allengskens vrypostiger, ftouter in het beramen der Gevolgen, en hy durft zig onderwinden, om op de aaneenfcha- kelinge zyner redenkavelingen ftaat te maken ; offchoon die zig, ten laatften, in het denkbeeldige en Overnatuurkundige fchynen te verliezen,

De ontzaggelyke Verhevelingen; wel- D ke

SO JL VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

ke zig aan de Lugt vertóonen , het Noor- derligt, de Byzonnen, het kruys van Conftantyn, de zoogenaamde Vallende Sterren, de driedubbelde Regenboogs- fpiegel, welken de Heeren DON JUAN en ULLOA; by Quito, onder den Eve- naar gezien hebben, en alle foortgelyke ontoegankelyke Natuurwonderen, per- fen, noodzaken onzen Wysgeer, om zig zelven af te vragen: welke zyn toch de vermoedelyke Oorzaken dier teeke- nen en zeldfaamheden? Hy fpeurt de Bletriciteit van WINKLER en FRAN- _KLIN, de Arritabiliteit van HALLER naar, en mompelt wel haast in zyn bin- tienfte: o! hoe gelukkig zou ik my re- kenen, dat ik deze onbegrypelyke Ge- wrogten verklaren kon! wat zou my dat bevoorregten, en buiten twyffel gewig- tige nieuwigheden doen uitvinden! De Zeilfteen, de Miswyzinge der Compas- naalde, de Pasfaatwinden, de Ebbe en Vloed, de verfchillende Zwaarte en Veerkragt van de Lugt, blyven even zoo vele Waarnemingen , daar men ftaat Op maken kan, en van welke egter de Werktuigelyke Oorzaken niet ligtelyk te ontdekken zyn; fchoon zy nogtans ons genoegzaam fchynen te beduiden,

dat |

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXú, Si

dat het alleen aan ons oordeel, aan on- ze verflaauwinge in het onderzoeken en doorzoeken der Natuurgeheimen ha- pert; dat wy nog op geenen vaster voet van alle die dingen eene genoegzaam voldoende verklaringe kunnen geven, De opperfte Tuigwerkmeester, de He- melfche Wysgeer, indien men den Schepper met allen eerbied zoo noemen mag, doet oneindig vele Proefnemingen alle uren voor onze oogen, daar NOL LET, het Bataafsch Genootfchap en de geheele Philofophifche waereld, als on- bedrevene leerlingen , by te kyken ftaan, zonder iets van den aanleg dier Proef. nemingen te bezeffen. Maar, ailievef Saven DESAGULIERS , MUSSCHENBROEK en NOLLET wel oit Proetondervindelyke lesfen, als met dat gegrond vertrouwen, dat er hunne toehoorders de Natuur door zouden leeren kennen, en de ge- dane Proefnemingen, by wettige Gevolg-

trekkingen, op de uitlegginge der Ver-

fchynzelen toepasfen? En hoe zou dan de noit volprezene Uitvinder en Voort-

brenger van al het Gefchapene dulden

kunnen , dat de Mensch, dien hy op het fchouwtooneel dezes Aardkloots heeft

neergezet, zwarigheid maakte, om tot

2 den

52 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

den bepaalden invloed der Tweede Oor- zaken, by voorraad, en eindelyk, op eene voorzigtige en oordeelkundige wy- ze, tot de oneindige Wetenfchap en Almagt van den Opperkunftenaar op te

klimmen? Indedaad een Natuuronderzoeker word hier inzonderheid toe geroepen: dit is zyne post. Niets mag hy onbe- zogt laten, om de nog onbekende Oor- zaken der Verfchynzelen uit te vors- fchen: anderszints verheerlykt hy de Hemelfche W ysheid met al zyn vermo- gen niet: anderzints fchiet hy te kort in de liefde jegens den evenmensch, die immers, hoe duidelyker hy de Oorza- ken der Verfchynzelen leert begrypen, hoe beter hy in {taat geraakt, om der Opperfte W ysheid lof en eere te geven, en zig in het befpiegelen zyner zielver- rukkende wonderen te verlustigen, Een vermaak voorwaar! daar het genoegen van een koningryk onafhangelyk te be- zitten , voor ftryken moet : een vermaak, daar de grootfte Vorften van Europa, meer welbehagen en geneugte in vinden, dan in al den luister hunner heerlyk- heid! Een vermaak, daar de Engelen en Hemellingen in wegfmelten dr ust,

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. 53

lust, en dat ons eenigermate begrypen doet, wat het te zeggen zy, als onshet Euangelie belooft, dat eens het hoogfte goed, de volmaakte zaligheid daar in beftaan zal, dat men God aanfchouwen en kennen zal, gelyk hy is,

Maar mogelyk zou men zig verbeel- den, dat myne aanmerkingen en drang- bewyzen eene windrige wetenfchap kon- den leeren: dat kleine armhartige Philo- foophjes, daar door het oor volgeblazen , ligtelyk aan *tongeftuimig en wild gis- fen, ja aan ’tfmeden van allerleye yde- le Stelzels- zouden vallen; en dus een misfelyk mengelmoes van hersfenfchim- men en waarheden opdisfchen , om den weetgierigen te bedodden en de ware „Natuurkunde te bederven. …Edog, om deze zwarigheid uit den weg te ruimen, moet ik, hier ter plaatze, tot lof der : doorlugtige Vlisfingfche Societeit, aan- „merken, dat zy zelve, in hare Vrage, zorge gedragen heeft, dat er zulke losfe en woeste Gevolgen niet zullen afgeleid „worden, immers voor goede Gevolg- trekkingen der Natuurkennisfe niet zul- len aangenomen worden, of als dusda- nigen den eenvoudigen in de handen ge- 3 . ftopt,

54 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

ftopt; door eene voorzigtige bepalinge van de bronaders der Gevolgtrekkingen, welke zy in het oog had, op te geven, waarfchynelyk ten einde men zoodanige eene tegenwerpinge tegen het Vraagftuk zelve niet zou kunnen maken, Die bronaders zyn daar alleen, met uit{lui- tinge van alle de overigen, de reeds ge- maakte Waarnemingen en Proefondervin- dingen. Want zoo luid de Vrage, op dat wy dit hier, duidelykheidshalven , herhalen: Mag een Natuuronderzoeker uit de reeds gemaakte waarnemingen en proefondervindingen werdere gevolgen trekken ter uitvorfchinge van de nog on- bekende oorzaken der werfchynzelen? Het loffelyk Genootfchap derhalven laat het nog onbeflist, of de Bovennatuurkunde en het Afgetrokkene Denkbeeldige ins- gelyks zou mogen te baat genomen wor- den, ter uitvorfchinge van de nog on- bekende Oorzaken der Verfchynzelen; en misfchien ligt er in de opgenoemde ‘bepalinge van het Vraagftuk wel eene ingewikkelde verfmadinge opgefloten van alle Voorondertftellingen , die door geene Waar- en Proefnemingen behoor- Îyk bevestigd zyn, |

Althans wy behoeven ons over en

u

VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 55

{luk voor tegenwoordig niet te bekom- meren : aangezien een oppervlakkig naamwysgeer glad en gaar buiten ftaat is, en onbekwaam, om de gemaakte Waarnemingen en Proefondervindin- gen, welke hy niet kent, of naar te doen, of, by het Gevolgtrekken , te baat te ne- men, Want het Genootfchap fchynt my toe, zeer wel te begrypen, dat hy, die tot het uitvorsfchen van de nog on- bekende Oorzaken der Verfchynzelen zal overgaan, vooraf ten minften de Hi- {torie van alle de reeds gemaakte en her- haalde Waar- en Proefnemingen zig moet kunnen vertegenwoordigen: met een dubbel oogmerk; en om te zien, hoe verre men ‘tin de in de verklaringe van dit of dat Verfchynzel, voor hem, reeds gebragt had; en teffens, op dat hy zelf geene vergeeffche moeite doe, maar liever den korften en gemakkelyk- flen weg inflaa, om, uit den voorraad. van reeds gedane ontdekkingen en Ge- volgtrekkingen, uit dezelve wettig afge- leid , is het noodig en doenelyk, verde- re Gevolgen te halen, ter verbeteringe

der Natuurbefchouwinge. Een voornaam voorbeeld zal ligt over deze myne aanmerkinge kunnen ver- D fprei-

56 jJ. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

fpreiden, ’tIs den Geleerden alomme bekend, hoe de lengte van den Secon- deflinger , var. den Noordpool naar de Evennagtlyn toe, allengskens, by de verminderinge der breedte der plaatzen, op welke men denzelven waarneemt, vermindert; zal hy overal zyne enkele fchommelingen binnen eene fecunde be- palen. Ook weet een iegelyk, dat men uit de naauwkeurige Waarnemingen, daarop in de verfchillende Noorder- breedtens gemaakt, de Knolronde ge- daante des Aardbols befloten heeft, Insgelyks is het rugtbaar genoeg, hoe men zig in Frankryk op het meten van eenen Graad Breedte heeft toegelegd ‚en hoe dit vervolgens ook, betrekkelyk tot de Pool en Evennagtlyn , door de Fran- {che en Spaanfche Wiskunftenaars, en eindelyk ook door den Abt DE LA CAILLE, aan de Kaap de Goede Hoop,is gefchied, De namen van PICARD, de L’ISLE, CAS- SINI DE THURY, MAUPERTUIS, CAMUS; BOUGUER, de LA CONDAMINE, Don JAN en ULLOA, zyn door die gewigtige waarnemingen aan de onfterfelykheid toegewyd, Men kan er een beknopt be- rigt van vinden by den Heer LULOFS, in zyne Zuleidinge tot gene ad

(s3

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 57

Wiskundige Befchouwinge des Aardkloots. Wanneer men nu uit deze W aarnemin- gen Gevolgen trekt, ter bevestiginge van de vermoedelyke Knolronde Ge- daante der Aarde, en zelfs het verfchil van de Graden der Lengte, met dat uit- zigt, heeft te baat genomen, zoo fchynt het ten minften te blyken, dat men er uit zynen eigenen koker niets by ver- zonnen, maar alleenelyk uit de aller- netfte waarnemingen geredeneerd en Wiskunftige Berekeningen verordend heeft, Anderszints is het niet te den- ken, dat de Heer LuLorFs, die Waar- nemingen onwrikbare bewyzen woor de Knolronde Gedaante genoemd zou heb- ben. Evenwel indien iemand beftond, om uit de Middelpuntvliedende kragt der Grootere Cirkels, onder de Ver- zengde Lugtítreek, of uit de meerdere Aantrekkingen van Zon en Mane tus- fchen de Keerkringen, te redeneren, ter bepalinge van die zelfde Knolronde Ge- daante, niet alleen der Aarde, maar ook der andere Planeten, die om hunnen as wentelen; zoo zou men aan de gezegde voorzorge van het Zeeuwsch Genoot- fchap, om uit de Waarnemingen en Proefondervindingen alleen Gevolgen te

D5': sreká

58 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

srekken, ter uiiworfchinge van de nog on- bekende Oorzaken der Verfchynzelen,

eenzints voldoen : ten zy men teffens

et verfchil der Middelpuntvliedende Kragt en van de onderfcheidene Aan- trekkingen , door ontegenzeggelyke Waarnemingen, bevestigde; en eene grondige kennisfe had van alle de Waar- nemingen, welke daaromtrend, gelyk wy zoo even verhaalden, met ongeloof- felyke moeite en kosten , door anderen, voor ons, over dat onderwerp gedaaan zyn, en ook met alle bedenkelyke om- zigtigheid, den trap van naauwkeurig- heid, waar toe foortgelyke en vooral deze Waarnemingen en Proeven hebben kunnen gebragt worden , in overweginge nam, Want een verbazende toeftel van Geometrifche Figuren en Algebraïfche Ontcyfferingen moet, in zoodanige gee vallen, niemand verbysteren en ligtgelo- vig maken, even of alles eene Mathe- matifche Waarheid ware, dat met Ma- thematifche vertooningen, die dikwyls denkbeeldig zyn, en op Vooronderftel- lingen doelen , is opgetooid,

_ De Zledriciteit, om ook nog eenige Proefondervindingen ten tooneele te voe- hd ren,

VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 59

ren, mag men met geen wysgeerig oog ter nadere Gevolgtrekkinge befchou- wen, en er de Oorzaken “van uitvor- fchen, indien ik de wyze bepalinge van de Zeeuwfche Maatfchappy wel begre« pen hebbe, of men moet vooraf alles by de werk hebben gehaald, wat, ter ftavinge en ophelderinge van dat won- derbaar Verfchynzel, in de fcholen der Proefondervindelyke Natuurkunde,reeds vertoond en betoogd ís. GUERICKE; HAUKSBEE , MUSSCHENBROEK , CUNZUS ; DOPPELMEYER ,KRATZENSTEIN ; ZEPINUS;, WINKLER, NOLLET en verfcheidene an- deren, zoo kunstbazen en hoogleeraars!, als omzwervende kunftenaars, hebben, door geheel Europa, dan hier dan daar, elk al het een en het ander, nu en dan, bygebragt, ter uitbreidinge , verfraijinge en verbeteringe der Eleêtrifche Proefne- mingen. Men vind eene nette opgave vanaì, wat er, tot op 1746 daaromtrend was uitgevonden, in eene Verhandelin- ge van den Heer Profesfor ALLAMAND, gezonden aan den Heer FOLKES: ins- gelyks op het einde der Natuurkundige Lesfen van den Abt NorLET, onlangs in 1969 uit het Fransch vertaald, te Amftterdam uitgegeven, en Ed

CIh s

6o J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

heid, ín de laatfte uitgave der Zntroduc- _vioad Philofopbiam Naturalem, van den waereldberoemden MUSSCHENBROEK, Lugd. Bar. 1762 ; daar men ook de late- re ontdekkingen ín aantreft, welke fe- dert nog merkelyk vermeerderd en bex vestigd zyn. Waarlyk, elk nieuw Ver- fchynzel, dat zig in die Proefnemingen openbaart, word, als * ware, een nieuw middel ter uitvorfchinge van de Eigen- fchappen der Zle@rifche Stoffe: en, ’t fpreekt van zelf, hoe zekerder men ‘word van het aanwezen en den waren aard dier Eigenfchappen, hoe gewisfer men voort kan gaan in het beramen van de Natuur en Werkingen dier Stoffe; om zoo eindelyk tot de Werktuigelyke geeeorzakige dier Verfchynzelen te be- uiten,

Om kort te gaan, en een einde te ma- ken myner beantwoordinge, op het eer- fte lid der voorgeftelde Vrage, laat eene en dezelfde Proefneminge, nog zoo dik- wyls herhaald en naargebootst worden, zy zal luttel baten, ter verbeteringe der Natuurkunde; maar wanneer ver- fchillende Proefnemingen, op het zelfde onderwerp in getal toenemen, dan a

ert

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. Ór

kert de Natuuronderzoeker zoo vele be- ginzelen en zetregelen van Gevolgtrek- kinge, ter nadere ontdekkinge der we- gen, welke de oneindige W ysheid van den Schepper inflaat, om de Oorzaken en Gewrogten, op de allerkunftigfte en gevoeggelykfte wyze, ter bereikinge ha- rer aanbiddelyke oogmerken , te fchake- len. Eindelyk eene Vooronderftellinge die honderd verfchillende Verfchynze- len, op eene ongedwongene, verftaan- bare, en dus aannemelyke manier, alle te gelyk verklaart, behoeft niet langer voor eene loutere Vooronderftellinge te worden aangezien : o neen! want zy blyft geen Verzinfel, dat zy misfchien, by hare eerfte uitvindinge, was; maar word eene Meer- dan- Waarfchynelyke Stellinge, en die Stellinge klimt en ftygt in geloofwaardigheid, naar mate men zig bevlytigt, om haar met nog meer onderfcheidene Proefondervindingen en Waarnemingen te bekragtigen. Indien men dit zoo. niet begrypen wil, zie ik geene kans, om een eenig Natuurkun- dig Theorema voor den dag te brengen; en ik geloove niet, dat men de Natuur- kunde alleen zou willen aanzien, voor gene famenfchakelinge van Aroblamarg. : 9)

62 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

of Vraagftukken , die altoos onbeants woord moeten blyvens

Ziet daar myne bewyzen, voor het toeftemmend Antwoord, op de Vrage „van het Zeeuwsch Genootfchap der Wetenfchappen, en, by Gevolgtrek- kinge, deze Stellinge: JA! EEN NA- “TUURONDERZOEKER MAG UIT DE REEDS GEMAAKTE WAARNEMINGEN EN PROEF- ONDERVINDINGEN VERDERE GEVOLGEN TREKKEN, TER UITVORSCHINGE VAN DE NOCH ONBEKENDE OORZAKEN DER VER- SCHY NSELEN.

IL

Thans zal het er op aankomen, dat wy de mate voorfchryven en het perk, binnen welke de Natuurkundige Gevolg- trekkingen moeten gehouden worden: aangezien zy, zonder die voorzorge; ligtelyk zouden uitfpatten, verwarringe veroorzaken, en de Natuurkunde met een fchandelyk blanketzel van ver- digtzelen opfmukken; waar door hare eigene fchoonheid en bekorelykheid, magtig benadeeld zou worden, ‘Hoe

ver.

