a,

Li

oh the Bate:

kas À

Ken ane Ri peony atk à a ae URE tee È i

V. Li {

HARVARD UNIVERSITY.

EB AR M

OF THE

MUSEUM OF COMPARATIVE ZOOLOGY.

S\S\

Na y DOMINATI art

POR UE a AAS

ni let RATER o

VAI THON A RTE

N AE FN UNE RUN

No i) At

RN midi

es by

wih

TIN Ee IC) de

i MEN

nf A)

ni AR

A Ye A TA)

ONU N uni UE Vani DICONO

[REY iN SANS N i Tis ye < N Hi voi AN A He At Ni NE N HN i Dy MUONI i Sm VO) Kt N LAN a Ki i { UN È OE ARE N NY NaN UNNI it

AK BA ,

Np

QUE FAURE

HO su u

ETNA ARUP MATA UNI

BR DINI i

[HOUR IHN) 0 AMI

NAH ug

I

pa (it At I)

N NR PN HM) ih YANN

ij Pea )

A qu [NIN SENTIRAI E 3 Al BURN «al

ARAN HANNS (e) BAR ACT

US

( yA. 3 Ni) Y

nat

Que

(a

a a LI }

(oi ny va LRO i

EAA A MEENT ALIEN ETA LEU CIA ACTA ANT RES (AP DANONE EURE ay NAIL A ARENA ULTRA ER SAN ATA N Al HI no CRA et FE MURR NU i | dini Da IM CO E...

à KENIA A

PA

N i ie Ai hi ENGEN val SUI N Mi A Ka AR RNL EN ROIS INH

INDIA A j RO RAV i i neun À! Hh RN TEAS ( Rate Ahl PA iR i i N Mi | TA $ Wine ira 3 VIN dI (a DI (RS ARI f Yun )

RATE Mh (Lu AAA LANDE PN n Au FANS UN 4 AUS i i I) i i SIN N

A) 2 } EA N

rad OUR

Hin BEN EN ; a sf Ni LA NN UE PONT { N Ui Hh

KNAL MAP Ce Nt N ASN i } \ NU Hae

} Mo 4 CAE RUE ATEN TAN RNa I RSM ZOO, INNERN INN URN? N

EAN il a ARTE

N

PNA

AAN, Dee AXEL

SAN, mit

:

NU

AA

BAY RUN ANAL ATEN RD ONE HORDE

DU MA

doting ; } uk (ON AUDE 4 TA N

N

Qi

RN

N fi

i FRE HRS an Ion HU Le | N RUN Ih Ni NELKI i i N pity R R in ho N Kun) f N nt HAE (Pi U DATE iy Qu | i

KR DARM NUN

| Na)

MAN M KERN A DIGITA RAA AVENE LEGEN

IMA AU Ma i Lite 0 Î IKEA Î qui ONL RS kPa

yoni ely Ait

hf

k NAV RD! if

fi

MANS ann

1

MANCANTI

DIVINA UE

Pay PA HAN Tale

VIVENTI

uy,

ann LI)

Vat 1

VAR NUE RI AN i i à PTE | i LH (RY SATE NA a y EE AVENA MRI EG NINA A ANNEE nt AN } tian thin) IMM

NN i

i) it IN

AA (|

\ Nine POY INN NAT o i \ i LOONT AA N RE ET NES AR Al AIA (il fi À i y à

N

nitty Work

VEN

{ Lt uy Dea AAN CAN RN Ind ny ESPNU AOE CAN EA MAR PR HY uly DUAN MN UN All INNERN. ik 4K ty AA ns

un (LA AURA CAEN Wa ti

TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE

UITGEGEVEN DOOR

DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING

ONDER REDACTIE VAN

Dr. J. TH. OUDEMANS, Jur. Dr. Ep. J. G. EVERTS (afl. 1), Mr. A. F. A. LEESBERG (afl. 1— 3), Dr. D. MAC GILLAVRY (afl. 4)

Dr. J. C. H. DE MEIJERE (afl. 4)

NEGEN-EN-VEERTIGSTE DEEL JAARGANG 1906

met 13 platen

X S-GRAVENHAGE MARTINUS NUHOFF 1906

Voor den inhoud van de in dit Tijdschrift geplaatste stukken zijn de schrijvers alleen verantwoordelijk. De

Redactie is dit in geenen deele.