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 63

verre, vraagt het Zeeuwsch Genoot- fchap wyders, hoe verre mag men daar in voortgaan? dat is hoe werre mag men de Gevolgtrekkingen, uit de reeds gernaak- te Waarnemingen en Proefondervindin- gen ontleend, uitftrekken , ter uitvorfchin- ge van de nog onbekende Oorzaken der Verfchynzelen? Wanneer ik dit gedeel te der Vrage rypelyk overwege, dunkt my ‚dat men er, in eens, volledig op ant- woorden kan, door te zeggen en ftaan- de te houden, dat men die Gevolgtrek- kingen, vooreerst ten minften, niet ver« der mag doorzetten, als, voor zoo ver- re die onmiddelyk, uit de reeds gemaak- te Waar- en Proefnemingen voortvloei- jen, zonder eenigen fprong te maken, of voorbarig in het befluiten te zyn. DESCARTES liep veel te wyd vooruit, toen hy met zyne Draaikolken ten voor- fchyn kwam, en menig Wysgeer en Wiskunftenaar is bedrogen uitgevallen, met zyne Eironde Gedaante des Aard- kloots. De Heer BASTER vermoed, op het voorbeeld van den vermaarden RE- ‘AUMUR, datmen een nieuw en onbekend Zintuig in de Sprieten der Infecten zoe- ken moet, daar men er te voren het Gehoor of de Reuk aanhad ree

aar:

Ó4 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

Maar wie weet, of men ditteeniger tyd niet gansch anders bevinden zal, en of het niet eens eene uitgemaakte zaak zal worden, dat er, behalven %t Gevoel, niets van het Zintuigelyke in die Sprie- ten fchuilt, en dat zy voornamentlyk tot fieraad aan de Vlinders en andere Bloedelooze dieren, of ter beveiliginge van hunnekoppen,gefchonken zyn. Voor dezen heeft men eenpariglyk, uit het waarnemen der Glazen Byënkorf, en uit het zorgvuldig naargaan van de won- dere huishoudinge der noeste Byën, op- gemaakt, dat er onderfcheidene eiers waren, en deze zeer weinig in getal, waar uit de Koninginnen of Moederby- en voortkwamen. Maar hoe ftaat men thans niet op te zien, federt dat de Heer scCHIRAG en zyne Kunstgenooten , in de Lausnits , ontdekt hebben, dat de Eiers, waar uit anders de zoogenaam- de Werkbyén voorkomen, door de Val- fche Hommels of Mannetjes, in eene daar toe gefchikte Koninginne-celle be- floten, en met het noodig voedzel, zoo dra zy wormen worden, opgekweekt; tot Koninginnemoeders kunnen worden bevorderd! Zou men hebben kunnen denken, dat er na MARALDI, SWAM- MER-

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 65

MERDAM En REAUMUR, iemand gebo« ren zou worden, die, in de huishoudin- ge der Byen, zeldfaamheden ontdekken zou, welke zy niet gezien hadden? En evenwel heeft men, met een volkomen vertrouwen, die uitmuntende Mannen en hunne leerlingen Gevolgen zien trek- ken, welke thans overhoop geworpen worden , door de Proef- en Waarne- mingen van het Lausnitfche Gezelfchap. Men had befloten, dat de Werkbyen geene fexe hadden: eene Gevolgtrekkin« ge voorwaar! die met de Gemeene Wet- ten der Nature niet {trookte, en ook te verre voor uit liep. Insgelyks had men bevonden , naderhand, dat de Werkby- en, nu en dan, Valfche Hommels voort- bragten, maar noit haars gelyken: ten minften, men had dit by Gevolgtrek- kinge opgemaakt. ’tZal er op aanko« men, of ook die Gevolgtrekkinge niet te verre voor uit loopt; en ik ben zeer nieuwsgierig, wat er op de Vrage van het Lausnitfche Gezelfchap, den 4 April 1771 opgegeven, door de Geleerden zal worden geantwoord. Zy luid aldus: welke zyn de- Natuurkundige Oorzaken, waarom de Byen (welke men nu weet, dat van het vrouwelyk geflagt zyn) nim- AV: DEEL, E mer.

66 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP. DE

mer haarer gelyken, dat îs, Werk- of

Wfiesbyen, maar alleen Valfche Hom-

mels voortbrengen? Want ik vreeze, dat men die ingewikkelde Vooronderftellin- ge, alsof de Werkbyen, in der waar- heid, harer gelyken niet baren kunnen, eindelyk valsch bevinden zal,

Onder de Wysgeeren heerscht er meermalen eene foort van Verrukkinge, welke, of uit eene eerbiedige verwon-

deringe, ‘of uit eene overmatige blyd-

fchap. over eene nieuwe en gewigtige ontdekkinge , inde ziele geboren word; zonder dat het Verftand het merkt: en die Verrukkinge is doorgaans de baar- moeder van menige voorbarige Gevolg- trekkingen. Met welke eene Verrukkin- ge was de uitmuntende BONNET niet bezield, toen hy, meer als een hoogdra- vend Poëet, dan als een bedaard Na- tuuronderzoeker , zielen aan de Planten toekende! Zong virRGILIUS niet met meer regt van de Byen en de overige dieren, by Gevolgtrekkingen uit het be- fchouwen der Wysheid harer huishou- dinge, en der ordeninge van haar ge- meenebest :

Lis

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXxm. 69

His guidam fignis atque baec exempla fecuti Esfe apibus partem divine mentis et hauf?us LEtherios dixêre. Deum namgque ire per omnes Terrasque , traêtusque maris , coelumgue pro- fundume Hine pecudes, armenta, viros , genus omne fe- | | rarum Quemque fibi tenues naftentem arcesfere witas, Scilicet huc reddi deinde ac refobuta referri Omnias nec morti esft locum , fèd viva volare Sideris in numerum atque alto fuccedere coelo,

En welke voorzigtigheid gebruikt MA- RO niet, in het midden zyner Verruk- kinge, door die Gevolgtrekkingen aan anderen toe te fchryven , dixére , zonder die zelf te onderteekenen ! W aarlyk! zoo. lang mende Ontleedkunde der Planten niet tot eene grootere volmaakt- heid gebragt heeft, en er eene willekeu- tige werkzaamheid. (die ik in het Kruid- je roer my niet, geenzints kan vinden, zoo lang ik nog iets van de Proeven der Eleôriciteit geheuge) in aantreft, meene ik, dat het nog geene tyd is, om, tot het aanwezen: van de zielen der Planten, te mogen belluiten. Behalven dat er nog geene redenen zyn, waarom men aan 0} E 2 de

Ó8 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

de toekomende verbeteringe der Botant- Jche Anatomie zou moeten. wanhopen. Zoo verre dan mag menin het Gevolg- trekken nimmer komen , dat men de Ver- rukkinge toelaat eenen fprong te doen, en iets te befluiten , tgeen uit de Waar- mingen en Proefnemingen alleen niet kan worden afgeleid,

_ Tot die, voor eenen Natuuronder- zoeker zoo gevaarlyke Verrukkinge, mag ook, met regt, gebragt worden, het eerbiedig Vooroordeel, ’tgeen ons de begrippen der Ouden hebben ingeboe- zemd, « VALMONT DE BOMARE fchryft in zyn Woordenboek , onder den Arti kel van MIER: bet geen men van den ge- waanden voorraad gezegd heeft, welke de Mieren voor den winter vergaderen, ver- dwynt voor de latere Waarnemingen , om- trend het huishouden van deze Infetten. Dit een geval bewyst, hoe de algemeenst aangenomene zaken wan de Natuurlyke Hiflorie nog op nieuw „dienden onderzogt te worden, Dit voorbarig befluit was ontíftaan, deels, uit eene verkeerde uit- legginge van twee plaatzen uit sALO- MONs Spreukboek (Cap. Vl en XXX) deels, uit het waarnemen van de Lan

ren-

Nee

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXII. 69

brenginge der eetwaren in het Mieren- nest, zoo dra het gemaakt is, waar om- trend inderdaad die diertjes zig, op eene verbazende wyze, bevlytigen. In H0- RA TIUS is het derhalven te dulden , als hy zingt, ingevolge de voorbarige Ge- volgtrekkinge der Aloudheid:

Parvola , namgue exemplo est, magni Formica

laboris

Ore trahit, quodeumgue potest, atque addit

acer vo,

Quem fFruit , haud ignara ac non incauta futuri.

Que, fimulinverfum contriftat Aquarius qnnum, Non usquam prorepit; illis utitur ante

Quafitis fapiens

er

Maar hoe men de Heeren BOCHART en SCHULTENS vry zal pleiten, we- gens hun overnemen van dat vooroor- deel der Aloudheid, weet ik niet, daar SALOMO de eenvoudige waarheid fpreekt, zonder van eenigen wintervoorraad te reppen. De Mieren zegt hy, hebben „geenen Overften , Amptman of Heerfcher zy zyn een zwak volk, en evenwel zy be- reiden haar brood in den fomer, en zy vergaderen hare fpyze in den oogst. Wat IG E 3 wil

JO J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

wil dat nu anders beduiden , dan dat de Mieren geene gelegenheid laten voorby glippen, om hare kinderen, huisgenoo- ten en gemeenebest te verzorgen , zonder dat zy nogtans daar toe, door dwang of overheerfchinge, behoeven genoodzaakt te worden? Onze en meer andere Over- zettingen, maken gewag van Vosfen, welke Simfon gebruikt zou hebben , om de ftaande koornvelden der Philiftynen in brand te teken: maar de Heer H As- SEL QUIST ftaat nog in twyffel, of men de Chicals der Turken, dat is de Gulde- ne Wolven, daar het omtrend Gaza en in Gälilzea van krielt, niet liever voor die Vosfen te houden hebbe. Te weten, onze Overzetters waren nog zoo bedre- ven niet in de Natuurlyke Hiftorie, als wy tegenwoordig kunnen zyn. Maar blykt het dan daar niet uit, dat zelf eene gebrekkige Uitlegginge der H, Schrift, ons aanleidinge zou kunnen geven, om Gevolgtrekkingen te maken, daar een Naturalist den fpot mede zou moeten dryven; om dat zy te verre voor uit loopen, en naderhand bevonden worden tegen de Waarnemingen en Proefonder- vindingen te ftryden?

Die

VRÄGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 71

Die zelfde overhaastinge heeft. meer- malen plaats in de uitfprake, die men doet over de Ranefchikkinge en het bepalen van de foort, tot welke eenig voorwerp , of eenige ftoffe, die ons on- der den aandagt valt, behoort. Voor- maals had men de zoogenaamde Keu/- Jche Aarde, voor eene Ware en oor- fpronkelyke Mardftoffe, aangezien; en de Baron VAN HUPSCH was, ten voor- leden jare, de eerfte, die haar heeft leeren kennen, als eene Houtagtige zelf- ftandigheid, welke in de meeren, door de minerale wateren , in eene nog onbe- kende foort van Walfche Aarde verwan- deldis, De Heer PALIER maakt eene Gevolgtrekkinge uit de grootte der Beenderen, onlangs in de . Bommeler- waard gevonden, dat dezelve, zoo wel als die, welke dikwyis, in Drenthe en el- ders, zyn opgedolven , Olyfantsbeende- Ten zouden zyn; hoewel de beroemde Hoogleeraar CAMPER verklaart, dat gemelde beenderen beter, ten opzigte van het gemakkelyk afzonderen der Zipi- phyfes, waar van de blyken zig openba- ren, met de Dyenbeenderen van een Menfchengeraamte van 16 tot 18 jaren overeenkomen, Maar ik vermoede, dat : E 4 men

72 Je, VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

men , binnen korten tyd, wel vinden zal (gelykik meer dan eens , ten opzigte der Paardengeraamtens meene waargenomen te hebben) dat de Beenderen kunnen uit- groeijen , en dus, bedolven in eene foort van grond, daar toe gefchikt, eene fchynbare reuzengeftalte kunnen aanne- men : en wel zoo veel te meer, naar mate, dat zy van menfchen of dieren komen, die in de kragt van haren was- dom fneuvelden, De uitgroeijinge van het hair en de nagelen der lyken kan myner bedenkinge eenigen zwier van waarfchynelykheid byzetten , en aanlei- dinge geven tot naauwkeuriger waarne- mingen omtrend dit onderwerp. Ge- wisfelyk! alsdan behoeft men niet te vreezen, dat men te verre doordraaft ; wanneer de Gevolgtrekkingen daar toe zyn ingerigt, om den Natuuronderzoe- ker den veiligften weg aan te wyzen, langs welken hy onfeilbaar nader en na- der zal kunnen komen aan de uitvor- fchinge van de Natuurlyke Oorzaken der Verfchynzelen: en dat wel door middel van andere:Proefnemingen , wel- ke hem nog niet waren voorgekomen, en dagr anderen ‚nog zig opzettelyk niet op hadden toegelegd,

Voors

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 73

Voornamentlyk moeten wy omzigtig zyn, in het Gevolgtrekken ter uitvor- fchinge der Natuurlyke Oorzaken, of in het gelooven en aannemen van Ge- volgtrekkingen, welke andere reeds ge- maakt hebben; zoo drawy vernemen (en daar moet ten allernaauwkeurigften on- derzoek naar gedaan worden) dat er kra- keel ontftaan is, over den aard en eigen- fchappen der Verfchynzelen, welke fom- mige Waarnemers hadden opgegeven, of over de egtheid der Proefnemingen;, die ter ftavinge der Gevolgtrekkingen verhaald worden gedaan te zyn, en van andere kunstbazen, in de Proefonder- vindelyke Natuurkunde, niet kunnen nagedaan worden. ’tÍs waar, in de Scheikunde (Chymie) gebeurt dit menig- werf, door onvoorziene toevalligheden,

Maar , in de overige deelen der Proefon-

dervindingkunde, valt dit zoo veel niet voor, dat er eene ware, en niet opge- fmukte, Proefneminge niet zou kun- nen herhaald, of immers bezwaarlyk getroffen worden, Argwaanis hier dan, voor eenen Natuuronderzoeker,, zeer dienftig: als mede T'wyffelinge en On- geloof, nopens de Gevolgtrekkingen, die, indien de W aar- en Proefnemingen

RO E 5 valsch

"74 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

valsch zyn, op welke zy gebouwd wa- ren, insgelyks in eenen puinhoop moe- ten vervallen. De Heer Abt NOLLET deed , met opzet, eene reize naar Italiën, om de Proeven der Zlegriciteit van B1- ANCHI En VERATI, twee vermaarde Geneesheeren, in oogenfchouw te ne- men; en hy vervolgde dezelve tot Ve- netiën toe, om ook den Heer PrvaTrt de kranken te zien eleä@rizeren; maar het kwam hem zeer klaar voor, dat men er veel meer van had opgegeven, dan gebeurd was; en derhalven, dat men op al den ophef, wegens de wondere krag- ten der Zlegriciteit, in de Geneeskun- de, den grootften ftaat niet moest ma- ken. Soortgelyke bevindingen, hebben de zonen van Hippocrates, naderhand wat omzigtiger doen zyn, en bekrompe- ner , in hunne te verre vooruitloopende Gevolgtrekkingen , nopens de Gewrog- ten van het Eleétrisch vuur, om er ee- nige buitengewone Verfchynzelen van Genezinge uit te verklaren, De Dolle Kervel van sToRrK, zou hier ook kun- nen worden te pas gebragt. Ja waar- lyk, daar men dikmaals, by het doen der Proef- en Waarnemingen, zyne ei- gene oogen ter naauwer nood gelooven

mag

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 75

mag, om dat onze Schranderheid altoos meer wil zien dan ons Gezigt: hoe? zal men zig dan ligtgeloovig genoeg durven aanftellen, om de berigten van, fom- tyds bygeloovige, vreemdelingen, zoo maar losjes weg, voor waarheid aan te nemen ; vooral als kundige Natuuron- derzoekers niet langer ontveinzen, maar er voor uitkomen, dat zy, wel dapper- lyk, aan de egtheid en juistheid van die berigten twyffelen? Ziet hier wederom een perk, dat men aan het Gevolgtrek« ken zetten moet.

Met de uitvorfchinge der Natuurlyke Oorzaken, wanneer andere die reeds , en dat wel, op verfchillende wyze, by Natuurkundige Gevolgtrekkinge mee- nen uitgevonden te hebben, mag men ook wel omzigtig te werk gaan, dat men geene party kieze, en zig ongevoe- lig late inwikkelen, in de omhelzinge van een Stelzel, daar iemand voor is, welken wy liefde en hoogachtinge toe- “dragen: al was het ook onze Leermees- ter, van wiens nette naauwkeurigheid , en keurige voorzigtigheid wy meenen overtuigd te zyn, ’tIs den Natuurge- leerden bekend, welk gerugt niet Ei | e

76 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

de Proefnemingen van FRANKLIN, te Philadelphia in Noord-Amerika gedaan, maar ook zyne Gevolstrekkingen en befpiegelingen, over de Oorzaken der LEleäriciteit, in Europa gemaakt heb- ben; en hoede Heer LE RO1, in Frank- ryk, deswegens, met den vermaarden NOLLET, in verfchil geraakt is: zynde en blyvende den Abt van een verfchillend gevoelen, in het beoordeelen der Zlec- tricale Verfchynzelenen hare Oorzaken , dan LE ROIen FRANKLIN, Want de- ze hadden begrepen, dat er eene Elec- trifche Vloeiftoffe, overal, om de licha- men en door dezelve, {troomde : dat wanneer eenig lichaam, van zyne gewo- ne Zletrifche Stoffe eenigzints ontle- digd was, de omvloeijende daar dan ook indrong, en wanneer er te veel was in- gedrongen, zy er dan wederom uit- fchoot , tot dat, binnen en buiten, zig eene gelyke dikte en hoeveelheid ver- Ípreid had: en ’tflot was, dat men uit dezen regel, alle de Elerifche Ver- fchynzelen verklaren kon en _ verkla- ren moest. Evenwel meende NOLLET daarentegen, uit alle Waarnemingen en _Proefondervindingen „te moeten befluiten, en blyven befluiten, dat er

| 36

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 77

gedurige en gelyktydige in- en uitvloei- jingen der Zledrifche Stoffe, in de Geëlec- trizeerde lichamen , plaats hadden , en dat deze het beginzelen deeerfte werkzaam- heid waren, waar op men alle de Ver- fchynzelen der Zle@riciteit kon toepasfe- lyk maken. **Zouernu, by het Gevolg- trekken , maar op aankomen , welke van beide deze Natuurlyke Oorzaken, of Vooronderftellingen derzelve, den voor- rang verdiene , en naast by de waarheid kome? Waarlyk, LE ROI en FRANKLIN zyn verder gegaan, dan NOLLET: want zy gaven eene waarfchynelyke en eenig- zints bevattelyke Oorzake op; daar de Abt niets te berde bragt, dan een by hem vermoedelyk Algemeen Verfchyn- zel, dat even onverftaanbaar bleef, als de Verfchynzelen , die er door verklaard moesten worden, als Gewrogten eener: Natuurlyke Oorzake,. Maar de Heer EULER, de Zoon, ging verder , zonder dat hem iemand dit kwalyk nam, toen hy aan de Koninglyke Pruisfifche Aka- demie betoogde, dat de ther, eene vloeiftoffe, onderfcheiden van de Lugt, welker aanwezen men lang had blyven loochenen, als zeer veerkragtig moet worden aangezien ; en dat deze, de fynfte | por

78 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

porien der lichamen doorvloeijende, al- toos, met de rondom om en aanvloeijen- de, in evenwigt poogde te ftaan; zoo dat, wanneer de Veerkragt derzelve, in het een lichaam fterker is, dan in het andere, de poginge, om die Veerkragt doorgaande gelyk te maken, als de wa- re Oorzaak van alle de Zledrifche Ge- wrogten en zeldfaamheden moet worden aangezien; gelyk hy dan ook by de {tuk- ken heeft aangetoond. Immers zoo ver- re mag men in het Gevolgtrekken voort- gaan, tot dat men eene Oorzaak gevon- den heeft, die genoegzaam is, om de Verfchynzelen , als hare Natuurlyke Gewrogten, te doen begroeten, En de Veerkragt van den Ether moet ons daarom te minder verdagt voorkomen, om dat men dezelve in eene foortgelyke vloeiftoffe , te weten de Lugt, onweder- Íprekelyk aantreft.

Gewisfelyk , het fcheen in ’teerst, by de Engelfche en Leidfche W ysgeeren;, een vermetel en {tout beftaan te zyn; dat men, ten nadeele van het Ydel, eene fynere Stoffe, door Waar- en Proefne- mingen betogen wilde; en dus aanleidin- ge geven, om, ter uitvorfchinge van | nog

VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI, 79

nog andere onbekende Natuurkundige Oorzaken , al verder en verdere fynere, oneindig fynere vloeiftoffen uit te den« ken, niet alleen ter verklaringe der Elec- tricale Verfchynzelen, maar ook zelf, om de proef te nemen, of men insge- lyks de Wledriciteit of Veerkragt, en andere diergelyke wonderen, niet zou kunnen bevattelyk maken. Evenwel, hoe noode ook, men ftreek de vlag voor de Proeven der Zledriciteit ;en wieweet. hoe verre men naderhand neg zal moe- ten komen! Laat het my geoorloofd zyn, hier eene aanmerkinge van den, Heer scHIRAG, uit zyne Redenvoerin= ge, geplaatst voor deszelfs Natuurlyke Hiftorie van de Koninginne der Byen, over te nemen, en wel, volgens de Franíche Overzettinge van den vermaarden Heer BLASSIERE,. $i wotre decouwerte, ma ton dit, etoit ausft avantageufe que vous le Pretendez, feroit il posfible qwelle fut de- meurée cachée a toute la terre juiquê-d, notre tems? Eb! pourquoi non? Malgré Jon infinie bonte, Dieu ne fest jamais obligé a deployer- tout d'un coup dans tous les. genres , toutes les richesfes. que fa main, liberale deftinoit aux humains. Al Jemble-au contraire, que fa maden bos oit

80 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

Joit toujours plu a renouveller les fources de felicité, afin de ranimer leur reconnois- Jance par cette fuccesfion de bienfaits. Come bien de chofes que nous ignorons , parce- gue ce Dieu tout lage les defline a rendre la vie plus agreable a nos arriere-neveux ES geil tient comme en referve pour no- zre poflerité? Alle Proefondervindingen en Waarnemingen , zonder vooroordee- len befchouwd, leeren ons dagelyks, dat er niets zoo vreemd, niets zoo on- gehoords uit te denken is, of de Nature openbaart ons wonderen, die nog vreem- der, nog ongelooffelyker fchynen, en, die egter waarlyk voorvallen. By- ge- volg, men moet altoos tragten verder te gaan, dan de opgevatte vooroordee- len, of de ftelzels onzer Hoogleeraren en Meesters ons willen hebben ; vooral dan, wanneer het ons, als brave Natuur- onderzoekers, te doen is, om de edele en nuttige wetenfchap der Natuurkun- de uit te breiden, te befchaven en te verbeteren.

Ja maar! zal men zeggen, hola! men mag evenwel niet verder gaan, dan de Proef- en Waarnemingen ons aanwyzen. Deze bedenkinge laat zig hooren, in

Zoo

VRAGE VOOR °T JAAR MDCULXxIL 81

zoo verre de Gevolgtrekkinge door nie- we en betere Proeven en Waarnemingen kan worden opgehelderd, Maar wan- neer dit onmogelyk geworden is, zou men daarom uit de reeds gemaakte waar- nemingen en profondervindingen, en uit die alleen niet mogen voort redeneren? Zou zig iemand niet belagchelyk aan« ftellen, die, na een regtmatig befluit ge- nomen te hebben, tot het aanwezen van, de Lugt en den ther, nog daarenbo- ven dezelve beiden, door het Mikrofcoop, zou willen zien, of de Veerkragt der- zelve, werktuigelyk, zou willen doen ar- beiden, onder zyn gezigt. Voelt en ziet men het Electrisch vuur niet? Voelt en hoort men de Lust niet? en merkt men niet vele Verf-hynzelen op, waar uit het blykt; dat er zulke fyne Vloeiftof- fen aanwezig zyn, en met Veerkragt be- gaafd? Moet men dan het Water , in al- le deszelfs kleinere droppelen, en der- zelver inwendigen vorm en innige ge« daante, bekyken? Is dat mogelyk? Neen! zal men zeggen. Wel! moet het dan ook niet genoeg , voor eenen verftan- digen Natuuronderzoeker ; zyn ; dat hem het Vergrootglas eene nieuwe waereld heeft leeren kennen, en dat hy daar uit

IP. DEEL, F ver.

82 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

verpligt is te befluiten, dat er nog on- eindig vele kleinere wezens en lichamen beftaan, welke hem het Mikrofcoop nim- mer zal kunnen vertoonen. Behalven, dat al, wat vloeibaar is, altoos verwar- ringe van over clkanderen loopende dee- len voortbrengt.

Nooit mag men verder gaan, in het Gevolgtrekken, dan tot aan het perk, daar eene duidelyke en geftrenge Rede- neerkunde ons brengen kan; voor zoo verre zy uit Proeven en Waarnemingen redenkavelt, De Inbeeldingskragt mag hier den baas niet fpelen, en ons naar het betooverd gewest der herfenfchim- men henen flepen. sWAMMERDAM;, LEEUWENHOEK, DE BUFFON en andere gaven te veel aan hunne Verbeeldinge toe, toen zy zig onderwonden, om het diep geheim der Voortteelinge te open- baren. SWAMMERDAM, STENON En DE GRAAF lagen al ras agter, met hunne ftelzels van de Eijeren, die zy, in de Eijerftokken der levendbarende wyfjes;, meenden ontdekt te hebben, zoo dra de. Mannelyke Zaaddiertjes,van LEEUWEN- HOEK Ch HARTZOEKER, ten tooneele ge- voerd. werden, Maar deze Zaaddier-

tjes

VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI, 83

tjes verdwenen ook, op hunne beurt; toen NEEDHAM, en vervolgens DE BUF- FON, dezelve niet meer vonden, Maar moest dan daarom de Heer DE BUFFON een nieuw flag van Momoeömerien , daar oudtyds ANAXAGORAs zoo veel mede op had, te hulpe roepen, om de voe- dinge der vrugt uit alle de ledematen van man en wyf te ontleenen ; en dus; door eenen tweeftryd tusfchen de we« derzydfche gelykvormige werktuigelyke lichaamtjes, beide, mannelyke en vrou- welyke, tot een beftaan te doen famen- fmelten; en aandie famengefmoltene maar eene zelfftandigheid, maar een leven te vergunnen? Wat al onverftaanbaarhe« den! Mag dat pbilofopberen, of moet dat droomen heeten? @*) Trouwens, wie zegt ons, dat het den Almagtigen en Alwyzen Schepper ondoenelyk zou zyn, door de Paringe , iets levendig te maken, dat bevorens onbezield er mo* gelyk allee irrirabel/ was? Wie kan ons bewyzen, dat er inde Nature geene borologien (op dat ik my mert dit beken: de woord:, verftaanbaarhtidshalven ; uit» FE 2 druks

: Men kan Hieromtrend: näder te regt raken’, BRE Heer LE FRANCQ VAN BEËKHEY , Nätuur- é Hiftorie van Hoiland. II, Deel bl, 86—110,

84 Js VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

drukke) dat er geene horologien voor handen zyn, welke door eene andere en vreemde magt moeten worden opge- wonden ; en dat iets diergelyks, in de paringe der levendbarende dieren, niet gefchieden zou? „Er zyn immers geene Waarnemingen en Proefondervindingen bekend, die dit allereenvoudigst ftelzel over hoop werpen? Immers, zoo lang iemand eenige mogelyke Oorzaken weet uit te. denken, die de Verfchynzelen een- voudiger verklaren, dan de reeds ge- maakte. Gevolgtrekkingen der Natuur- onderzoekers ; welke laatstgenoemde, of niet-onmiddelyk uit de Waarnemingen en Proefondervindingen voortvloeijen, of ten minften , over het veroorzaken der Verfchynzelen, en de Theorie der Natuurkundige Mechanica, meer duis- ternisfe , dan ligt verfpreiden ; zoo kun- nen óok dezelve Gevolgtrekkingen, by onbevooroordeelden ‚geenen ingang vinden, En hier uit blykt nogmaals middagklaar , hoe’ uitftekend nuttig het uitdenken van mogelyke Oorzaken is, in de Natuurkunde: al was het maar alleen, om, daar door, ftoute en windrige ftel- zels, welke men eenvoudigen, als de eenigfte Mogelyke, wil in de han

, LLOP=

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 85

ftoppen, van de zyde harer ligtvaardig- heid en ongenoegzaamheid, voor de oogen der voorzigtigen bloot te leggen. Dat doordryven en opvyzelen van zulke Gevolgtrekkingen moet men altoos ver- dagt houden: aangezien een W'ysgeer niemand, en dus ook zig zelven, niet be- driegen mag: ’t geen egter alsdan ge- beurt, wanneer hy zyn best doet, om tgeen hem toefchynt, voor een oo- genblik, eenigzints de waarheid naby te komen, aanftonds voor waarheid. uit- vent, en het zoo opfchikt, als of hee 1 hem volledig gebleken ware, de waarhe zelve te zyn. Zoo verre mag men zyne Gevolgtrekkingen , uit de. W aarnemin- gen en Proefondervindingen ontleend, nimmer doorzetten. top Geheel anders ging onze groote HUY- GENS te werk, by het waarnemer van Saturnus, zoo als die dwaalftar van GA- LILZEUS eerst befchouwd was, en met een buitengemeen verfchynzel verrykt, _ geen men, waarlyk ! nog nergens, in eeni- ge famenloop van Hemelfche Lichamen had aangetroffen. De doorlugtige Man zelf viel, met eenen onverbeeldelyken yver,aan het glazenflypen , en dus aan ’t verbeteren der Verrekykers; en, daar in EF 3 naar

86 J, VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

naar wensch geflaagd zynde, befpiedde hy, met zyne eigene Gezigtkundige werktuigen, menige fchoone nagten, dien grooten Planeet; beloerde hem in de wonderlyke verfchanfingen van zy- nen Ring, en ontdekte eenen nieuwen uitgezetten fchildwagt, behalven de twee, welke GALULZUS reeds had waar- genomen. Toen begreep onze beroem- de Wiskunftenaar wel haast, en hy ont- zag zig niet, die aanmerkenswaardige Gevolgtrekkinge te maken, dat al die verwonderenswaardige toeftel van Ma- nen, zoo by Jupiter, als by Saturnus, en de Ring van den laatften , aangemerkt moesten worden, als kleine ligten , #0 heerfchappy des nagts; (*) en dus al ver- der, alzoo het éen Gevolg van zelf uit het ander voortvloeide, dat er bewoon- ders, ja wel vernuftige bewoonders , op die magtig groote Hemelballen moesten huisvesten, die zoodanige verligtinge, ter beheeringe hunner woonplaatzen, be- hoefden, van wegens den grooteren af-

| {tand

a

GG) Die fpreekwyze van Mofes kan den invloed der Starren op het Ondermaanfche, volgens de droomen der Oude Chaldeeuw{che en Egyptifche Aftrologen niet bedoeld hebben. Zie VAN DER MUELEN, Disf, de Die Mundi natali pag. 157. fqq.

VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXxit, 87

{tand der Zonne. Indien de waarne-

mingen der Heeren DE MAIRAN €&n MAU-= PERTUIS, omtrend de nuttigheid van het glansryk Noorderligt in Lapland, aan HUYGENS waren bekend geweest, had hy, voorwaar! nog grooter regt gehad tot zoodanige Gevolgtrekkingen. ['rou- wens, de zyne, nopens de bewoonbaar- heid der Manen en Dwaalftarren , niet alleen van ons Zonneftelzel, maar ook van andere en alle foortgelyke, welke men om Sirius en alle de vaste Starren, by Vooronderftellinge, plaatst, moesten, met eene lange fchakel van redenkave- lingen, worden goedgemaakt; redenka- velingen, den grooten HUYGENS waardig , en die ons bykans veroorloven, als Na- tuuronderzoekers, om de Redeneerkun- de te baat te nemen , en niet flegts On- middelyke Gevolgen uit de reeds ge- maakte Waarnemingen en Proefonder- vindingen, maar ook Middelyke, dat is, Gevolgen uit reeds gemaakte Gevol- gen, en zoo voorts, zoo verre ons de draad der fluitredenen brengen wil, te trekken en af te leiden, Voor welke manier vâän Gevolgtrekken, de doorlug- tige LEIBNITS eenen fchoonen en aange- namen weg gebaand heeft; dien de ver-

FE 4 maar-

88 j. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

maarde Natuurbefchouwer van: Geneve, *

de fchrandere en teffens oordeelkundige BONNET , met Zoo veel yver en toejui- chinge bewandelt, dat hy den aandagt van alle de Europifche Wysgeeren naar zig trekt,

*]Is waar, LEIBNITS was wat onver- {taanbaar voor lagere vernuften, uit hoofde zyner uitftekende fchranderheid en weergâaloos doorzigt, tot in de diep- fte geheimen der Bovennatuurkunde. De waereldberoemde worrF en zyne leerlingen BILFINGER , CANZIUs en foort- gelyke, hebben de kettingen der fluitre- denen wel duidelyker onder het oog ge- bragt; maar, om de waarheid te zeg- gen , Zoo magtig zigtbaar en overmatig, dat de aandagt, onder het lezen van hunne fchriften, veel meer valle op het redenerende der vertogen, dan wel op de befluiten derzelve, en op de waarhe- den, die door Gevolgtrekkinge uit aan- genomene en reeds bekende waarheden voortvloeijen, Deze en dergelyke over- wegingen doen ons denken, op de Res

elen, welke men, by het Gevolgtrek- he uit de Waarnemingen en Proefon- dervindingen in agt moet nemen, en na- | ere

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXTL, 89

dere uitvorfchinge van de nog onbeken- de oorzaken der Verfchynzelen,

FPL

1. De eerfte en Algemeene Regel, welke tot eenen grondfteun, tot eenen onwrikbaren grondfteun der overige

„moet verftrekken, is, zoo ik my niet bedriege, deze: dat men zig vooraf eene grondige, omftandige en uitgebreide Ren- nisfe, van alle de Proeven en Waarne- mingen, welke tot hier toe gedaan ‘zyn, werzorge: ja, dat men die , is het moge- yk, eigenhandig nadoe, Deze Regel, immers het eerfte lid deszelfs, dat men zig vooraf, eer men aan het Gevolgtrek- kengaa, eene grondige, omftandige en uit- gebreide kennisfe, van alle de Proeven en Waarnemingen, welke tot hier toe ge- daan zyn, moet verzorgen, is hier geene bedenkinge, veel min twyffelinge, onder- havig: aangezien het zelve, niet ondui- delyk of ingewikkeld, maar volmondig en klaar, door het loffelyk Zeeuwsch Genootfchap, in het be oop der Vrage, word vooronderfteld, en als zoodanige eene grondregel word aangemerkt; wan-

E cl

9O J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

neer het den Natuuronderzoeker alleen verlof geeft, voor zoo ver het tegen- woordig doelwit betreft, wit de reeds ge- maakte Waarnemingen en Proefonder- windingen verdere Gevolgen te trekken, en uit geene andere gronden: gelyker- wys reeds boven is aangetoond. En wat het Éweede lid betreft, dit fteunt op de dagelykfche Ondervindinge der beste Philofophen. Want hoe menigwerf ge- beurt het niet, dat men zig zeer bedro- gen vind, als men los weg, zyn ver- trouwen vestigt, op de verhalen van fommige oude niet alleen, gelyk Prinr US , DIOSCORIDES ‚, THEOPHRASTUS , ARIS- TOTELES, maar zelfs van niewere en he- dendaagfche Waarnemers, welker na- men ik eerbiedshalven liever verzwyge! Hoe ellendig word men niet fomwylen misleid, als men ftaat maakt, in de Na- tuurlyke Hiftorie, op de Figuren der Proefnemers, en op de Afbeeldingen, welke men by SEBA, JONSTON , DODO- NAUS , KNORR en anderen befchouwt. ALBINUS , SEP, DAUBENTON HOUT- TUYN, BASTER en andere hedendaag- fche Waarnemers kunnen voor onver- beterlyke gehouden worden, Evenwel, die Heeren zelve (ik meene er zeker rd te

un-

VRAGE VOOR °TJAAR MDCCLXXIL OI

kunnen gaan) willen wel toeftemmen, dat men den beroemden VosMAER be- ter verftaan zal, als hy in het Kabinet zyner Doorlugtige Hoogheid, onzen geliefden Frfftadhouder, en den Protec- tor van het Zeeuwsch en andere Ge- nootfchappen , ja den Moecenas van ons Vaderland, zyne geleerde aanwyzingen doet, dan onder het lezen zyner fchrif- ten; die, nogtans de goedkeuringe van alle Natuuronderzoekers wegdragen. Men kan er ligtelyk de proeve van ne- men: als men, by voorbeeld, het uit- muntend werk van GUALTIERL, in ’t-welk de Hoorns en Schelpen, vry naauw- keurig en konftig, zyn afgebeeld, voor zig legt; vervolgens zyne laden met Conchylien , en de beste en zuiverfte Zx- emplaren,daar in voorkomende , met die Afbeeldingen vergelykt; alzoo men dan, wel toeziende, al ras ontdekken zal, welken voorrang de ware voorwerpen, boven hare uitbeeldingen verdienen, Hoe wenfchelyk ware het, en o! wat zou het niet aan den gelukkigen voort- gang der Natuurkunde vorderlyk zyn, dat er eene zekere Gemeinfchap van goederen, onder de Beminnaars der fraaije wetenfchappen wierde uitgedagt:

ten

92 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

ten einde het eigenhandig nadoen van Proef- en Waarnemingen, voor elk lief- hebber, mogelyken gemakkelyk te ma- ken! Waarfchynelyk zullen de Geleer- de Genootfchappen van ons gelukkig Nederland daar met ernst op denken, alzoo het haar toch om de verbeterin- ge en uitbreidinge der kunften en weten- {chappen te doen is,

2, De tweede Regel kan deze zyn: Andien het nadoen der Proeven en Waar- nemingen niet wel. mogelyk is, dat sen dan, ten minften, met eene Hiftorifche zekerheid, poge overtuigd te worden, dat de berigten, welke men van de Proeven en Waarnemingen, die reeds gemaakt zyn, ontfangt , egt zyn3 om er by het Ge- wolgirekken op te kunnen flaat maken. Deze Regel koomt inzonderheid te pas, by het gebruiken der Waarnemingen, welke, in vroegere tyden , of in verre afge- legene landen ‚gedaan zyn. Elk kanmet MAUPERTUIS naar Lapland, met CoN-

DAMINE naar Quito, met DE LA CAILLE

naar de Kaap de Goede Hoop, of met HASSELQUIST naar de Levant niet mede Teizen. Zoo kan ieder de Proeven van den Secondellinger, op verfchillende

Breed-

heee rel ate in dE Ef

WRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI. 93

Breedten, niet nadoen. Hier van daan koomt het, dat er wel eens wettige ver- klaringen, voor de waarheid van eenige waarnemingen, aan welke veel gelegen is, worden ingewonnen. By voorbeeld, de Abt NorrET, hoewel voor zig zel- ven volflagen overtuigd van de ontwyf- felbare zekerheid zyner ondervindingen, brengtegter , meer dan eens, de gelyk- luidende getuigenisfen van ettelyke an- dere Natuuronderzoekers by, die het eveneens ondervonden hebben, en voor- al ook Uittrekzels uit de Registers van de Koninglyke Akademie der Weeten- {chappen : als onder anderen ook, omte toonen, dat de Geëleêtrizeerde Licha- men , eene EleCtrifche ftoffe, uit onge- ëleCtrizeerde- naburige Lichamen, ont- rn (XX Lef. IL Afdeel, 5 Voor- el.