Aflevering | (biz. 1—28) uitgegeven 25 Maart 1906. » II en III (blz. 29—198) uitgegeven 30 Juli 1906. > IV (blz. 199—286) uitgegeven 28 December 1906.

INHOUD VAN HET NEGEN-EN-VEERTIGSTE DEEL,

Verslag van de negen-en-dertigste Wintervergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging, gehouden te Utrecht op Zondag 21 Januari 1906

Verslag van de een-en-zestigste Zomervergadering

der Nederlandsche Entomologische Vereeniging,

Bladz.

gehouden te Oldenzaal op Zaterdag 21 Juli 1906 XXXVII

Lijst van de Leden der Nederlandsche Entomologische

MEreemeine opsluit OGEN II

Oupemans (Dr. J. Tu.), In memoriam Dirk ter Haar. (Met portret). pe

SNELLEN (P. ©. T.), Bende ne A. du Nederlandsche Vlinders, beschreven en afgebeeld (door). Derde Serie van Sepp's Nederlandsche Insecten. Afl. 1 en 2. ’s-Gravenhage, Martinus Nijhoff. 1905.

Quanyer (H. M.), Plutella cruciferarum Z. (Plaat 1 en 2).

be Meere (Dr. J. C. H.), Ueber zwei neue holländische Cecidomyiden, von welchen die eine an Kohlpflanzen

schädlich ist. (Mit Tafel 3).

Pırrers (Mr. M. C.) et Sxezzex (P. C. T.) I des Lépidoptères Hétérocères de Java

pe Meurrr (Dr. J. C. H.), Die Lonchopteren ik: alles arktischen Gebietes. (Mit Tafel 4 und 5) . 5

Van DER Wekkce (H. W.), Morphologie und Entwicklung der Gonapophysen der Odonaten. (Mit Tafel 6, 7 und 8) .

[1

44

99

INHOUD.

Bladz. SNELLEN (P. C. T.), Aanteekeningen over Nederlandsche

Lepidoptera. . . > 199 CAMERON (P.), Teen of de Dutch Lui to

New Guinea in 1904 and 1905. Part I: Thynnidæ,

Scoliide, Pompilidæ, Sphegidæ and Vespide. . . . 215 van Rossum (Dr. A. J.), Ter herinnering aan K. Bisschop

van Diuumen..(Met portret). . 0... 234 Oupemans (Dr. A. C.), Notes on Acari. XVI coe

(Parasitidæ, Bdellidæ, Acaridæ). (With Plates 9 —12). 237 VAN Roon (G.), Notice sur l’Odontolabis ludekingi Voll.,

avec description d’une nouvelle variété. (Pl. 13) . . 271 Register nee RE RR PART ene

MERS ER

VAN DE NEGEN-EN-DERTIGSTE WINTERVERGADERING

DER

NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,

GEHOUDEN TE UTRECHT op Zondag, 21 Januari 1906,

des morgens ten 11 ure.

President de heer Dr, J. Th. Oudemans.

Tegenwoordig de heeren: P. J. van den Bergh Lzn., ©. J. H. Bierman, K. W. Dammerman, E. D. van Dissel, Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, P. Haverhorst, D. van der Hoop, K. J. W. Kempers, Dr. H. J. Lycklama à Nyeholt, Dr. D. Mac Gillavry, Dr. J. C. H. de Meijere, Dr. G. A. F. Molengraaff, A. Mos, Dr. A. C. Oudemans, Dr. ©. L. Reuvens, G. van Roon, Dr. A. J. van Rossum, P. J. M. Schuyt, J. J. Tesch, Mr. D. L. Uyttenbogaart, Dr. H. J. Veth, H. A. de Vos tot Nederveen Cappel, Mr. L. H. D. de Vos tot Nederveen Cappel en Dr. H. W. van der Weele. i

Bericht van verhindering is ingekomen van de heeren: Mr. A. Brants, Dr. J. Büttikofer, J. Jaspers Jr., A. A. van Pelt Lechner, Mr. A. F. A. Leesberg, J. Lindemans, R. A. Polak, C. Ritsema Czn., P. C. T. Snellen, W. Warnsinck en

Erich Wasmann S. J. Tijdschr, v. Entom. XLIX. 1

II VERSLAG.

De President opent de vergadering en heet de aanwezige leden hartelijk welkom, in het bijzonder Prof. Molengraaff, die, na gedurende verscheidene jaren in Zuid-Afrika vertoefd te hebben, thans voor goed in Nederland is teruggekeerd.