3. Wyders indien er eenige Waar- of Proefnemingen worden tegengefproken, en zulks gefchied door. voorname mannen, of beroemde Kunstgenootfchappen, moet men zig, ten minften by woorraad, wel wagten, om op zulke uitglydende zand. gronden hes gebouw van algemeene ftellin- gen niet te fligien. Dit leert ons de Voor-

Zig

94 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

zigtigheid, Waarom zouden wy verf geeffchen arbeid doen, en naderhand uitgelagchen worden £ |

4 Wanneer wy, of andere geloof: waardige perfoonen, eene enkele Waar: neminge of Proeve gemaakt hebben welke door geene andere foortgelyke bevestigd en opgehelderd is, mogen wy wel toezien, dat wy ons aan geene voorbarigheid , in het erkennen en aannemen dier Proeve, of Waarneminge, fchuldig flellen, ‘Frou: wens; hoe ligtelyk kan men zig misgiss fen, en aan zyne Zintuigen te veel geloof geven ! Deze kunnen ons even zoo wel bedriegen, als onze Schranderheid, Is niet, dan by gedurige herhalingen , dat men de Waarnemingen en Proefonder- vindingen, immers derzelver befchry- vingen, voor ontwyffelbare waarheden mag aanzien, op welke men zyn ver- trouwen vestigen mag.

5. Daarentegen, als men wele famen: Sflemmende W aar nemingen en Proefonder: windingen heeft, die onwederfprekelyk moeten geoordeeld worden, dan mag en moet men die aanmerken, als eene foord van. Algemeene Gebeurtenisfen die wen

yke

sere

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. 95

Iyke omftandigbeden, altoos Zullen woor- wallen, Zulke Algemeene Gebeurtenis- fen, vooronderftellen Algemeene On- derwerpen, dat is Hoofdftoffen , Verhe- velingen, die, onder dezelfde toevallig- heden gerakende, gelykvormige Ver- fchynzels opleveren. Laat, by voor- beeld, het Water in de Lugt in alle der= zelver onderfcheidene Verfchynzelen ; naauwkeuriglyk worden opgemerkt; dan zal men, met volle overtuiginge zy- nes gemoeds, befpeuren, dat zig het Water niet, of immers zeer weinig , en dat zig daarentegen de Lugt, ongemeen fterk laat famendrukken. Dan, alzoo de geringe famendrukbaarheid des Wa- fers, nog wel, ten minften voor een gedeelte, aan de, daar in verholene, Lugt kan worden toegefchreven : zoo moet volgen, dat het Water en de Lugt, of in de geheele Samendrukbaarheid, als éene eigenfchap , verfchillen , of ten min- ften, in het Meer of Minder, zoo mag: tig onderfcheiden zyn, dat men de Sax mendrukbaarheid zeer wel, als eene by= zondere eigenfchap der Lugt, mag aan- zien: terwyl de Hardheid des Waters, tegen die Samendrukbaarheid, als eene tegenftrydige eigenfchap, over a

it,

96 j. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

Op dezen Regel zyn de Natuurkundige Voorzeggingen gegrond,

6. Indien gelyke Proefnemingen, op onderfcheidene tyden gedaan, tegenflrydi: ge, of ten minflen merkelyk verfchillende, Verfchynzelen wertoonen, dan zal men ook veiligst doen, zyn oordeel, by het Ge- wolgtrekken, op te fchorten; en ook, de Gewolgtrekkingen der Pbilofophen, uit zulke vwyffelagtige beginzelen ontleend; woor onvoldoende woorftellen te houden, Van zulke gevallen treft men een aller- duidelykst voorbeeld aan, in de Lesfen van den meergenoemden Abt NOLLET; (Les XXI. Afd, IL Verfchynzel 5). Een Geëledrizeerd Goudblaadje nadert naar Geëleärizeerde Harsagtige ftoffen , als Zegellak, Zwavel, Gom enz. maar dat zelfde Goudblaadje wykt af en vlugt voor eene Geëledrizeerde Glazene buys. Ondertusfchen (zegt de Heer NOLLET) 3s er van alle de Ele&ricke Verfchynzelen geen, dat onzekerder is en wisfelwalliger, geen ‚dat men minder beftendig en minder, zonder misfen, altoos plaats ziet hebben : alzoo het Goudblaadje ook menigwerf door het Zegellak, de Zwavel enz. word afgeftooten; ja dikwyls eene en x

acij=

VRAGE VOOR °T JAAR MDCGLXxu. 97

zelfde Zwavelbol , een en het zelfde pypje Zegellak aantrekt, tgeen het, nog een oogenblik te voren, aflliet; of affloot, geen het zoo aanftonds had aangetrokken. Maar hoe kon dan die beroemde Na- tuuronderzoeker ondernemen, dat wis- felvallig Verfchynzel te verklaren, gelyk hy, inopzigttotde Aantrekkinge, heeft gezogt te doen? Zulke verklaringen zyn nadeelig aan de bevorderingen der Natuurkunde: want, als zulk een W ys- geer, gelyk NOLLET , iet diergelyks heeft uitgevoerd, wil er een ander Phi- lofooph, van minder naam, liever in berusten, dan verder onderzoek te doen: uit vreeze, van voor vermetel aange- zien, en, gelyk het gaat, uitgejouwd , en, naar ouder gewoonte, voor een denkbeeldig beuzelaar te worden te boek gefteld. Want elk is juist geen EULER;, dat hy zig aan zulke onaangename ver- denkingen bloot durve ftellen, en zoo veel ingang vinde, dat hy die zelfde ver- „denkingen en ligtvaerdige {potredenen „weete te verydelen,

_ Je Nimmer mag men zig laten af- „Jchrikken wan -de werdere Phyfifche en Mechanifeche Oorzaken der. Verfchynze- 10dV, DEEL, G len;

98 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

ben , alleen daarom, om dat uitmuntende vernuften, omtrend de mogelykheid der witworfchinge en uitvindinge , ofte wel om- srend het bepalen der Oorzaken, een be- fisfertd vonnis bebben geveld, Want men zal doorgaansch vinden, dat de Natuur- onderzoekers alte bekrompen zyn gee weest ; in het optellen der Oorzaken, en dat zy zig dus-menigmalen vergrepen hebben , met het uit{luiten van andere byvallende Oorzaken, die met de Hoofd- oorzaken, ter vorminge en vertooninge van het Verfchynzel, famenliepen. Er valt my thans, terwyl ik dit fchryve, geen beter voorbeeld by, om ter ophel- deringe van dezen Regel te verftrekken, dan de Gevolgtrekkinge, welke de Rid- der NEWTON, uit de bekende Proef- neminge, met twee op elkanderen ge- drukte brilglazen en de Zeepwaterbellen, maakte , om reden te geven van de Kleu- ren, in de Natuurlyke Lichamen voor- komende: te weten, dat dezelve, enkel en alleen (met uitfluitinge van andere Oorzaken) zouden moeten worden toe- gefchreven, aan de meerdere of mindere dikte der kleine fchilfertjes of deeltjes, uit welke zy worden faamgefteld, Want, “dat alleraanmerkenswaardigst is, de

| Ke Heer |

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 99

Heer NOLLET toont, uit even dezelfde Proefnemingen, door hem honderdma- len herhaald, dat, buiten die voorname Hoofdoorzaak van NEWTON, ook de gedaante van ieder dier deeltjes, het by- zonder weefzel van hunne fchikkinge op en over elkanderen, de verfchillende ijl heid der eigene ftoffe, en de gefteltenis- fe der ledige tusfchenruimtens en ope- ningen in aanmerkinge moeten komen. (XVII Les. 3 Afdeel.)

8. Zoo dra men ontwaar word, dat de Natuuronderzoekers een popje gehad hebben, om mede te fpelen, eene gelief- koosde Wooronderftellinge , welke zy zelwe hadden uitgedagt , enn, uit dien hoofde, tel- kens eene en dezelfde Oorzake opgeven, ter werklaringe van weelwuldige en ver- Jehillende Verfchynzelen; zoo moet men aanftonds in argwaan en agterdogt wallen, of zoodanige Gevolgtrekkinge wel fleek kan houden en de toetzinge wan eene bedaarde, en, inden vorm, redenkundige beoordeelin- ge doorflaan ? Trouwens, de Nature heeft even zoo vele Oorzaken als Ge- wrogten: en, dat verder gaat, die Oor- zaken zyn wederom, op nieuw , Gewrog- ten van andere Oorzaken; en dat zoo

Er :Ga2 wel

Hoo J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

wel in het Voorledene, als in het Tegen- woordige, ja, om zoo te fpreken, tot in het oneindige toe, Elke Oorzake, die, ter verklaringe van een Verfchyn- zel, het zyne toebrengt, en alleen eene Natuurkundige (Phyfifche) maar nog geene Werktuigelyke (Mechanifche) mag genaamd worden, is, wederom op hare beurt, een Verfchynzel; en zoo worden de Oorzaken der Oorzaken, tot in on- uitdenkelyke reekzen, vermenigvuldigd, Een Weershoofd, by voorbeeld, hangt af van de bepaalde ftreek lugts, daar de regendroppelen in nederdalen tegen over de Zon, wanneer die, by het op- komen, of by het ondergaan, op eene zekere hoogte is, De gefteldheid der Lugt, de hoedanigheid der Wolken, de famendrukkinge der Dampbellen, de koude, de ftreek daar de Wind uit waait, de hoogte en helderheid der Zonne, het oog van den toekyker, de, tusfchen zyn gezigt en het voorwerp, opklimmende of nederdalende dampen, en honderd andere byzonderheden, ko- men hier alle waarlyk te pas, in het be- fchryven en uitvorfchen der Oorzaken van een bepaald ftuk Regenboogs. Even- eens is het ook met de Waterhoozen,

Houw-

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 101

Houwmouwen, Caftor en Pollux , de Mariendraden en andere Verhevelingen gelegen, wanneer men een zoodanig Verfchynzel, bepaaldelyk op zig zelven, en Natuurkundig verklaren zou, En gelykerwys dit waaragtig is in byzonde- re gevallen, zoo is het ook onweder- Íprekelyk zeker, dat men dien voet zal moeten houden, by het uitvorfchen der Algemeene Oorzaken van veelvuldige Gelykflagtige Verfchynzêlen, Ja het ís byna onmogelyk, dat er ergens iets in de geheele Nature zou kunnen zyn, welke eigenfchappen het dan ook bezit- ten mogt, dat alleen voor de Volledige en Eenige Oorzake van een Verfchyn- zel, hoe genaamd, zou kunnen worden aangezien,

9 Wanneer men Waarnemingen doet op den aard ende eigenfchappen der Die- ren, Planten en Mineralen, moet men zig niet vergenoegen, met een of twee ge- bykfoortige voorwerpen, in hunne gedaan- te en werkingen, te befchouwen « veel mink der na hunnen dood, of in vervreemdinge wan hunne natuurlyke woonplaats; en -dat wel, om dan maar eensklaps uit die ge- brekkige befchouwinge, Gevolgen ie trek- G 3 ken,

102 J. VÁN IPEREN ANTWOORD OP DE

ken ‚ter uitvindinge van de bepaalde kragt, kunstdrift , inborst en hoedanigheden van geheele Soorten: ten einde uit die Alge- meene befluiten dan vervolgens de byzon- dere werrigtingen wan alle voorwerpen, onder die Soorten behoorende , als zoo we- le Verfchynzelen aangemerkt, te kunnen werklaren. De bekende ftokregel van den grooten LEIBNITZ, dat er in de Nature geene twee volftrekt gelykvor- mige dingen voorkomen, welke zoo baarblykelyk door de Ervarenisfe altoos en overal bekragtigd word , moet voor- alin aanmerkinge komen, by deze gele- genheid, Geene twee menfchen , geene twee fchapen zyn er by elkanderen te brengen, die niet merkelyk van gelaad en aangezigte verfchillen zouden. In eene wildbaan, vogelvlugt, hoender- hok, duivenkoy, vind men , by aanhou- dende oplettendheid op de Gelykflag- tige Dieren, zoo vele verfchillende aar- den en perfonele inborften, als onder de met reden begaafde ftervelingen, Sommige moeten, door Natuurkundige Zedenmeesters, waarlyk geprezen, en vele moeten er gelaakt worden, Deze is eene byzondere Waarneminge, van een verder uitzigt, dan men zig mis-

| | {chien

“VRAGE ‘VOORT JAAR MDCCUXXI, 103

fchien ‘wel vérbeeldeú -Zouss- Dat men zig dan noit,-door LINNAUS, BRISSON:, BUFFON;:BOMARE en atdere vermaarde Schryvers der _Natuurlyke-Hiftotie ;la- temisleiden!,„Die Heeren hebben: niets, dan, om zoorte fpreken;,het Ontologi- Sche, het Algemeene, vande Soorten en Geflagten willen aanteekenen;, en-{chy- nen, nueri dans zelfs niette-zyn verdagt geweest! ops de Perfonele; Byzonderhe- dén van-eik.Dier en van elke: Plantvine dien ik my zoo eens-miâg uitdrukken. Evenwelozal.dat „Perfonelesder «dradivur dua; by de-uitvorfchinge\der. Oorzaken van hunne; verrigtingen; Wanneer die als Verfchynzelenrworden;befchouwd/;swel degelyk moeten worden te-pas gebragt. Men heeft; by-voorbeeld, geene reden om te gelooven, dat alleLieeuwerieven -onverfchrokken ei overweldigendzfterk zyns De tieer u ov rou vn, verhâalt ‘ons eeh: geval (Eù zulke byzonderheden behoorden altoos în «de NatuurlykesHi- -ftorse. te:!worden «opgemerkt)- van zen Leeuw , op teiland:St; Ioùis, die voor eene ftootenderen zig to weer {tellende Geit de vlugt nam. Die Geit, wat men ersook, van\zegge ;. moet. wr y.kloekmoe- esmmehmcteldj naval astig geweest RA) 3 4 Za

TO4 J. VAN IPEREN. ANTWOORD OP DE

zyn. Onder de Kunstdriften der Die- ren, had de Heer REIMARUS ook wel eene foort van bygeloovige vreeze mo- gen plaatzen.. Eene beerin; die van jongen beroofd is , word wanhopig : eez ne klokhen; die-anders voor den gering- ften {teekvogel vreest, verzet zig tegen eenen aangierenden havik, om hare kie- kens te behoeden, en dat: wel met eene onverbeeldelyke woede, » Zulke. Kunst- driften zou ik Zoewallige noemen. - Alle Kruiden en ‘Planten van dezelfde foor- ten Zyn niet overal even geurig en krag- tig, Op de Alpifche Gebergten munt het Ryk der Planten in heerlykheid uit;, gelyk de. vermaarde HALLER heeft waargenomen, « En waarom zou men „dan, vooral in-de Geneeskunde, niet ten uitterften keurig en oplettend mogen vallen, by -het Gevolgtrekken, ter be- palinge van deze en gene algemeene ei- genfchappen « der Geneesmiddelen? ‘Waarom zou een Natuuronderzoeker niet omzigtig mogen zymin:het aanne- men der befchryvingen: vân weinig be- kende Dieren en Planten ?ouu 2 in Be 0D BEL ol AAW P

zo. Nort mag men te veel. vórtrouwen Hellen op de Waar en mnd > | ie

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 105

die reeds gemaakt zyn, even als of dezelve reeds de hoog fre volmaaktheid bereikten, en door geene nadere Waarnemingen en Proefondervindingen zouden kunnen of. nader opgehelderd, of, in zoo verre zy aanleidinge tot Gevolgtrekkinge gaven, te- gengefproken worden, Zou men wel oit hebben durven denken, dat de zoo me- nigmalen herhaalde W aarnemingen van het huishouden der Byen, aan welke de groote REAUMUR , MARALDI en meni- ge andere, van alle tyden , met zoo ve- le oplettenheid en naauwkeurigheid, heb- ben gearbeid, nu in deze latere dagen, op eene gansch andere wyze zouden uitkomen: in diervoegen, dat de drie- dagige Wormen der Werkbyen, tot de waardigheid van Koninginnen kun- nen bevorderd worden ; mits men die maar plaatze in eene vereischte celle, welke, met de gewone celle der By- enkoninginne, in grootte , gedaante en noodigen voorraad ter fpyzinge over: eenftemt? _ Edog, hier van is te voren reeds meldinge gemaakt.