In de eerste plaats stelt de President voor te bepalen, waar de volgende wintervergadering zal gehouden worden, waarop de heer van Rossum voorstelt, deze te Leiden te doen plaats hebben, daar de bezwaren tegen het houden der winterver- gadering aldaar, door de veranderde dienstregeling der spoor- wegen, verminderd zijn. Daar geene andere plaatsen genoemd worden, wordt hierop bij acclamatie besloten, de volgende wintervergadering te Leiden te houden.

Hierop stelt de President voor, over te gaan tot de weten-

schappelijke mededeelingen.

De heer Haverhorst brengt een levenden lichtkever (Pyro- phorus-soort) uit Brazilië ter tafel, hem door den heer Büttikofer ter hand gesteld, om de Vergadering gelegenheid te geven, de lichtverspreiding te zien. In actie gebracht, blijkt de kever door twee ronde plekken op den thorax een schitterend groen licht uit te stralen. Hierna worden eenige spinsels en poppen van Java ter bezichtiging gegeven: de cocons met de poppen van Attacus atlas L., een fraai, goudgeel coconcomplex van Cricula trifenestrata Helfer en een aantal, aan dezelfde blad- vlakte bevestigde, ledige poppen van Delias belisama Cram., welke poppen verscheidene min of meer doornvormige uit- steeksels dragen. Als resultaat van een onderzoek naar het verharden der spinstof, deelt spreker verder mede, dat, naar hem bleek, de spinstof der rups van Ourapteryw sambucaria L. eveneens snel verhardt, indien zij buiten aanraking der damp- kringslucht onder water wordt te voorschijn gebracht.

Ten slotte laat spreker nog rondgaan een doosje met vlin- ders, alle dateerend van het vorig jaar, die òf zeldzame vang-

sten vertegenwoordigen, òf afwijkingen vertoonen. De zeldzame

VERSLAG. III

soorten zijn: Lycaena minimus Füssl. (Zuid-Limburg), Dian- thoecia compta Schiff. (Zuid-Beveland), Polyploca diluta F. en Sesia myopaeformis Cl. (Twente), Aspilates ochrearia Rossi en Bryophila muralis Forst. (aan of nabij den Hoek van Holland). Afwijkingen vertoonen: Mesotype virgata Rott. (met gegolfde dwarsstrepen), Ourapteryxæ sambucaria L. (met grijsachtige kleur aan de punt der voorvleugels en ongelijk gevormde stippen op de achtervleugels}, Zygaena trifolü Esp. (zeer korte sprie- ten) en Hibernia defolaria Cl. © (met een gedeeltelijk ont- wikkelden voorvleugel). Nauwkeurige bezichtiging van dit laatste voorwerp wijst er op, dat de korte uitsteeksels, die nog bij het 9 aan weerszijden van den thorax worden gevon- den, zeer waarschijnlijk de overblijfselen van de vleugels en

den halskraag beide zijn.

De heer Mos laat ter bezichtiging rondgaan een afwijkend © van Morpho cypris uit Brazilië, dat dezelfde prachtig irisee- rende kleur vertoont als de manlijke exemplaren van deze soort, terwijl de 99 van den type in het geheel niet iriseeren en door hare bruine kleur zeer duidelijk van de manlijke voorwerpen verschillen.

Verder vertoont Spr. de zeldzame Charaves rhadeni van Sumatra, benevens eene zwarte variëteit van Lymantria mona- cha L. &, eene donkere variëteit van Dasychira pudibunda L. ©, S en © van Dasychira abietis Schitt., Polygonia c-album L. var. f-album Esp. en d en © Ærebia afer Esp. uit Dalmatië.

De heer Everts vertoont in de eerste plaats twee afwijkend groote exemplaren van de in de duinstreken zeer gewone Otior- rhynchus atroapierus de G. Deze twee exemplaren, uit zijne collectie, zijn de eenige, die Spr. ooit zag. Het ware wensche- lijk op deze soort bijzonder te letten.

In de tweede plaats laat Spr. zien, hoezeer het afgeknotte en

uitgeholde uiteinde van de dekschilden der Tomiciden eene 1%

IV VERSLAG.

uitgezochte verblijfplaats is van Acariden. In de twee hierbij vertoonde exemplaren ziet men deze diertjes dicht opeengehoopt. tot eene prop aan het uiteinde van het lichaam zitten.

Dan vertoont Spr. een aantal uiterst kleine Proctotrupiden, by een drogist uit alsem verkregen; de diertjes zijn vermoe- delijk ontwikkeld uit in alsem levende phytophage kevers.

Nog volgen een 4-tal kleine wantsen uit eene lading Ara- chiden-noten verkregen, alsmede eene Surinaamsche Zulgoride, verwant aan den »Lantaarndrager«, die opvallend is door de allerzonderlingste vorming van den kop. Spr. was nog niet in de gelegenheid den naam op te sporen.

Sedert de uitgave van de Lijst van soorten en variëteiten nieuw voor de Nederlandsche fauna (waarvan nog enkele exemplaren ter beschikking van de leden gesteld worden), heeft Spr. nu reeds wederom 4 nieuwe soorten te vermelden, allen door den heer Kempers gevangen, nl. Anthobium primulae Steph, Mantura obtusata Gylh. en Ceutorrhynchus albosignatus Gylh. bij Meerssen, en Ceutorrhynchus angulosus Gylh. uit den Bosch.

Eindelijk deelt Spr. een schrijven mede van den Directeur van ’s Rijks Herbarium te Leiden. Het geldt de vraag, of in Nederland ooit schimmels, tot de groep der Laboulbeniaceae behoorend, zijn waargenomen. Deze schimmels (Zaboulbenia Morthier et Robin) zijn lang-eivormige, gesteelde, ongeveer 0,37 mm. hooge, donkerbruine lichaampjes, die, veelal in groote menigte, het lichaam van levende insecten als met een bruin vilt bedekken.

Volgens Leunis’ synopsis kent men ongeveer 18 soorten, welke vooral parasiteeren op kevers, nl. loopkevers (o.a. Nebria), die onder steenen nabij stroomend water leven ; ook op kamer- vliegen en Nycteribia (vleermuisvliegen). Merkbaar schadelijk schijnen die schimmels niet te zijn, aangezien de geïnfecteerde insecten met hunne parasieten vroolijk rondloopen of vliegen.

Spr. vraagt aan de vergadering, wat den leden bekend is

omtrent deze botanische quaestie.

VERSLAG. Vv

Dr. J P. Lotsy schrijft, dat men vroeger meende, dat deze schimmels ongeveer bij Weenen hare westelijke grens bereikten; de studies van Thaxter hebben echter geleerd, dat zij in N.-Amerika in vele soorten aanwezig zijn en nu ware het zeer interessant, gegevens van ons land omtrent het voorkomen dezer

schimmels te verzamelen.

Naar aanleiding van het door den heer Everts medegedeelde betreffende de Laboulbeniaceae, deelt de heer de Meijere mede, dat hij indertijd op eene vlieg, gevangen te Amsterdam, dus- danige schimmel heeft waargenomen, maar, niet vermoedende, dat dit voorkomen eenigszins vermeldenswaardig was, daaraan geen aandacht meer geschonken heeft. Aangezien dit echter eene vrij algemeen voorkomende soort was, zal hij bij het ver- zamelen hierop letten en van zijne bevinding mededeeling doen.

De heer van der Weele heeft tijdens zijn verblijf te Bern, naar aanleiding van de publicatie van Thaxter, vele loopkevers onderzocht en kan constateeren, dat deze schimmel aldaar op soorten van de loopkevergeslachten : Nebria, Amara en Ptero- stichus veelvuldig voorkwam. Hy herinnert zich echter, dat het later aan Thaxter is gebleken, dat men hier met eene algensoort te doen had.

Wat de talrijke mijten, aangetroffen in het uitgeholde uit- einde van de dekschilden der Tomiciden betreft, deelt de heer A. C. Oudemans mede, dat niet uit te maken is met welke soort men hier te doen heeft, daar deze exemplaren, die op kevers parasiteeren, een tusschenstadium vormen, dat niet te determineeren is. Om tot volkomen Acari over te gaan, ver- laten zij hun vervoerdier, om hunne gedaanteverwisseling tus-

schen dorre bladeren te ondergaan.

De heer van Rossum laat namens Mr. Brants, ter bezich- tiging rondgaan eenige kevers uit de Adelsberger grot in Krain, welke door Dr. Everts herkend worden als: Laemoste-

nus (Antisphodrus) schreibersi Küst.

vi VERSLAG.