SEI, 2200 dra men ; by de Waarnemin- genen Proefondervindingen, iets wonder- baars ontdekt ‚dat wan den gemeenen re TN ged

106 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

gel afwykt, en zig opdoet als een wonder- werk, tgeen de kragten der Nature te bo- wen flreeft , dan mag men er wel aanftonds dit Gevolg uit trekken, dat zulk een Na. tuurgeheim onze nadere oplettenheid ver- dient: en dat men, van wegens zyne te- genwòordige onkunde, egter niet moet wanhopen aan de witvorfchinge der nog onbekende Oorzaken: naaar in tegendeel, zig, met eenen verdubbelden yver „op het uitdenken en naarfpeuren derzelve mag en moet toeleggen. De fchoone Mufa, by voorbeeld, welke ten jare 1736 voor de eerfte maal in ons Nederland, «op Hartekamp , de buitenplaats vanden Heer cLiFFORT, bloeide, en voor de vierdemaal in Europa , leverde toen aan den Heer LINNAUS, die er ons eene fraije befchryvinge en heerlyke afgezet- te uitbeeldinge van verzorgd heeft, zoo vele buitengewone. Verfchynzelen. op, dat hy er, als in verrukkinge , over-ûit- riep: Jnauditum omnino per tatum veg: num wegetabile est ; quod. Planta aliqua tam fingularibus gaudeat Sexus et Floris attributis. Dat is te zeggen: % Is vol- Strekt. ongehoord. in bet. geheel ryk der Planten, dat. een Gewas zoo zonderlinge eigenfchappen, ten-opzigte zyner Sexeven

Bloem

nn

VRAGE VOOR °TJAAR MDCCLXXlle IO7

Bloem bezit. In ’teerst lachte hy er om, dat de vorige Natuuronderzoekers had- den ftaande gehouden, als of de Mufa geen zaad opleverde, of ten minften , dat zy er alleen de onvrugtbare beginzelen van droeg. Zy hadden zig, meende hy, aan voorbarige Gevolgtrekkinge fchuldig gemaakt, Maar het lagchen van onzen Ridder veranderde wel dra in ernst, toen hy, met verbaastheid, befpeurde, dat de Vrouwebloemen ha- re kragt verloren hadden, eer. nog de Mannelyke bloemen. haar bevrugten konden; alzoo deze te laat kwamen, Dit leerde dien voortreffelyken Natuur- onderzoeker alstoen, by gevolgtrekkin- ge, gisfen, dat misfchien de menfche- Iyke voorzorge, of het geval dit gebrek zou kunnen verhelpen, als er Mufw’s van verfchillenden bloeityd kort naast aan elkanderen geplaatst wierden, 400 dat de Mannelyke bloemen van de eene Mufa, met de andere gelyktydig kwa- men , en dus eene gefchikte bevrugtinge verwekten, Maar wie weet, of ef ook geene Inwendige Bezwangeringe plaats zou kunnen hebben? “Want, zoo de Bloemfteng der Mufa uitkoomt, fchiet er ookteffens een fcheutje uit der wortel

op;

TOB J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

op: en wanneer de Mufa haren wasdom bekomen heeft en aan *tverleppen raakt, fneuvelt de oude plant, en ’t gezegd uit- fpruitzel volgt zyne moeder op. Maar is ’% ook wel te denken, dat de Natuur die wonderbare Bloemfteng, alleen tot cieraad, aan de Mufa verleend zou heb- ben? De Planten, immers zeer vele, hebben dit gemeen met de Polypen, dat Zy, door een groot gedeelte harer uit- wendige omkleedzelen, baarmoeders hebben, uit welke zy haars gelyken voortbrengen: ’t geen evenwel , zonder eene inwendige bevrugtinge, niet wel mogelyk fchynt te zyn.

12. De Gevolgrrekkingen, welke van andere Natuurkundigen reeds gemaakt zyn, of nog gemaakt worden, mag. men niet werwaarloozen; în tegendeel, men moet die zorgvuldiglyk byeen wergade- ren, al fchynen zy zelve ongerymd te zyn. ‘Trouwens, het kon wel eens gebeuren, dat iemand, ligtvaardiglyk gisfende, als by geval, de waarheid trof en uitvond, van welke ester de Proefondervindingen nog geen voldoenend bewys befchikten, Alle de Vooronderftellingen , met dat oogmerk van fchrandere lieden uitge-

| dagt,

VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL. 109

dagt, omde, als nog onbekende , Oor- zaken der Verfchynzelen, welke zig in bepaalde voorwerpen opdoen, te ver- klaren, zullen ons ten minften tot eene handleidinge kunnen verftrekken , ter be- raminge van werktuigen en proeven, door welke wy, met meer zekerheid tot een befluit zullen komen , nopens de Natuurkundige of Werktuigelyke Ver- oorzakingen ; en om ook meer Verfchyn- zelen uit te vinden, die, of de gemaakte Voorondertftellinge verydelen , of dezel- ve bevestigen. Want hoe meer Ver- fehynzelen, tot eene en dezelfde zaak betrekkelyk , door eene Vooronderftel- linge kunnen worden opgeloscht, hoe waarfchynelyker die Vooronderftellinge word, en hoe nader zy bykoomt aan de nog onbekende Oorzaken, welke wy tragten uit te vorsfchen, Ebbeen vloed , by voorbeeld, geven zoo vele onder- fcheidene Verfchynzelen op, in ver- fchillende {troomen, inhammen en zee- boezems, dat men naauwelyks weet, waar aan men dezelve toe moet fchry- ven. ’tZal derhalven, myns oordeels, niet ondienftig zyn, de gevoelens der Geleerden daaromtrend by een te fame: len, en er eene voorzigtige keuze uit te ej doen:

TIO Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

doen: vooral dan, wanneer zulke ge- voelens eenigzints de goedkeuringe van vele voortreffelyke Mannen weggedra- gen hebben: gelyk de bewuste vier Ver- handelingen, welke, in het jaar 1740, den Prys, by de Koninglyke Franfche Academie te Parys, hebben behaald, Im- mers, hoewel de gewone Getyen, meest- al, de Middelbeweginge der Mane vol- gen, en de bekende Gevolgtrekkingen van NEWTON, uit de Zwaartekragt der Aarde tot de Maan en de Zon, de meestgewone verfchynzelen ongemeen wel verklaren ; zoo kan ons nogtans dat _ Stelzel, zoo min als de Stelzels van GA- LILZEUS en CARTESIUS , de duyzenderleye ongeregeldheden van HEbbe en Vloed geenzins doen begrypen. Dit blykt uit de volmondige getuigenisfe van den Heer ruLors, die, hoe zeer hy anders, en met regt, het gevoelen van den Rid- der NEWTON opvyzele, zonder eens de andere gevoelens duidelyk voor te ftellen (dat evenwel zou hebben moeten zyn, om er zyne Lezers over te laten oordeelen) eindelyk, om in eens alle de zwarigheden te ontdekken, zig dus uitlaat: (6, CCOXVIL bl. 284.) Men zou een geheel boek kunnen wuilen, ee

ût

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, III

alle byzonderbeden en ongeregeldheden, „die in byzondere plaatzen, ten opzigte wan Kbbe en Vloed, of befpeurd worden, of op zekere tyden befpeurd zyn. Alle die ongeregeldheden trouwens moeten aan- gemerkt worden, als zoo vele Waarne- mingen, die de zekerheid en voldoende kragt der Gevolgtrekkingen van NEw- TON en andere, min of meer, ontzenue- wen. Zoo dat de vermoedelyke Oor- zaken van Ebbe en Vloed nog, in zeker opzigt, onder de Onbekende te ftellen waren: indien EULER en andere Na- tuurkenners, na NEWTON, in het uit- vorsfchen dier Oorzaken niet verder waren voortgegaan.

13, Zoo men eindelyk daar toe geko- men is , dat men alle Waar- en Proefne- mingen omtrend zeker onderwerp, vele in getal en alle menigvuldigmalen her- haald, in dat derde vind overeen te flem- men, dat de Verfchynzelen, welke zy op- leverden, alle, zonder onderfcheid, en met even groot gemak, door eene Wooronder- flelde Natuurlyke Oorzake kunnen worden verklaard, zonder dat er een enkel Ver- Jchynzel is uit te fluiten, dan mag men zig ook wel werzekerd houden, dat die

4.

II2 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

Natuurlyke Oorzake genoegzaam getroffen zy: ja dan kan ook die uitwindinge ver- wolgens tot een grondbeginzel werflrekken woor verdere Gevolgtrekkingen, en ter werwerpinge van alle de daar van afwy- kende denkbeelden der Philofopben, In de drie eerfte deelen der Uitgezogte Verhandelingen, te Amftterdam by HouT- TUYN uitgegeven, vinden wy den Blix- em, het Weerligt en den Donder, door de Zlectriciteit, welke, als *t ware, de geheele Nature bezielt, tamelyk opge- helderd, En waarlyk! men ítemt het thans genoegzaam algemeen toe, alle de Verfchynzelen dier ontzagchelyke Verhevelingen, laten zig, op verre de beste wyze, door de bekende gewrog- ten van het Zledrisch Vuur verklaren, Zoo dat by gevolg, de neêrvallende en losbarftende Vuurbal van MUSSCHEN- BROEK, en de uit den grond opfchieten- de Blixem van MAFFEI, zoo wel alsde ontftokene yswolken van DE LA HIRE, en de misfelyke begrippen der Ouden, by SENECA vermeld, voor de Gevolg- trekkingen van FRANKLIN en NOLLET wyken moeten: vooral, daar de Proef- „neminge van Leiden die Gevolgtrekkin- ge heeft doen maken, en zoo, als ’twa- | Te,

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 113

re zelfs de onbekende oorzaak van Don- der en Blixem heeft uitgevorscht, of lies ver doen vinden. Wel nu, zou het dan niet geoorloofd zyn, zoodanige eene uit- vindinge , als een deugdelyk grondbe- ginzel , te gebruiken, en dezelve zoo hoog te waardeeren, ja hooger dan de beste Proefnemingen „om dât zy de eenvoudige Waarneminge en Ontdek- kinge is van het Vernuft ? Want de Redeneerkunde leert ons, dat de Znduc- tio alsdan volledig is, wanneer men er kan en mag byvoegen: nec datur disfi- mile exemplum: dat is, niemand kan my een voorbeeld van het tegendeel aanwyzen. Maar dan moeten ’er ook ettelyke en veelvoudige voorbeelden zyn ter toetfe gebragt. Trouwens in-dien vorm van redeneren bereikt de zekerheid hooger en hooger trap en magt van volflagene overtuiginge, naar gelang van de aan- groeijende menigte der voorbeelden, en van de duidelyke vertooninge van het verband, dat die voorbeelden hebben, met de Algemeene Stellinge, welke men betogen wil. Maar hoe menigvuldige en byna dagelyks vermenigvuldigende voorbeelden heeft men niet van Dons der en Blixem, welke alle, zonder on- iv. DEEL, H ders

TI4 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

derfcheid, als gewrogten van een Zleci trisch Vuur , alomme door den Damp- kring verfpreid mogen. en moeten wor- den aangezien?

Maon

Ziet daar dan ook het Derde Deel dér Vrage beantwoord en de voornaam- fte Regelen der Natuurkundige Gevolg- trekkinge kortelyk opgegeven. Ik ho- pe, dat dit voldoen zal, alzoo ik ette- lyke onderfcheidene lesfen , ter naarkoo- minge van elke Regel in agt te nemen, kortheidshalven, heb nagelaten in deze Verhandelinge in te eltien ; gelyk ik ook maar even, als met den vinger, heb durven aanroeren de Stokregelen der gezuiverde Kunst van Redeneren, voor zoo verre de Znduttio , of Gevolgtrekkinge uit-de Voorbeelden , met de uitterfíte omzigtigheid behoort behandeld te wor- den. Alleenlyk wil ik hier nog hebben aangemerkt, dat niet alleen de Werktui- gelyke en Willekeurige, maar ook de Gewone, Zonderlinge en W onderdadi- ge Verfchynzelen hunne byzondere ken- merken hebben : en dat zy ook, by het uitvorfchen der Oorzaken, elk op eene

ver-

VRAGE VOOR °T JAAR MDCELXXE 115

verfchillende wyze moeten worden ver- klaard. Verfchynzelen, in welke de Lichamen alleen te pas komen, zyn, gelyk van zelf fpreekt , onderfcheiden van die, waarin de Willekeurige Ziels- neigingen van menfchen of beesten het hare toebrengen. Want er valt gemak- kelyker oordeel te vellen over het op- _ klimmen der Dampen en Uitwaasfemin- gen in de Lugt en over het nederdalen der regendroppelen en fneeuwvlokken, dan wel over hee Noorderligt, de By- zonnen, de Staartftarren en foortgely- ke vertooningen , die zeldfamer voorko- men. Maar nog bezwaarlyker is het; de Wonderwerken , daar ons de H. Schrift eenige berigten van geeft, onder bereik van een Natuurkundig Onder- zoek te brengen. Evenwel dit zou wel dienftig zyn, wilde men op eene over- tuigende wyze uit de Wonderwerken op- maken, dat de Propheten eene Godde- lyke zendinge hadden en dus onfeilbaar waren, De Waarnemingen, welke ons de Gewyde Hiftorie daar van heeft na- gelaten, moeten in dezen ons dienen tot gronden van eene Godgeleerde Gevolg- trekkinge, Wy moeten onderzoeken, of alle ‚de Verfchynzelen, welke men 9, H 2 voor

IIÓ J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE

voor ware Wonderwerken gehouden heeft, waarlyk zoodanige geweest zyn? Er is niet aan te twyfelen, of de Waar- nemingen der Aloûdheid omtrent dezel- ve zyn getrouwelyk geboekt , en dus be- hoeft men aan de egtheid en duidelyk- heid dier berigten niet te wantrouwen: * geen voorwaar! by nader onderzoek ongemeen veel helpt. Ja maar de Oos- terfche Spreektrant en Digtkunde, mag ons niet misleiden: want volgens de- ze, en zoo is zy ook, is de gantíche Natuur eene aaneenfchakelinge van on- begrypelyke wonderen : en die wonde- ren worden , onder het oog van een god- _ vrugtig Natuuronderzoeker, allengskens nog dieper geheimen, onnafpeurelyker wonderwerken, naar mate, dat hy, in derzelver aaneenfchakelinge, verband en veroorzakingen, den verbazenden ryk- dom van Gods Almagt, Wysheid en Goedheid ontwaar word. En even daar- om mag een Christen zig noit vernoe- gen en ftyven in zyne onkunde, uit dat vooroordeel , als of het verwaarloozen van het onderzoeken der Natuur hem veiliger ware en hy zig, ten minften met _NIEUWENTYD €en DERHAM wel mogte te vrede ítellen, alzoo hem die Ee

eg

mike

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLSSXIIS 1177

de Schryvers, vooral indien er HERVEY word bygevoegd, genoeg opleiden tot verwonderinge en tot het herhalen van de bekende fpreuke des Digters ? Hoe groot. zyn uwe werken, o Heere? gy hebt- ze alle met wysheid gemaakt ! het aardryk is vol van uwe goederen! Want die' ver- wonderinge zelve verflaauwt, indien men niet telkens nieuweontdekkingen, waar- nemingen of proeven doet, waar door zy ververscht word en de eerbied voor den grooten Schepper , nieuwe kragten verkrygt. In het Boek der Nature zyn nog zoo vele bladeren, welke men of nog niet open gehad heeft, of ten min- {ten nog maar even heeft ingezien, zon- der den vereischten aandagt daar aan te koste te leggen, en ondertusfchen is elk blad met dat oogmerk befchreven, op dat wy er in lezen en er wysheid uit ha- len zouden,

Pedetentim, gradatim

circumfpelt, zt April 1772. AT:

B AOP

Bladzs118 |

OPLOSSING DER VR Ar Es Door het Doortuchtig Genootfchap van Vlisfingen opgegeeven ser beantwoor- dinge ; voor het Jaar 1772 D 0 0 R Y. PAP DE FAGARAS. SS

k weet niet te. zeggen , door welk IL noodlottig ongeval der menfchelyke kundigheid het bykoome, dat het too- neel der wysgeerte zoo menigwerf ver-

3 dîl-

Sil DAN //2 , Wi MZ Sedir, Me DN DAN RE AN 5 SA À a oak a Ni all, Ne

DISCUSSIO QUESTIONIS ab Ilfuftri Societate Scientiarum Vlisfingana

2E

Ne quo humane cognitionis fato fieri din LN cam, ut Philofophandifcena totigs hie ha aje Pek b ed r ; ù=

-

J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD €NZ, 119

andert?-* Lust my: der wisfelvallighee- den , „welke de kennisfe der Natuur, byzonderlyk , ondergaan heeft, als in ’t voorbygaan, te herdenken. Reeds fe- dert detydenvan Ariftoteles bloeide zy : toen was ’t eene gelukkige en guldene eew voor haar , in welke (zoo. % den Goden belieft) uitftekende uitvorfchers en handhavers der. waarheid , Leeraars., onder den naam van: Scholaflyken of Schoolgeleerden bekend, van zelfs en 207 der wet of regel , zonder Waar- en Proef- neemingen , hunne Natuurkunde beoef- fenden; wanneer ook-de vruchtbare ak- kers der Eilofofy , zonder ploeg of-egge te gebruiken, gul uitfchietende en on- overzienbare korenvelden van hoedanig- heden, van allerley {lag uitleverden, De

H 4 mees-

oale NM, weeen

Juvabit vicisfitudinum , quas fola Scientia Naturae lis fubiit, velut in tranfitu-meminisfe. Viguit, jam inde a temporibus Ariftotelis., felix ejus -et-aurea Prorfus aetas, qua egregii (fi Diis placet) verita- tis vindices, Doétores Scholafticorum nomine no- tis fporte fua, fine lege , fine obfervationibus „et ex- Perimentis, PhyGcam fham excolebant, et fertiles Philofophiae agri, non vomere vel aratro fcisf, largas qualitatum cujuscunque generis fegetes ef= fandebant, Somniando tum plyrimi peritisfimi Na-

tu=

x

12 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE

meeste en ervarenfte Natuurverklaarers kwamen al droomende , aan die be- kwaamheid, Want de hoofdfom en het pit der W'ysheid was toen daar in gele- gen, dat men, wanneer er zich by geval een Verfchynzel opdeedt, (want men zocht er niet zeer zorgvuldig naar) aan- ftonds, ter verklaringe van hetzelve, een niew foort. van hoedanigheden te ‘hulp riep en door. tooverwoorden van Af- keer voor ’tydel , Symphathie, Antipa- hie en diergelyke , de Gordiaanfche knoopen, welke de Natuur gelegd had, zeer gelukkig , als met eene heirbyl , doorhakte. Dus maakten de Filofofen beweginge genoeg, maar vorderden niets ter waereld, zy deeden veel en voerden niets uit , en zy verkogten, met een

à _mag-

ddie

ture interpretes evadebant, Summaenim, etcom- pendium Sapientiae erat: Phoenomeno forte obla- to, certe ankie non quefito, novum ad illud expli- eandum qualitatum genus advocare, et magicis, horrovis wacui, Sympathie, Antipathiee ,nominibus 5 gordios illos, quos Natura neétit, nodos, velat tenedia bipenni, felicisfime disfecare. Ita, mover bant equidem fe Philofophi , cognitionem tamen veritatis nihil promovebast, multa agendo, nihil pgebant, fumums Ct verba magna oftentatione di- vendebuar,

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 121

magtigen ophef , woorden zonder zaken. Onder deze harde dwinglandy'werden de Wetenfchappen gedrukt en zy zug- teden; maar eindelyk heeft haar CARTE- srus dat juk van verouderde dienstbaar heid afgeligt, en haar éen vaandel als ’t ware opgeftooken, om hem , tot het ver- krygen der Filofofifche. vrye denkens- wyze, te volgen. Want den dienst op- gezegd hebbende aan dien vadzigen hoop {nappers welke het leergeftoelte alom vervulde, gaf hy zich uit voor een leids- man en uitvinder eener werktuigelyke wyze van behandelinge der W ysbegeer- te, Hy deedt zyn best, om uit de be- kende hoedanigheid der ftoffe, welkede uitgebreidheid is, hare overige eigen- fchappen afte leiden ; en hy zocht wet- ten vast te ftellen, aan welke de licha- H 5 men