De heer van Rossum doet daarop de volgende mededee- lingen omtrent parthenogenesis by bladwespen:

1. Clavellaria amerinae L.

Uit eieren der wesp, welke 4 Mei 1905 op wilg ingebonden was (Tijdschr. v. Entom. XLVIII, p. LIX), verschenen eerst 29 Mei eenige larfjes, welke dus parthenogenetisch in vierde generatie zijn. Omstreeks half Juni begonnen zy flink te groeien. Zij waren toen nog in haar bepoederden toestand en bij telling bleek, dat er slechts een gering aantal aanwezig was.

Den 28en Juni werd bespeurd, dat zij onrustig rondkropen en zich reeds tegen het gaas van den zak inspinnen wilden. Zij werden toen overgebracht naar een kweekglas ; het waren er slechts zeven. Weldra zochten zi plaatsen uit om haar cocon te maken, en de laatste zeer kleine larve was 30 Juni ook tusschen turf en houtschors verdwenen. In vergelijking met exemplaren van vroegere kweekingen waren alle larven van dezen kweek klein te noemen. Vermoedelijk zullen hieruit alleen manlijke wespen te voorschijn komen. De parthenoge- netische teelt zal dan niet verder voortgezet kunnen worden, en dit onderzoek gesloten zijn, waarmede spreker zich sedert 8 jaren bezig hield. Een overzicht van alle parthenogenetische kweekingen der Clavellaria-wesp zal dan in het Tijdschrift kunnen verschijnen, loopende van 1898 1906.

2. Dineura nigricans Christ.

Het wijfje, dat den Mei eerst op berk ingebonden kon worden, na reeds 3 April verschenen te zijn, (Tijdschr. v. Ent. LXLVIII p. LXVI) en tot 12 Mei nog leefde, heeft wegens ouderdom of het heerschende koude weder niet gelegd. Eitjes waren althans niet waar te nemen en larven vertoonden zich niet. Daar de proef dus herhaald dient te worden, houdt spreker zich voor toezending dezer berkenlarven aanbevolen.

3. Pteronus polyspilus Först.

Op de 38ste Wintervergadering te Rotterdam (Tijdschr. v. Entom. XLVIII p. XIII) heeft spreker eenige mededeelingen

VERSLAG. Vil

gedaan over een parthenogenetischen kweek van Pt. oligospilus Först., welke thans volgens Konow Pt. polyspilus Först. genoemd behoort te worden. In het verslag daarover heeft eene vergis- sing in de jaartallen plaats gehad. De wesp was nameljk 23 April 1904 verschenen uit eene elzenlarve van October 1903.

Uit drie cocons, welke tegen elzenblad gesponnen waren, kwamen de imagines reeds in Juni 1904 te voorschijn. Het vermoeden, dat de wespen, uit de andere larven die in den grond gekropen waren, zich in het voorjaar van 1905 vertoo- nen zouden, werd niet bevestigd. Ook in den loop van den zomer geschiedde dit niet, en toen daarop 27 November de aarde van het kweekglas onderzocht werd, bemerkte Spreker, dat er toch cocons aanwezig waren. By opening van een twee- tal bleek, dat zich hierin levende larven bevonden, welke nog hare frissche groene kleur bezaten; de donkere streep van den schedel naar het midden van den kop loopend was iets minder duidelijk geworden. Hier doet zich dus het geval voor, dat drie der larven, reeds na twee weken zich tot wespen ontwikkelden, terwijl de overige cocons thans eene o ver win- tering ten tweede male ondergaan!

Door Konow werd aangenomen, dat twee soorten van Ptero- nus-larven op els voorkomen : Pt. oligospilus Först. en Pt. poly- spilus Först. = Pt. glutinosae Cam. In de »Corrigenda« behoo- rende by zijne »Systematische Behandlung der bisher bekannt gewordenen Chalastogastra, Band I«, wordt thans echter aan: gegeven, dat in de larven-tabel gelezen moet worden op p. 20:

Pter. polyspilus Först. in plaats van Pter. oligospilus Först. Gia Ojo jos LE

Pter. oligospilus Först. in plaats van Pter. microcercus Thoms.

Deze laatste zou niet op els maar op gladbladerige wilg leven; de beschrijving doet Spreker denken aan de door hem op wilg uit ei gekweekte Pter. brevivalvis Thoms., in haar

voorlaatste stadium, wanneer zij nog niet van de zwarte anaal-

VIII VERSLAG.

vlek voorzien is. (Zie: Tijdschr. v. Entom. XLVII p. XX VIT).