7 odd

Gemebant oppresfie dura hac Peripateticorum ty- rannide Scientie, fed excusfit tandem inveteratae fervitutis jugum, et ad libertatem philofophandive- lut fignum aliquod fustulie Cartefius. Relicta enim ignavailla , que cathedras oecupaverat , garrientium turba , mechanicze philofophandi methodi Ducem fe, et auftorem prebuit. Ex cognita itaque mate- rie qualitare, que extenfio est, reliquas ejus pro- prietates deducere , leges, quibus corpora in or” : 8

122 J:PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE

men, in hunne beweegingen , gehoorza- men, en verfchillende hoofdftoffen uit-

tedenken, om, uit derzelver onderfchei-

dene gedaanten en ingedrukte beweegin- gen, den oorfprong van ’tHeelal en de verfchillendheid ‘der verfchynzelen te verklaaren, Metregt mag hy zich dien lof toeeigenen , dat hy byna de eeríte was, die, ontwaakt uit eenen langduri- gen flaap waarin de voorftanders der wysheid zoo veele eewen lang hadden bedolven gelegen eenen aanvang ge- maakt heeft van de. wysgeerte met alle zorge en naarftigheid , op eene wysgee- rige wyze, te behandelen, Daar inech- ter heeft hy misgetast, dat hy er niet zoo zeer op uit was, om de Natuur te raadpleegen , maar dezelve veeleer , hoe zeer zy er dikwilsook tegen aan iced

SE)

bus fais obtemperant , ftabilire , elementa varia comminisci, ex eorum diverfà ftructura, et im- presfis motibus , Univerfi originem, ac phoenome- norum varietatem explicare conatusest. Idlaudis, jure meritoque fibi vindicat, quod primus fere, diuturno quo per tot fecula confopiti jacebant Sapientiae Antiftites, fomno excitatus, cum cu= ra, et induftria philofophari inceperit. In eo ta- men fuos manes pasfus est, quod mon tam Natu- ram

VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL, 123

de, te onderwerpen met geweld aan die wetten, welke hy haar met een aangee maatigd gezag van je doner py had. voorgefchreeven.. Hier-door is het by-

ekoomen, dat de Natuur , die veel fter-

er was dan onzen Filofoof , het groot gevaarte van zyn Natuurkundig Samen- ftel, dat hy opgebouwd had, gemakke- lyk heeft over hoop geworpen, - Even- wel heeft die zelfde Natuur de gedenk- teekenen van mans vernuft en verdien- {ten in hun’ geheel gelaaten: zoo datmen van hem; ale van eenen anderen Filofo- fifchen Faëton zou kunnen „zeggen : dat hy den wagen der-wysgeerte, van welken hy zich tot koetzier had aange- geven, gemend heeft, en, fchoon hy de teugels niet heeft kunnen houden «en bedwingen, dat hy , met al zyn ongeluk, echter de eer had van iets groots te hebe

ben durven onderneemen, E- aats

ram confulere ‚; quam illam , relu&tantem feepe , legí- bus , quas diktatoria poreftate fibi arrogata tulerat, fubjicere annifus est. Eo evenit, ut Natura Philo- fopho potentior , infignem Syftematis , quod exftrux- erat , molem facile demolita fit : ingenii tamen, et meritorum monumenta falvareliquit, utdeeo, ve= lut altero Philofophorum Phaëtonte dici posfit: Cur- rum philofophandi, cujus fe autigam profèsfus erat , erfì non tennit , magnis baren engidie aufis, Par

124 J. PAP DEFAGARAS ANTWOORD OP DE

Even gelyke zucht tot vryheid bragt NEWTON , de ware vader der Natuur- kunde aan, omde Wetenfchap , welker wisfelvalligheden wy verhalen , uit de wieg te nemen en verder op te kweeken ; maar zyne vlugheid van inbeelden” was onder een ftrenger bedwang, en hy had een doorkneed en allernaawkeurigst oordeel. Hy gaf zich meer uit voor een Leerling , dan voor een Leermees- ter der Natuur ; en hy was de eerfte der ftervelingen , (fchoon HUIGENS en KEPLER hem vry helder voorgelicht hadden) die de ware wetten der beweeginge uitvond, en-de-Proefondervindelyke Natuurkun- de in eene gelukkige echtvereeniginge met de Meetkunde famenpaarde, . Maar na dat-hy ettelyke verfchynzelen der

SE | ERE wac-

tatei

Par libertatis {ftudium, fed imaginandí licentiam feverius caftigatam, et confumatum judicium, ad Scientiam, cujus fata enarramus , e cunis fuis edu= cendam attulit , verus ejus parens , Newtonus. Discipulum enim Naturge potius, quam Magiftrum fe confesfus , primus fere mortalium (Hugenio ta= men Kepleroque , facem non obfcuram preferen- tibus) veras motus leges eruit, et experimentalem Phyficam cum Geomcetriaj foecundisfimo connubio copulavit, Postquam vero. varia Univeríi phoeno-

me-

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 125

waereld onder de gemeene wetten. der Aantrekkingskragt gebragt had, bleef hy daar ftille ftaan, als -aan het uiteinde des bekenden aardbodems, aan de pila- ren van Herkules; en hy liet, onbeflist, in midden, of men de werktuigelyke verklaringe van alle die verfchynzelen wel kon onderneemen, of verwachten, Niemand iser, die alle dingen naar waar- de heeft leeren beoordeelen , die ooit in twyffel trekken zal, dat déze groote man de Natuurkunde, welke noch met teedere fchooren onderfchraagd was, op een vaster grondflag van Wiskunde en Proefnemingen gevestigd heeft, en dat hy haar, die op zyn best van tichelen en brikken was opgebouwd, als een prachtig en fterk gefticht van marmer heeft nagelaaten. 5

e

NI lead Nele Ull

mena ad communes Actrationis leges revocasfet, in his velut columnis Herculeis fubftitit, idque an mechanica illarum explicatio tentari, vel fperari, debeat , in medio reliquit. Hoe nemo, qui res fuo pretio aeftimare didicit , in dubium revocaverit quod fcientiam Naturalem, tenui antea fulcro ni- xam, folidiori Mathefeos, et Experientie funda- - mento fuperftruxerit, eamque, quam vix laterici= am invenerat, marmoream reliquerit.

Suas

226 J. PAP DE FACARAS ANTWOORD OPDE

De onvergelykelyke LerBNrrz fpeelde , niet zonder veel gerucht en toejuichin- ge zyne rol op het tooneel der Natuur-

unde, zoo wel als op de tooneelen van alle menfchelyke kunften en wetenfchap- pen. Want alzoo hy ook eene uitmun- tende fchranderheid aanbragt tot het uit- vorfchen der Natuurgeheimen, ftemde hy daar omtrend met NEWTON geree- delyk in, dat de Natuur zelve naar ha- re eigene wetten moest ondervraagd en zy met de Wiskunde vereenigd worden. Maar in ’t bepaalen der Natuurkundige oorzaken, poogde hy die uitterfte grens- fcheidingen, welke NEw TON als ’*t ware ter ftuitinge der menfchelyke onderneem- zucht had gézet, te overfchryden, en de werktuigelyke wyze van filofofeeren , om

AD

$ A Wi le ez zeil Ni DEN (DD NN 7 Gs Suas, ut in omnis Eruditionis humane , ita eti= am in Phyfices theatro partes, non fine ftrepitu et applaufu egit incomparabilis, Leibnitzius. Excel- lentisfimum enim ingenium ad rimanda Nature fe-

creta ille etiam afferens, in eo facile Newtono

asfenfus est: ipfàm de legibus fuis esfe interrogan- dam, et eum Mathefi conjungendam. Sed in Phy- ficis rerum caufis asfignandis, ultimas illas, quas Newtonus humane induftriee quafi fixerat colum= nas, fuperare, et mechanicam philofophandi, vel

: om

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 127

om alle gewrochten uit de gedaante en famentftellinge der lichamen af te leiden, wederom in te roepen én op de baan te brengen; zoo dat hy, aan zyne vrucht- bare fchranderheid boven mate toegee- vende, en nederdaalende tot aan deeer- fte oorfprongelykheden der dingen, ein- delyk bezweek onder die moeilykheden, onder welke alle anderen voor hem be- zweeken waren. Menige uitmuntende zaken heeft hy te kennen gegeeven : nochtans begon hy meer {tukken, dan welke hy voltooien kon; en met dat al heeft hy, door zyn voorbeeld, raad en aanmoediginge veel nut gedaan. Dit alleen is er, tot ongemak der weten- {chappen , uit ontftaan: dat hy den ver- _maarden worF en bykans alle de ed en

Odie

omnes effettus, ex figura, ac ftruêtura corporum explicandi rationem, revocare conatus est, et fer tili ultra modum indylgens ingenio, ad primas us- que rerum descendens origines, illis quibus omnes alii diffieultatibus fuceubuit. Egregia multa monu- it, plura tamen agresfus est, quam perfecit , exem- plo, confiliis , adhortationibus multum profuit. Id folum feientiarum incommodo evenit: quod ita in- genii et auttoritatis fuae vortice Celebr, Wolfium, et omnes fere Germanix Philofophos abripuerit, ut

con-

128 j. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE

fen var Duitschland, zoo, door der draykolk van zyn vernuft en gezag , vervoerde, dat deze dienloopkring , wel- ken hy minder waarfchynelyk , dan fchrander befchreven had , als gedurige trawanten van eenen grooteren Planeet ftantvastiglyk volgden , als zoo veele leidftarren,

Na den dood van dit edel paar Filo- fofen, is de Natuurkunde onder eene verfchillende gedaante ten voorfchyn ges koomen, In Engeland en Nederland is de Newtoniaanfche W ysgeerte, met recht, altoosin de openbare {maak gevallen , en eindelyk, by vervolg van tyd, begon zy ook in Frankryk en Italien voor eene aangename liefhebbery te worden ge- houden, De wysgeeren van Duitsch- land , die LEIBNITZ volgden, hadden

meer-

NOAD PAL ANU DEU ENUDA PNI DA DAD Ker SRT cht ebr co kt ok sake ok ike of

continuo illi orbite , quam majori ingenio, quam verofimilitudine defcripferat , velut perpetui ejus fatellites adhererent. _- > Varia, post fata nobilis hujus Philofophorum pa- ris, facie, Scientia Naturalis apparuit. In Anglia et Belgio Newtoniana Philofophiafuo merito pu- blici faporisfemper fuit, et procedente demum tem- pore , in Gallia etiam , ac Italia in deliciis esfe coe— pit. Leibnitzium fequuti Germanie Philofophi, ge

VRÁGE VOOR °T JÁAR MDCCLXXIL. 129

meermalen die algemeene wetten van Aantrekkinge , welke zy wisten „dat, in de fchole der Newtonianen , voor algemee- ne hoedanigheden der ftoffe werden uit- gevent, fchamperlyk uitgelagchen, als wisjewasjes der {choolgeleerden; en er by, niet zonder verwaandheid, dikwerf verklaard, dat men die wetten uit de drukkinge eener fyne ftoffe verklaren moest; fchoon zy zelve dit nooit ter uit- voer bragten. Ondertusfchen heeft men het dank te weeten aan de oprichtigen van de Akademien der Wetenfchappen, dat de Filofofen „uitgenoodigd , tot het naâw- keurig aanleeren der Natuur, zoo veele niewe zaken hebben ontdekt; zoo veele; die noch duifter by de voorzaten bekend waren, duidelyker hebben ontvouwd ; IP. DEEL P « en

Ond

generales illas attraétionis leges, quas in Scholà Newtoniana , pro communibus mâterie qualita- tibus venditari noverant , velut Scholasticorui naenias feepius irriferunt, illasque, ex presfione fubtilis cujusdam materiae , explicandas estë fepius cum fupercilio monuerunt , nunquam tamen“ipfi preftiterunt. Id erettis interea Scientiatfum Aca- demiis acceptum ‘referendum est} quod“âd @Natu= ram accurtatius @discendam invitari Philofophi, tot nova detexerint , tot prioribus obfeure eognita, cla=’

ïis

230 J, PAP DE FAGARAS ANTW OORD OP DE

en eene Wetenfchap, die noch niets an- ders uittrichte, dan dat zy der niewsgie- righeid voedzel fchafte , zoo gelukkig- lyk „ten voordeele en tot gebruik van ons leven hebben toegepast. Wy eerbie- digen. met regt de onfterfelyke namen, dier groote mannen (fchoon wy over- vloedig. fchatten. dezelve hier op te noemen) en. wy wenfchen ons zelven geluk met de vorderingen, welken zy in die alleredelfte Wetenfchap hebben gemaakt : en echter worden wy ge- dwongen, om, in deze, de zwakheid van den menfchelyken toeftand te erken- nen dat noch. de Natuuronderzoekers, na dat zy alle hunne krachten vereenigd en hunne Îetteroeffeningen by een. gefa= meld hebben, geene gemeene endfchreef aan de loopbaan, op welke zy allen om

Prys tn

rius:explicaverint , et Scientiam , que folius curiofi- tatis pabulum videri poterat, vite ufibus tam feli- citer applicaverint. Magnis Virorum immortalium Cquos nominasfe fupervacaneum esfet) nominibus merito asfurgimus , et progresfus, quos in Scientia nobilisfima fecerunt, gratulamur: in eo tamen hu- mane conditionis infirmitatem, agnoscere cogi= mury-quod post conjunêtas licet vires, et colleéta ‚Ítudia , nondum communem aliquam metam ad quam Nature Serutatores contendere debeant , una- nl

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCL&X1, 131

prys voortftreeven, met algemeene be: ftemminge; getrokken hebben; Want hier over twisten de Hoofden der Filo. fofen en. de rechter moet er zyn woninis noch over flryken: te weeten, hoe verre men in het uitvorfchen van de oorzaaken der dingen voortgaan moge? en waar men eindelyk moet blyven ftilftaan? Of men uit de Proefnemingen alleen, voor zoo verre die onder eene Wiskunttige bereex keninge gebragt worden; zich moet laten onderrichten, en, langs dien weg, de wetten der beweeginge ontdekken? Dan of men ook moeite moet aanwenden; omde eerfte Natuurwetten, uit de in- wendige gefteldheid der lichaamen;, te werklaatem 210; zool zois D gode Dat nudeze twist , welke, als-doot een fcheidsmuur, de F A van onzen ae 2 ty

Stitt

x

nimi confenfu fixerunt, Certant enim de eo Phi- lofophorum Principes , ee adbie fab zudiea lis est; uousque in causfië rerum indagandis fit’ prqgredi- endum, et bi demum fubfiftendum? Num exfolis Expetimentië, caleùlo Mathematico' fubjettisisfupi= enduùiì, et ita legés motus detegende? Aut vero operd etiam-in primis Nature légtbus „ex iúteriori eórporanr ftruétura'explieandis eollocanda ? ‚Non vafäm esfehänc litem qu muro quódam

dia

132 PAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE

tydevan een gefcheiden houd, niet vol- ftrekt ydel zy, zal elk onpartydig beoor- deeler: gaarne belyden. « Want er-wordt gehandeld. over den weg, langs welken men veiligst tot in-de binnenkameren der Nature doordringt, welken deeze byna alleen-inde Proefneminge en: Wiskunde, gene ín gisfingen en, veronderftellingen , fchynente zoeken, Er: wordt gehandeld over de “omheinigen, binnen welke-zich een Natuuronderzoeker moet houden; en niemand is er, die niet weet, dat die beperkingen van dezen wyder;, en van genenvenger -gefteld. worden. > Derhal- ven kon er. niets gefchikter zyn voor de tegenwoordige gefteldheid der W'ysbe- geerte, dan dat het Doorluchtig-Genoot- fchap van'Vlisfingen ‚volgens den; drift,

DST OM „waat

h, y 7 NISPEN INDI bd ee sd

7

dividit eetatis noftre Philofophos , facile equus rerum arbiter confitebitur._ Aegitur enim de via, qua tutisfime ad Nature penetralia itur ‚quam hi in folis ijre experimentis ac Mathefi, illi in conjettu- ris ac-*hypothefibus quzserere, videntur.. Agitur de cancellis , intra quos Nature ferutator fe contine= re debeat , quos ampliores.ab.his, arftiores ab illis conftitui nemo nefcic, _Nihilitaque prefenti philo— fophaudi fcenze:accomodatius esfe potuit, quam quod illust. Societas Vlisfingana, pro€o, quo in Scien-

Per tLs

Ld

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 133

waar door hetzelve tot het uitzetten van de grensfcheidingen der Wetenfchappen wordt aangefpoord, in het openbaar de- ze vrâge ter oplosfchinge voordraagt: Mag een Natuuronderzoeker. uit-de reeds gemaakte waarnemingen en proefondervin- dingen verdere gevolgen trekken ter uit worfchinge van de noch onbekende oorzaken der-verfchynfelen? zoo ja, hoe verre mag hy daar in voortgaan, en welke regelen moet hy daar omtrent in acht nemen? En terwyl wy nu zullen overgaan, om dat Voorftel, zoo veel onze kragten toelaa- ten, met alle naawkeurigheid op te los- fchen, meenen wy, dat er ons vooreerst ‘veel aan gelegen is, dat wy alle kmi heid, welke de menfchelyke ziel van de Natuurgewrochten en hare Oorzaken be-

13 ___koo-

\ DAN ly NDA IN 4 , Bte

tiarum fines provehendos fertur, ftudio , publice hane Quettionem propofuerit difcutiendam : Num debeat Naturae ferutator, ex inftitutis gam obfervationibus, et experimentis , ulteriores confeqwentias ducere, ad incog- zitas phoenomenorum causfas detegendas, et fi hoc posfit, guousque ipfi progredì fit permisfum, et que fint illae regu= lae , que ipfi bec agenti incumbant obfervandae ? Ad hoc Problema ‚cum omni ‚quam vires noftre permittunt , accuratione , refolvendum jam accesfuri, id noftra _ primum etiam interesfe arbitramur, ut omnem il- lam, quam mens humana de rebus ipfis, earumque Caus=

134 J-PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE

koomen kan, uit hare eerfte beginzelen ophaalen.

Er is voorwaar! eene onuitdrukkely- ke, ja byna oneindige verfchillendheid van zaken onder de byzonderheden, wel- ke in dit Geheelal voorvallen ; en echter zal ieder ligtelyk befpeuren, dat er vele gewrochten, als met eenen band , famen verbonden worden, en dat het een ver- fchynzel uit het ander, volgens eene {tantvastige geboortewet, voortgeteeld, wordt, Onder ’t gemeen is bekend, dat de wind wordt voortgebragt door dam- pen, welke door de warmte der zon in den dampkring zyn opgeheven, en dat, door hun aandryven, de wolken in re- genvlagen opgelost, en door dien ed | eis

NN DN hee he se

causfis acquirere potest cognitionem , a primis ejus initiis repetamus.