Uit het bovenstaande blijkt, dat Pt. microcercus Thoms. thans door Konow van de soortenlijst afgevoerd is, en dat nu door hem P. polyspilus voor de eenige elzenlarve, syn. P. glutinosae Cam., gehouden wordt. Cameron had in zijne beschrijving van Nematus glutinosae trouwens zelf reeds gezegd »This species is certainly the N. oligospinus of Brischke and Zaddach, but I am not sure as to its being the oligospinus of Förster (Verh. V. pr. Rhein. XI p. 312).«

De elzenlarve vertoont zich in twee generaties, doch werd tot nog toe by Arnhem door Spreker alleen in October gevon- den. Verdere kweekingen komen hem zeer gewenscht voor ; wegens den aanhoudend natten weerstoestand in Oct. 1905 kon er niet naar larven gezocht worden.

4. Pteronus curtispinis Thoms.

Door Cameron wordt vermeld (Monograph. Brit. Phytoph. Hym. I p. 27), dat hy uit parthenogenetische larven dezer soort uitsluitend manlijke wespen kweekte. Hij voegt er tevens bij, dat Fletcher hetzelfde resultaat verkreeg »save that in one experiment he reared 21 93 and 1 9.«1)

Spreker heeft de larven bij Arnhem meermalen in Juni, September en laat in October op wilg gevonden, maar had destijds geene gelegenheid de zaak ook eens te onderzoeken. Toen hy nu in Juli 1905 een paar larven van den heer Dammerman ontving, besloot hij hiermede proeven te nemen.

Uit de eerste, die 20 Juli een cocon tegen wilgenblad gemaakt had, verscheen 30 Juli een wijfje, dat in een kweek- glas met wilgentakjes geplaatst werd. Het legde zeer spoedig in den bovenkant der bladeren. In één blad bevonden zich o.a. 31 Juli een vijftal niervormige eitjes, welke in vergelij-

king met negen pas gelegde eitjes in een ander blad reeds

1) Von Siebold vermeldt in Katters Entom. Nachr. X p. 94: „Aus parthenog- Eiern 5 erhalten im Gegensatz zu Fletcher, welcher aus parthenog. Eiern 9

erzog.”

VERSLAG. IX

flink opgezwollen waren. De wesp werd daarna ingebonden op eene Salix vitellina in den tuin.

Den Augustus, dus reeds!na 5 dagen, vertoonden zich parthenogenetische larfjes in het glas binnenshuis... licht grijzig groene diertjes met zwarten kop, die, op de plaatsen waar de eitjes gelegd zijn, gaatjes vreten en eenigszins gekromd in het blad zitten; na gevreten te hebben worden zij donker- der, meer zwartachtig groen. Weldra verschenen er meer, en 7 Aug. bevraten sommige grootere reeds den rand van het blad, waartoe zij eerder overgingen dan larfjes van Zeer. hypowanthus Först., die bij Spreker grooter gaatjes in het blad vraten. By verontrusting slaan zij hevig met het achterlijf ; zij zijn nu donker grijsgroen met zwarten kop, zwarte borst- pooten, en zwarte cerci, die hier tamelijk groot zijn. Den 15°" Aug. werden 23 larven geteld; bij de grootste waren nu de donkere strepen ter zijde van den lichter geworden kop waar te nemen en zij bezitten thans ter weerszijde van den rug twee zwarte lijnen. De rug is nog groen behalve bij één exemplaar waar hy reeds wit begint te worden. Spoedig was dit ook bij de andere het geval en vertoonen de larven zich dan zooals zij door Snellen van Vollenhoven als Nematus vires- cens Htg. in het Tijdschr. v. Entom. X op plaat 7 en door Brischke als Nematus miliaris Pz. in Schrift. phys. ökon. Ges. Königsberg XXIV op plaat 8, figuur 1, afgebeeld zijn. Door beiden is hier echter de rug licht rozerood aangegeven ; slechts eenmaal is door Spreker eene dergelijke larve bij Arnhem gevonden bi exemplaren met witten rug. Bij alle gekweekte exemplaren was de rug ook wit en geleken zij op de door Cameron afgebeelde larve (Vol. I pl. VI fie. 7).