Immenfa profeéto est corum, que in hac Univer- fitate contingunt, varietas , ac prope infinita ; plures tamen efteétus , communi quodam vinculo, inter fe colligari, unumgue phoenomenon , exalte- ro, Conftantí nascendi lege procreari, facile unus- quisque deprehendet. Vaporibus calore folis , in atmosphaeram elevatis , ventum excitarl , eorum

I=

VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXL 135

de planten verfrist en de lucht gezuiverd worden.

Evenwel wy leerden door de ondervin= dinge, dat er zich eenige gewrochten op- doen , zoo die dikwyls, als die zeldfaam voorkoomen, welke niet gemakkelyk te fchakelen en uit dezelfde wetten te ver- klaaren zyn, Door ons gezicht weten wy ; dat lichamen , aan hunzelven overgelaa- ten, in eene loodlyne richtinge tot den gezichteinder, nedervallen, en dat de

wateren der zee, op eene zekere manier,

nu aanvloeien naar, en dan wederom af- vloeijen van de ftranden ; maar niemand der ouden was het in zyn verftand ge« komen, dat die verfchynzelen, welke , by den eerften opflag van het oog , zoo verfchillende zyn, Gn volgen uit een

4 en

tnt

impetu nubes in pluvias refolvi, his plantas recrca- ri, aêrem depurari, in vulgus notum est.

Dari tamen effetus quosdam, obvios aeque, ac rariores, qui non facile vel inter fe conneéti, vel ex iisdem legibusexplicari posfint , experientiaedo- cemur. Corpora fibi permisfa, dire&tione ad hori- zontem perpendiculari , verfus terrae fuperficiem cadere, itemque maris aquas, certa quadam ratio- ne, ad lictora nunc affluere, mox refluere, vifu cognoscimus, fed phoenomena haec , primo intui-

„tu tam diverla, ex uno , eodemque gravitationis

unal-

136 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE

en het zelfde beginzel der Algemeene Zwaartekragt.

__ Nochtans zal elk Waereldbefchouwer, die eenige verhevendheid van geest bezit, gemakkelyk bevroeden, dat ook die din- gen, welke niets onder elkanderen fchy- nen gemeens te hebben, eenigzints mis- fchien famenhangen; dat ook de ge- wrochten, die zich zeldfamer opdoen , in den fchakel der Oorzaken en Gewroch- ten, mogelyk wel eenige plaats vinden, fchoon die wat afgelegen mogt zyn; dat dit Geheelal maar een eenig werktuig is, welks edelfte verrigtingen, volgens de- zelfde wetten, afloopen ; dat er eenige fchakelen zyn van de natuurlyke ketting, welke de duiftere verfchynzelen met de duidelyker bekenden, en de zeldfame

met

tst

univerfalis principio fequi, nemini veterum per=

fpeétum erat. Facile tamen eretioris ingenii Univerfi fpeéta- tor fufpicabieur , forte ea etiam, quae nil commu- ne inter fe habere videantur, aliquo modo coheere- re, effetus etiam rariores , locum aliguem in cate- a causfarum, et effetuum , licet remotiorem vel oecultiorem, obtinere, esfe hoc Univerfum u- nam quandam machinam , cujus nobiliores funétio= nes jisdem legibus peragantur, dari quasdam natu= Ta=

hd VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI, 137

met de meerwerf voorkomende, ver: knochten. „En in deze meeninge wordt hy van dag tot dag, door niewe waar-

nemingen, meer en meer bevestigd. Door dit edel vermoeden opgewekt; begonnen veelen het tooneel van “deze waereld naawkeuriger te begluuren. Zy achtteden het van hunnen pligt te zyn, niet alleen opmerkzaam toe te luisteren, alsde Natuur eenige byzonderheden van hare geheimen, ongevergd verhaalde; en dan, al wat zy hoorden, met malkan- deren te vergelyken, en er niewigheden uit te haalen; maar ook, wanneer zy zweeg, haar te ondervraagen, en als zy niet gul genoeg antwoordde, haar met ondervragingen, welke met keurigheid en fchranderheid waren opgefteld, in | 5 _naaw

dre

ralis catene anfas, quae obfcuriora cum claris, ra= riora cum obviis, conneêtant. In hac deinde opi- nione , novis obfervationibus captis , magis , magis- que, in dies confirmatur.

Nobili hac fufpicione excitati plurimi, inceperunt hoe Univerfi theatrum accuratius contemplari, Non folum icaque Naturam , quedam de fuis fecretis fponte enarrantem, attente audire, audita inter fe conferre , nova ex iis elicere; fed et eandem filen= „tem inrerrogare, non fatis fincere refpondentem ,

N qur=

af 18 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE

naauw te brengen „en ter beantwoordinge uit te lokken; en ook uit die dingen, welke zy, uit eigen welgevallen, of na herhaalde ondervraginge, uitte, met ee- ne fcherpzinnige gisfinge, zulke gehei- men op te maaken, welke zy, hardnek- kig en wel beraaden, zocht te verzwy- gen: 5:

Op deze wyze hebben, ten laatften, aandachtige en oordeelkundige leerlin- gen der Natuur kennisfe gekreegen aan zoo veele , voormaals onbekende, foorten van gewrochten,. welke elkaar in een zekere orde opvolgen, of die aan mal- kanderen vermaagfchapt zyn. Hier van daan «koomt het, dat men, van aloude tyden af, waarneemingen gemaakt en die dikwyls herhaald heeft: hier ne

aan

tin

quzftionibus cum deleêtu et ingenio inftitutis , circumvenire, et ex ijs, que vel fuo lubitu, vel frepius interrogata protulit, ea etiam , quee obftina- to confilio reticere nititur, fugaci conjeêtura collie gere, fuarum esfe partium putaverunt.

Hac demum ratione, attenti, et folertes Naturae discipuli „tot anteaincognitas eftettuum vel certo fi- bi ordine fuccedentium, vel eognatione conjunéto- rum familias cognoverunt. Capte inde ab antiquis temporibus obfervationes ; egedemque fiepius repeti=

tac,

VRAGE VOOR °T JAAR MDECLXXII, 139

daan, daten, met kunst, proefnee- mingen gedaan, dat men door behulp der waarneemingen (niewe wetten van beweginge ontdekt en door proeven nies we werktuigen heeft uitgedacht, en dat men door die wederom veele dingen aan * licht gebragt , en de harmonifche over- eenftemminge van alle zaaken uitgevon- den, en ook die, welke noch twyffelach- tig konden fchynen, zoo lang voor waar gehouden heeft, tot dat zy , door veler- hande proefnemingen bewaarheid, eene plaats, onder de zekere en beweezene waarheden verkreegen. _ Waarlyk men is aan deze wyze van filofofeeren verfchuldigd, dat men de onderlinge verbintenisfe der dingen, wel- ke in dit Heelal gebeuren, begreepen hebbende, thans de verfchynzels, elk on-

linten

tae, infkituta cum arte experimenta; eorum ope novae motus leges deteftae ; harum auxilio, nova inftru- menta excogitata; his multa iterum, in lucem pro= trata , harmonicus rerum omnium concentus detec= tus; ea etiam , quae dubia videri poterant, pro ve- ro tantisper habita, dum variis experimentis con-

firmata, locum inter certas veritates obtinerent, Huic profeéto philofophandi methodo acceptum referendum est, quod mutua eorum, que in hoe Univerfo eveniunt, affinitate perfpeta; phoenoe mee

14 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE

onder zyne foorten en rangfchikkingen ; welke doch niet zeer menigvuldig zyn, gebragt, en de geflagtboomen der na- _ tuurlyke waarheden, tot aan hunne eer- fte beginzelen en wortelen toe gelukkig- lyk gevolgd heeft en opgefpeurd, Heden is het openbaar, * geen den ouden niet eens in de gedachten kwam, dat door „eene en dezelfde wet der byna algemee- ne Aantrekkinge, de zwaare lichamen naar het middelpunt der aarde gedron- gen; de Planeeten binnen hunnen loop- kringen gehouden „de vochten in de hair- buizen opgeheven worden, en dat het licht „als het in een dichter of ylder door- fchynend lichaam valt, geknakt wordt. Het ftaat, ten onzentyde, by alle wys- geeren vast, dat dezelfde veerkragt der luchteene blaas, welke men aan het vuur

brengt,

Baer

mena in fuas clasfes easque non ita multas, fint relata, et genealogicae naturalium veritatum tabu- lae, ad prima usque principia feliciter perduêtae. Patet hodie, quod antiquis ne in mentem quidem veniebat , una eademque fere uuiverfalis attratio- nis lege, gravia ad centrum terrae detrudi, plane- tas in orbitis fuis contineri, fluida in tubis capillari- bus attolli lamen in medium denfias rariusque in- cidens refringi. Conftat noftro tempore inter om- nes „eandem-aëris elaftioitatem veficam igni admotam

ex-

VRÁGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXII, 14E

brengt, uitzet, eenen kogel uit een {nap- haan of luchtroer uitfchiet, de kwik in- den Luchtzwaarteweeger doet ryzen, en dat zy zich , byna in alle verfchynzelen, welke op den aardbodem voorkomen, inmengt. |

Hier door verkrygt men dit voordeel; dat, alzoo er zoo veele en zoo verfchil« lende gewrochten, uit eenige algemeene wetten, verklaard worden, ook de een- voudigheid, zoo wel als de duidelykheid der Wetenfchap daar. door bevorderd wordt ; want die algemeene wetten zyn als zoo veele brandpunten, waar in alle de ftraalen der natuurlyke waarheden, welke, als door het Geheelal verfpreid, de oogen ter naawer nood-met een flaaw- lichtje troffen, famen. gebragt worden, Mot en

tdi

à *. ZON

expandere , globum e felopeto pneumatico ejicere,

mercurium in barometro attollere , et omnibus fes

Te, quae in orbe terrarum contingunt, phoenome- nis immifceri,. irr „Hoe modo obtinetur, utdum tot, tamque diver-

fieffeétus, ex legibus aliquot generalibus explican=

tur, Scienttae fimplicitati aeque, ac: claritati con=

falatur; funt enim eae totidem velut foci, in qui=, bus omnes veritatum naturalium radii, qui in toto, antea difperû univerfo, vix debili quadam luce ocus

À n 8 zt los’

\

142 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE

en dus vereeriigd, en op eenc.gefchikte wyze, in de oogen der ziele binnen ger laaten, ons de beeldkennisfe der geheele Natuur, met levendige verwen afgefchil- derd, ter befchouwinge aanbieden, Ze kerlyk die kundigheid mogt met regt voor allervolkomenfte gehouden worden, welke in een eenig beginzel beftaat, dat volmaakt gekend-is, en dat alle waarhe- den influit, ROIOW, LIRBLITAH AN

Edoch de Natuur fchynt. heláas! al te afgunstig, met veele moeite te beletten; dat geheimen, welke zy verdonkert, zoo ligtelyk niet gekenden de wetten welke zy volgt, zoo gemakkelyk niet ontdekt worden. Zy verandert daarom ,.nu en dan, van gelaad; dan koomt zy eens te ‘woorfchyn met een listig aangezicht, dat RER, f - men

tnt n

Jos feriebant , colliguntur colleétique® ac in men- tis oeulos lege debita immisfi, totius Naturae ima- ginem , vivis depictam coloribus „nobis contemplan- dam: offerunt. Ea certe cognitio, pro'omnibus nu- meris abfoluta, jure haberi debet, quae uûo folo principio, fed perfeCtisfime cognito ; oftnesqüe ve- ritates includente continetur. shed ed …-Ipfa tamen. Natura; wimiseheuT ifvidä, magno conätu videtuúrimpedire, ne fecretàquêe premit, tam facile eognoscantur, legesque, quas fequúitur , dete= gantúr. Mautat itägue-fubirtde vultumt, nunc-fronte

ap=

VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI. 143

men Gezichtkunde noemt, en dus brengt zy onbedagtzaamen tot dwalinge, Straks neemt zy eene andere gedaante aan, die wel hare ware gedaante is, maar Zoo onder eenen fluyer verborgen, dat zy zonder fcherpziende oogen van redeneer- kragt, onmogelyk te bezien is. ‘Terwyl zy met een bedriegelyk aangezicht te voorfchyn koomt, vertoont zy in % zel- ve den hemel, als een hol halfrond, dat met fterretjes, die even verre van ons allen afzyn, bezaaid en befchilderd is, de zon als in eenen kring rondom den aardbol draaiende , en zy maakt het gee meen diets, dat de Planeten voortgaan, fluks op eene plaats blyven ftilftaan, en eindelyk, den weg, welken zy reeds had- den afgelegd, wederom te rug komen;

en

Sted

apparet fubdola, quae Optica appellatur , et incautos inerrorem inducit. Mox fumit alteram, veram-qui- dem , fed ita objefto velo occultatam, ut non nifi acutis rationis oculis , cerni posfit. Dum fallaci-fa- cie in medium prodic, in hac, Coelum inftar caví alicujus hoemispherii, ftellulis , eodem a nobis: in= tervallo diftantibus , diftin&i, depiétum nobis ex= hibet ; folem: circa terram in gyrum verti, Planes tas nunc ire, mox eidem loco alligarï’, tandemque viam, quam emeníi erant relegere, vulgw perfua= i det et ita miris nos praftigiis deeipit. De

8

\

T44 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE

en zoo bedriegt zy ons met wonderlyke: toovergreepen en beguichelingen. Maar, gelyk de Cretenfer. Visnymf Ditynna, zoo wordt ook deze kwaade ftiefmoeder in haar eigen wargaren ge- vangen: want zy is het met zich zelven nieteens, zy fpreekt tegenftrydigheden : en terwyl zy daar eeniglyk op uitzis, om hen met leugens te bedodden, die haar al te keurig naar hare geheimen onder- vraagen, is zy, met dit al, zoo weinig op hare hoede, dat zy zelve deswaar« heid aan den dag brengt. Want daar

de fchrandere Filofoof, in de trekken.

van haare tronie, eenige teekenen van bedrog opmerkt, begint hy fluks hare woorden en antwoorden met elkanderen onderling te vergelyken. Hy brengt zich

in

edet rt

At quemadmodum Cretenfis Dito , ita maligna haec noverca, fuis dolis capitur, fecum n@mpe díis- fidet ipfa, pugnantia loquitur, et dum id unice a- git „ut curiofos nimium fuorum fecretorum percunc= tatores mendaciis fallat , veritatem incauta pro- dit. Dum enim folers Philofophus expresfas in oris lineamentis fraudum notas animadvertit mox ejus dia diftis, refponft refponfis , conferre inci= pit, et ex iis, quae antea fponte , cum nondun de-

cipiendi animus ipfi erat, enarraverat, in memori- _

am

Erp wr ve

4

_ VRAGE VOOR °T JAAR MDCELXXI, 145

in gedachten, *t geen zy verhaalde, toert hy zelf noch geen bedriegen in den zin hadt, en nu haar van vals fpreeken over- tuigd hebbende, brengt hy haar onder {trenger onderzoek; en denkt bekwame werktuigen uit, om ze te pynigen; Ver- volgens de otmftandigheden van zaken rypelyk overwegende, ontdekt hy ein- delyk, met een vernuft, dat tot in de verholenste fchuilhoeken . doordringt, niet alleen alle hare bedriegeryen en lis- ten, maar ook de manier en kunstjes, met welke zy ons misleid en voor ons veinst: ja zelfs wikt en bereekent hy de- grootte van haar bedrog, en brengt het onder het bereik van pasfer en cyfferinge. Inde daad, door zoo groot eene kunst, worden alle de miswyzingen van ’% ge-

IV: DEEL K zicht,

Si NIN NR ON NI 2 ED

revocatis, eam doli convictam , queftioni fubjicit excogitatis aptis ad hoc inftrumentis torquet, et expeníis accurate rei circumftantiis, penetrante in occultiora ingenio, non ipfos tantum ejus dolos„ fed et rationem, qua nos decipit, et quas adhibect

_fimulandi artes detegit, ípfamque fraudis, qua

utitur, quantítatem, circino et calculo fubjeétam onderat, fupputatque, Tanta certe arte, ex olo angulo optico, et unica reflexionis ac refrac= tonis lege, omnes vel vifionis fallaciae vel iridis ly=

T46:J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE

zicht, -alle de fpeelingen des tegenboogs, alle Bte der fpiegels en vee orootslazen verklaard; mits men er al- léen ‘defi gezichtshoek en de eenige wet der "frraalbuiginge en ftraalknakkinge byvoege. Langs dien weg worden de ware tegelen der hemelfche beweegin- geti’ klaar ten toont gefteld, en wel uit verfchiynzelen, die ín den hemel voorval leven, naar den uitterlyken fchyn, te- gen @lkanderen ftryden. ‘Geen dan ván.dit heuggelyk gevolg is, dat de Na- tuur ‘van ‘haar momaanzicht beroofd worde en dat wy hare ware gedaante aanfchouwen kunnen,

Deze is de ware weg, langs welken men veilig mag voortgaan, om van de géwrochten tot de oorzaken op te klim- meén, Want het aanwyzen en digen

ef

nende

lufus, vel fpeculorum, lentiumque fraudes expli-

cantur, tam eleganter, ex varlis que in Coelo

contingunt phoenomenis, fibi iVicem in fpeciem

contrariis, verae motuum coeleftium fegulae de-

teguntur, ut detrafta jam Naturae larva, veram ip=" fius faciem posfimus contemplari.