Op den wilg buiten had, met het warme zomerweder, de ontwikkeling der larven uit het ei slechts een paar dagen langer geduurd dan binnenshuis, en 16 Aug. werden 21 larven uit het gaas naar een kweekglas overgebracht ; sommige waren

reeds witgerugd. Het aantal larven bedroeg dus in het geheel

x VERSLAG.

44; in haar laatste kleed zijn zij matgroen zonder de witte rugstreep en met een fijn wit lijntje door de stigmata. Den 19% Aug. begonnen zij cocons te maken tegen wilgenblad ; 26 Aug. waren alle larven ingesponnen. Van 17 Aug. was een gedeelte dezer larven (28 stuks) gevoed met wilgenblad, dat met eene oplossing van »Neutraalrood« !) bestreken was. Uit de 16 groeniggele cocons der larven die gewoon wilgen- blad gevreten hadden, verschenen van 30 Aug. tot 12 Sept. alle imagines, uitsluitend mannetjes. Van de 28 larven, die het rood-gesausde voedsel verorberd hadden en fraai karmijn- roode cocons maakten, leverden 21 wespen, eveneens alle van het manlyk geslacht; zeven larven waren bezweken zonder cocons te maken. Mocht dit wellicht ten gevolge van het voedsel zijn, dan blijkt bij een kweek die 75%/ oplevert, de nadeelige invloed toch niet groot te zijn. Uit de larven welke met neutraalrood gevoed waren, verschenen wespen bij welke alle lichtere deelen, ook het vleugelstigma, rood zijn.

In het geheel waren dus uit dezen parthenogenetischen kweek 37 manlijke, geene enkele vrouwelijke wesp verschenen. Spreker heeft de proef nog eens herhaald; uit eene larve, 30 Juli ontvangen, kwam 13 Aug. weder een wijfje te voorschijn, dat 14 Aug. op wilgentakjes in een kweekglas gezet werd. Uit de eitjes ontwikkelden zich na tien dagen, 24 Aug., larfjes; bij de vorige proef, toen de temperatuur hooger was, geschiedde dit na vif dagen. Den 31% Aug. werden 16 larven geteld, waarvan de meeste omstreeks 11 Sept. ingesponnen waren.

In het glas bevond zich naast gewoon wilgenblad ook voedsel, dat met neutraalrood bevochtigd was; zij vraten van beide zonder aan het ongekleurde de voorkeur te geven. Van 17 tot 24 Sept. verschenen uit grijzig-groene of roode cocons weder 10 manlijke wespen (62,5 percent). Ben bruin-zwarte cocon bevindt zich nog in het kweekglas tusschen aarde, waarin hij waarschijnlijk overwinteren zal.

7) Zie Tijdschr. v. Entom. XLVIII, p. LXVL

VERSLAG XI

Snellen van Vollenhoven, die uit zijne gevonden wespen alleen groene wijfjes verkreeg, wijst er op, dat deze zeer vari- eeren, o.a. wat de zwarte teekening op thorax en abdomen betreft, en heeft daarvan verschillende afbeeldingen gemaakt. By de door Spreker gekweekte mannetjes (met ongekleurd voedsel grootgebracht}, welke zwart en rossig geel, vuilgeel of iets helderder geel geteekend zijn, bood vooral de borst veel verschil aan.

Cameron geeft aan »breast black« ; by enkele exemplaren was dit ook hier het geval. Bij andere, alle uit denzelfden kweek, was de lichtgelige borst van groote of kleine zwarte vlekken voorzien, verschillend in aantal, en somtijds geheel ongevlekt. Bijoogen waren bij eenige bruinachtig rood, by andere geler.

Uit de beide medegedeelde parthenogenetische kweekingen heeft Spreker dus hetzelfde resultaat verkregen als Cameron en von Siebold. Wellicht is de verschijning van één wijfje, uit een parthenogenetischen kweek van Fletcher, daardoor te verklaren, dat er in het als voedsel verstrekte wilgenblad een bevrucht eitje aanwezig was; zelfs bij zorgvuldig nazien der bladeren kan dit licht onopgemerkt blijven.

5. Phymatocera aterrima Klg.

Op de Zomervergadering te Driebergen !) werd door Spreker medegedeeld, dat twee maagdelijke wespen gelegd hadden op een Salomonszegel-plant, daartoe in pot gekweekt. De larfjes, die na veertien dagen (22 Mei) verschenen, groeiden voor- spoedig; 6 Juni werden 65 larven naar een ruim kweekglas overgebracht, waar zij verder grootgebracht werden. Omstreeks half Juni waren alle ter coconvorming in den grond gekropen ; slechts eene bleef nog vreten tot 22 Juni. Parthenogenetische imagines kunnen dus in het voorjaar van 1906 verwacht

worden.