Haec est vera illa via, qua ex effeétibus ad eorum Causfas, quam tutisfime „itur. Non profeCto fuavia mentis (omnia pro Naturae legibus obtrudere, fed

ne

VRAGE VOOR’T JAAR MDCCLXXT, 14%

der oorzaken van de gebeurtenisfen des Heelals is daar niet in gelegen, dat men aangename droomen van % vernuft ie- mand, voor Natuurwetten, opdringe; of het geheugen overftelpe met eene ru- we en ongefchikte menigte van proefne- mingen: maar hier in beftaat het eigent lyk, dat men, met oordeel en verkiezin: ge, te werk gaa, in het doen der proef nemingen, dat mert die, op verfchillen- de wyzen, met elkanderen vergelyke, en dus de algemeene wetten der bewees ginge en de eigenfchappen derlichaamen ontdekke: wyders, dat men,” uit -het geen dus reeds bekend geworden was, afleide *t geen tot hier toe moeilyk te verklaaren fcheen ; dat men de fchynba- re uitzonderingen, die dikwyls voorko-

K 2 men ,

bi

neque rudi et indigefta experimentorum mole , me- moriam obruere, verum illis, eum dele&tu et cera to confilio-inftitutis, vario inter fe modo combina= tis, generales motus leges ac proprietates corpo= rum detegere, ex his jam cognitis, ea etiam, que explicatu difficilia videri poterant, deducere, ‘ex« ceptiones, quae faepé contingunt, apparentes, explicare, occafionem ad nova inftrumentä compo- Denda captäre, his iterum ad experimenta nova, eum -firecesfu applicatis, alias motus leges, pro=

: prie=

148 J;PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE

mên;-oplosfche; daf men de gelegen: heid waarneeme, om niewe werktuigen toe -terftellen: dat men die al verder, tot niewe, proefneemingen, bezige; en dus „als het wel gelukt, niewe wetten en eigenfchappen der lichaamen uitvinde, of dat;men de naawere verbintenisfe der verfchynzelen waarneeme;, de laatfte metde: middelfte en. de middelfte met de gerfte verbinde, en zoo op den lad- „der „der,-oorzaken en gewrochten van flap tot ftáp hooger en hooger dagelyks -„Zoo: wordt er ten laatfte een fchoon famenftel van Natuurkunde uit. „opge- bouwd;-ter voltootinge van het welke de Wysgeer, de Meetkunftenaar en de bloote. toekyker -elkanderen onskahne | e

vennen mu

prietatesque- corporum detegere, vel arctiorem phoenomenorum connexionem obfervare, extrema cum mediis, media cum primis colligare, €t ita in fcala causfarum et effettuum non Interruptis gradibus, altius in dies progredi: hoc demum est veras eventuum hujus Univerfi causfas asfignare. Ita demum pulchrum aliquod Scientiae Naturalis Syftema extruitur, ad quod felicius abfolvendum, mutuasfibi praeftant operas , Philofophus, Geome- tra, et Empiricus. Hic prima ponit GE a

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI; 149

de behulpzame hand bieden. De een: voudige Waarneemer. legt de eerfte grondvestingen en brengt de bouwftof-

fe, ter oprichtinge van het huis van nooden , by een, De Meetkunftenaar

legt de fondamenten vast, en zet er het gevaarte op: en de Filofoof voegt alle de deelen in eene fraaje order famen , vult de ledige vakken aan en draagt zorge, zoo wel voor het fieraad, als voor het gemak der wooninge.

Op dat men ons niet verdenke, dat wy dit zonder grond zeggen, voegen wy er een voorbeeld by. De bloote

“waatneemer bemerkende, dat de voch-

ten, in een vat beflooten, zich naar de lyn van den gezichteinder, of het wa-

terpas, fchikken , legt, als *t ware, den

grondflag van het werk. De Wiskun- Heb K 3 fte

OND (PAD Bi ss Sad

at et aptam aedificio quaerit materiam , Ifte funda- mentum firmat, et operis molem illi fuperftruit, Ille diverfas ejus partes eleganter conneétit, in- terititia replet, et ornatui, aeque , ac commoditati

confulit.

Ne gratis hoc dixisfe videamur , exemplum addi- mus: fuida vafi inclufa, ad horizontalem lineam fe

_componere, obfervans Empiricus, hanc quafi bafin _operi ponit. -Totam Hydroftatices molem,. in hoc

fun-

250 CPAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE

{tenaat' zet het geheel gevaarte van de Waterweegkunde op dezen grondflag neder, en betoogt de regelen van het evenwigt; maar de Wysgeer ziet naaw- keurig toe, hoe en op wat wyze, die wetten uit de gedaante en het famenftel der vloeiftoffen te verklaren zyn, of hoe men andere Verfchynfelen der Na- tuur onder deze wetten brengen kan. Middelerwyl, daar de waarnemer zich verwondert, als de Theorie aan de on- dervindinge niet volkomen beantwoordt , of dat erin de Vloeiftoffen iets gebeurt, 2 geen uit de gemaakte wetten en rege- Jen niet kan worden afgeleid, valt hy van zelfs op eene niewe eigenfchap der -vloeiftoffen, (te weeten op de veerkragt der lucht) deze onderzoekt de Wiskun- ftenaar en leid er veele andere waarhe-

den

, BNI PEN\II2 endet

fandamento collocat, et regulas aequilibrii demon- ftrat Mathematicus, quomodo vel hae leges, ex fivura ac ftrutura fluidorum, explicari , vel alia Naturze phoenomena, ad illas revocari posfint difpicit Philofophus. Interim, dum vel theoriam experientiae non accurate refpondere, vel quaedam quae in fluidis eveniunt, ex his deduc1 non posfe miratur, in novam aliquam fluidí propretatem (puta aëris elafticitatem) incidit ille, hanc B

7 D

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXKIL, 151

den uit af; maar de Filofoof vorscht uit, hoe zoo veele eigenfchappen onder el kanderen famen hangen, of daar, toe {trekken , om andere zaken, omtrend welke hy voormaals gedubt had te doen begrypen, en zyne niewe uitvindingen past hy toe op een voordeelig gebruik; in *t menfchelyk leven, of op het ver- vaardigen van niewe kunsttuigen, |

De meeste Wysgeeren onzer eewe koten daar in overeen, en zy zeggen uit eenen mond, dat het de eenige ma nier is, om van de gewrochten tot de oorzake op te klimmen, als men door Waar-Proefneemingen en Mathematifche betogingen de ware eigenfchappen der

K 4 lichaa-

oe aal ala Í, edt

nat, et multas alias veritates, ex illa deducit Ifte; Hic vero, quomodo, vel tot qualitates, vel inter fe cohaereant, vel illis, in quibus antca haeferat, intelligendis inferviat , difpicit , easque vitae ufibus Et machinis inveniendis applicat.

Confentiunt in haec praecipui feculi noftrí Phí- lofophi, qui uno omnes ore asferunt, eam folam esfe ex effeCtibus , ad eausfas afcendendi rationem, qua, per obfervationes et Experimenta ac de- monftrationes mathematicas, verae corporum pro-

prie=

152 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE

lichaamen en de wetten van beweeginge ontdekt, en daarna, uit de zelve, alle de veranderingen van % Geheel al, in Overeenkomfte met de famentftellinge en aard der lichaamen, verklaart, Dit zou alleen fchynen in twyffel te kunnen ge- trokken worden, of men er ten vollen in berusten moet, wanneer de verkla- ringe van een verfchynzel tot de alge- meene wetten van beweeginge en de ei- genfchappen der lichaamen, door proef- neemingen, is gebragt geworden? Dan of dezelve (gelyk veele {taande houden) niet eerder tot hare volkomenheid ge- bragt zy, voor. dat men uit de gedaante der lichaamen, hunne gefteldheid en onderlinge werkinge op elkanderen, verklaard hebbe, waarom aan hun de-

ze

Kd ehs des se prietates et leges motus deteguntur, et ex is omnes Univerfi mutationes , ftruêturae corporum ac indoli. convenienter, explicantur. Illud folum dubium videri posfit, num phoenomeni alicujus ex- plicatione ad generales motus leges et proprie- tates corporpm, per experimenta deteétas, per= _ducta, plena et adaequata ejus ratio habeatur? Vel potius (quod multi contendunt) ea non prius petr= eéte reddita fit, donec clare ex corporum figura, Aruêtura mutpaque jn fe invicem operatione fuerit KERS ASOR EI ET uE BATEN

VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 153

ze eigenfchappen meer toekomen dan anderen: waarom zy in hunne beweegin- gen niet zoo wel aan deze, dan wel aan verfcheidene anderen onderworpen zyn? Zoo, by voorbeeld, als men het hangen van de kwik in de buis van Torricellius , uit de veerkragt der lucht, verklaard heeft, meenen fommige wys- geeren, dat zy de volledige oorzaak van het verfchynzel hebben. opgegeeven; maar anderen zeggen daarentegen, dat er geene voldoende reden van gegeeven wordt, dan wanneer het duidelyk, uit de gedaante en geftalte der luchtdeelen, en, uit de inwerkinge van eene zekere fyne ftoffe, verklaard wordt, waarom der lucht eene veerkragt meer toeko- me, dan niet? Het daiirhich Genoot- K fchap

bd ee a dd

explicatum, cur illis hae proprietates competant potius , quam aliae? cur his magis legibus in fuis motibys , fubjeéta fint, quam diverfis quibuscun- que? Ita profeéto fufpenfione mercurii, in tubo Torricelliano , ex elafticitate aêris explicata hi qui- dem adaequatam phoenomeni causfam fe asfignasfe -putant; ili, non prius, rationem ejus reddi con- tendunt, quam diftinte, ex figura aëris et ftruc- -tura, et operatione fubtilis cujusdam materiae fue- tit explicatum, cur aëri competat potius elaftici- . tas

154 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE

fchap fchynt de oplosfchinge van dit verfchil te vorderen, wanneer het vraagt Boe werre men in het ontdekken der oor- gaaken moet voortgaan?

Om nu niet voorbarig iets vast te ftellen omtrend een Gefchil, dat de voornaamfte Filofoofen heeft bezig ge- houden; zal het noodig zyn, dat wy de eigenfchappen der lichaamen, zoo wel als de wetten der beweegingen, on- der twee foorten brengen. Onder de eerfte rangfchikkinge komen de eigen- {chappen , welke allen lichaamen gemeen zyn,de Uitgeftrektheid „de Ondoordring- baarheid en de Werkledigheid, als ook de werktuigelyke wetten van beweegin- ge, gelyk deze twee van Newton zyn: De lichaamen blyven in hunne flaat van

rus-

eee

tas, quam non? Hujus jam controverfiae excusfi- onem flagitare videtur Illuftris Societas „dum quae- rit: Ouousque in Causfis detegendis fit progrediendum ?

Ne quid itaque praecipitantius, de Controverfia, quae principes exercuit Philofophos, ftatuamus , oportet, ut in duas clasfes tam proprietates corpo= rum, quam leges motus referamus. In prima com- parent proprietates , omnibus corporibus commu- nes, Extenfio, Impenetrabilitas et Inertia; item- -gue leges motus mechanicae , quales funt Gat illae

CWe

_ VRAGE VOOR °T JAAR-MDCCLXXII. 155

ruste, of van: rechiftreekfche beweginge en aan de dadelyke werkzaamheid is de tegenovergeflelde wederwerkinge _gelyk. Hier toe behooren ook de regelen van de wryvinge der lichaamen, van de fa- menftellinge, van de beweeginge en van het evenwigt, van zelfs voortvloeiende uit de gemeene eigenfchappen der lie chaamen, welke zyn de werkledigheid en de ondoordringbaarheid, Deze eigen- _fchappen hebben de lichaamen, en dee- ze beweegings wetten volgen zy, uit kracht van het wezen, dat hun toekoomt; zoo dat niemand reden vraagen zal, waarom die aan de lichaamen toekoo- men? ten zy hy teffens vraagen wil, waarom een kring rond zy? '

51 Tot ddr

Newtonianae: Corpora permanent in flatu fiso quieftendì „wel movendi uniformiter in diretum itemqne Alioni ae- gualis et contraria est Realtio, Huc etiam pertinent __regulae collifionis corporum , compofitionis motus, et aequilibrij, ex communibus corporum proprie= tatibus , inertia ac. impenetrabilitate, prono alveo profluentes. Has proprietates habent ‘hasque le- ges motus fequuntur corpora, vi esfentiae fibi de bitae, ut adeo rationem, cur eadem corporibus competant? fibi reddi nemo poftulet, nifi eadem opera quasrere velit , cur circulus fit rotundus?

de

156). PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE

Tot eene andere rangfchikkinge bren- gen wy die eigenfchappen, die aan ee- ne byzondere foort van lichaamen eigen zyn, als by voorbeeld de veerkragt, hardigheid, vloeibaarheid, enz, als ook de algemeene wetten der zwaarte, van veelen voor algemeene eigenfchappen der lichaamen gehouden, maar noch van niemand uit de ondoordringbaar- heid en “werkledigheid verklaard, Dit is uitgemaakt, dat de verfchynzelen, welke in ’*t Heelal voorkomen, niets anders zyn, dan noodzakelyke gevolgen der algemeene wetten van beweeginge (zoo wel van het werktuigkunstige, als van die der algemeene aantrekkings- kragt) zoo als dezelve {trooken met de byzondere gefteldheid en aard a ou

aa-

nti

Ad alteram clasfem reducimus, proeprietates pe- culiari tantum eorporum clasfi proprias, quales funt elafticitas , durities, fluiditas &c: itemque gene- rales univerfalis gravitationis leges, a multis pro communiíbus corporum proprietatibus habitas, fed a nemine ex impenetrabilitate , ac inertia explica= tas. Illud in confesfo est, phoenomena quae in Univerfo eveniunt, nihil aliud esfe, quam feque- las generalium motus legum (tam illarum mechani- carum, quam harum attrationis univerfalis) neces-

Ì ie

‚_VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 157

haamen. En daar over is ook geene de geringfte twist onder de Filofoofen, dat de hoedanigheden der lichaamen, voor zoo verre die alleen aan eene by- zondere foort eigen zyn, op zekere, fchoon dikwerf onbekende, wyze, fa-, menhangen met het inwendig geftel en werktuigelyke famenbindinge der dee- len, zoo dat het tegen de natuur der zaaken niet ftryden zou, als er eene werktuigkundige verklaringe, uit de by-- zondere famenftellinge der lichaamen, aan welke die hoedanigheden toekomen, ontleend wierd. Maar over de wetten der algemeene zwaartekragt is het ge: voelen van allen niet het zelfde, Daar zyn er, die ftellen, dat deeze, zoo vel

als

tinten)

farias, peculiari corporum ftruêturae, ac indoli convenientes.. Neque de eo ulla inter Philofophos intercedit Controverfia, qualitates corporum, p€- culiari tantum eorum clasfi proprias, certa quadam ratione , licet faepe incognita, cum interiore ftruc- tura, ac organismo cohaerere , ut adeo earum dari explicationem mechanicam , ex peculiari corporum, quibus competunt, conformatione repetitam, na- turae rerum non repugnet. Sed de gravitationis univerfalis legibus, non una eademque omnium est fententia, Sunt qui has, aeque ac illas mecha- ; nl-

158 Je PAP DE FAGARÁS ANT WOORD OPDE

als andere werktuigelyke wetten, aan de lichaamen wezentlyk eigen zyn. An- deren behaagt het meer , dezelve te ‘hou- den voor eene algemeene en inwendige hoedanigheid. der ftoffe, maar die er door de kragt van God aan gegeeven en in gedrukt zy. Eindelyk mangelt het ook aan zulke niet, die dezelve van de drukkinge eener fyne ftoffe, welke zy (ether) hemellugt noemen, afleiden. * Zal nu onze pligt zyn, dat wy over deze verfchillende begrippen ons gevoe« len zeggen. | | | Gemakkelyk zullen wy de wetter der algemeene Aantrekkingskragt, wel- ke den lichaamen wezentlyk eigen zyn, tegen de Ongodisten en zulken, die met hun van het zelfde gevoelen ayn, e-

td

nicas, corporibus esfentiales esfe ftatuant. Aliis easdem pro univerfali equidem ac interna materiae qualitate, fed per Dei potentiam illf indita ac im- presfa, habere, magis placet. Nec defunt denique’, qui has a presfione fubtilis cujusdam materiae quam aethera nominant, repetunt, Noftrum jam est, ut de diverfis his opinionibus, dicamus fen= tentiam, ô Nos esfe , has attraétionis univerfalis leges, cor= poribus esfentiales, facili opera, contra EE elis

VRAGE VOÓR °T JAAR MDOCLXxn. 159

bewyzen, Voorwaar! niemand kan loo- chenen, dat de wezentlyke eigenfchap- pen eener zelfftandigheid, aanhoudend, in de zaak blyven, en van haar, zelfs niet in onze gedachten, konnen worden afgefcheiden ; alhoewel er, buiten haar, geene andere zelfftandigheeden aanwe- zig waren. Buiten twyftel zou het vier- kant der Hypothenufa gelyk zyn aan de vierkanten der twee andere zyden; of fchoon er alleen driehoeken en gee- ne andere figuren beftaan konden. Maar wat de zwaarte zy, kan men zelfs niet eens begrypen, ten zy men een punt ftelle, daar het lichaam, door zyne zwaarte, naar toe gedreven wordt, en teffens eene ftrekkende lyn, langs welke het zwaare, aan zich zelven overgelaa-

ten ;

Brrr

aliosque idem fentientes demonftrabimus. Illud profeéto nemo negat, esfentiales fubftantiae cujus- cunque proprietates rei ipfi conftanter inesfe, ne= que abea, vel cogitatione feparari posfe„ etiamfi nullae aliae fubftantiae, praeter illam exifterent. Maneret procul dubio Hypothenufae quadratum aequale Qquadratis duorum aliorum laterum, etiam fi fola triangula, et nullae aliae figurae dari pos- fent. At gravitas quid fit? ne intelligi quidem potest, nifi detur punêtum aliquod, in quod cor=

pus

160 J. PAP DE FAGARAS AN T WOORD OP DE

ten, nedervalt. Vootwaar! indien er ees nige kragt van aantrekkinge is, blyft zy niet in het onderwerp, tot welks wezen zy echter behoort, maar zy ftrekt zich - uit--naar iets dat „mensizich. verbeeld, buiten het zelve te zyn, en eene plaats te beflaan, die: van. des- zelfs ruimte onderfcheiden is, Maar , „met welk recht, brengt men. die tot deszelfs wezentlyke eigenfchappen ? Ge- wisfelyk , zoo men de wezentlyke hoe- danigheeden met de lydingen niet. ver- mengen en verwarren wil, is het noodig, dat, als men de toeeigenzels eener zaak onderzoekt, men dezelve, in naarvol- ginge der Wiskunftenaars, afzonderlyk onderfcheiden van alle anderen , befchou- we, Derhalven , zoo men een Herer

ak

td

pus gravitet, linea diretionis, juxta quam grave , fibi permisfum, cadat. Vis profecto attrahendi fi qua est, non manet in fubjetto, ad cujus esfen- tiam tamen pertinet, fed tendit in aliquid, quod extra illud exiftere, feparatumque ab ejus fpatio locum occupare, concipitur. Quo itaque jure il lam, ad estentiales proprietates referes? Certe nifi esfentiales qualitates, cum pasfionibus permifcere volueris, oportet, ut dum in rei attributa inquiris eam feparatam ab omnibus aliis (Mathematicos imi-

tan

VRAGE VOORT JAAR MDCCLXXIL 16E

alleen in dit of dat gedeelte der ruim: te zich voorftelt aanwezig te zyn, hoe zalmen, bidde ik u, aan het zelve eene gedurig aanhoudende poginge, grootere en kleinere, naar de verfchillende dee- len der ruimte, toekennen? Bygevolg, alzoo de bloote befchouwinge des on= derwerps, waar in de Aantrekkings- en Zwaartekragt zich opdoen, niet genoeg is, om een begrip van die beide kragten te leeren vormen; is het ook klaarbly- kende, dat zy tot het wezen van de aantrekkende zelfftandigheid geenzints gebragt kunnen worden, ten zy de Tegenftanders beweeren, dat er geene wezentlyke eigenfchap van de Parabola ; zonder de natuur des Cirkels, ver- klaard kan worden.