1) Tijdschr. v. Entom. XLVIII, p. LXIII.

XII VERSLAG.

6. Selandria temporalis Thoms.

Uit 37 larven, welke zich, Juli 1904, in den grond begeven hadden, (Tijdschr. v. Entom. XLVIII, p. XV) verscheen tot nog toe slechts ééne manlijke parthenogenetische wesp, 28 Mei 1905. By onderzoek in November werden nog cocons in den grond van het kweekglas aangetroffen, welke dus eene tweede overwintering tegemoet gaan.

7. Thrinax mixta Kle.

De parthenogenetische larven, omstreeks half Mei verschenen (Tijdschr. v. Entom. XLVII p, LXIV), waren tegen het einde der maand, na zeer veel gevreten te hebben, grootendeels reeds volwassen. Het uiterlijk heeft hierbij weinig verandering onder- gaan; bij sommige was het benedengedeelte van den bruin- geligen, ietwat bepukkelden kop lichter geworden en waren hierin onder de oogen een drietal onduidelijke geelbruine vlek- jes waarneembaar; mond roodbruin. Zij begonnen nu weldra rond te kruipen alvorens zich in den grond te begeven en zijn dàn bijna geheel dof grijsgroen geworden met vuilwitte zijden. Omstreeks 9 Juni waren alle 38) verdwenen in de aarde van den pot, waarin de geheel kaalgevreten varenplant (Stru- thiopteris germanica) zieh bevindt.

8. Dolerus haematodes Schr.

De larven (zie: Tijdschr. v. Entom. XLVII, p. LXI) zijn volwassen geworden en begonnen 27 Mei zich in den grond te begeven, waarin de laatste 7 Juni verdween. Het uiterlijk der larven, alle uit denzelfden kweek, bood verschil in tint en teekening aan; Spreker hoopt hierover later, in vergelijking met andere door hem gekweekte Dolerus-larven, uitvoeriger mededeelingen te doen. Alvorens in den grond te kruipen, werd door sommige larven beproefd gaatjes in het gaas van het kweekglas te bijten, waarbij eene bruinachtige vloeistof uit den mond der larven afgezonderd wordt. Tot nog toe heeft Spreker alleen iets dergelijks waargenomen by larven van

Cimber femorata L., die gaten in het gaas beten en zich daar-

VERSLAG, XIII

door verwijderden ; de loozing eener vloeistof werd hierby niet

opgemerkt.

De heer van Rossum laat daarop ter bezichtiging rondgaan :

Eene doos met zeven vrouwelijke Cimbex- wespen.

Het had Spreker getroffen, dat in den catalogus van Stau- dinger en Bang-Haas, de »Cimbex fagi« aldaar onder de laagst geprijsde Cimbex-soorten voorkomt. Hij bestelde een exemplaar en bij ontvangst bleek dat dit geen C. fagi is; de wesp wordt door hem voor eene verkleurde C. femorata, var. griffini Leach gehouden. Ook met de determinatie van andere door de firma gezonden Cimbex-wespen 9 kon hy zich niet veree- nigen. Onze overleden vriend Bisschop van Tuinen was dit met hem eens, en had zich voorgenomen in Juli van het afge- loopen jaar bij al deze wespen een onderzoek naar den vorm der zaagtanden te doen... het heeft, helaas, niet mogen zijn !

Spreker wijdt een woord van hooggewaardeerde herinnering aan de nagedachtenis van den nauwkeurigen onderzoeker, wiens heengaan door onze Vereeniging, en door hem in het bijzonder, zoo zeer betreurd wordt. Zelf anatomische bedrevenheid mis- send, doet hij een beroep op andere leden der E. V., met verzoek, dat een hunner de zagen uit bovengenoemde wespen verwijdere, ten einde ze te vergelijken met de foto's van de zaagwerktuigen der Cimbices door Bisschop van Tuinen ver- vaardigd, welke in het Tijdschrift verschenen. Al moge aan het onderscheid tusschen de zaagtanden dezer wespen, door Pastor Konow als »mikroskopisches Merkmal« minder waarde gehecht worden, het is toch gebleken, dat juist hierin een hulpmiddel gevonden is, om de moeilijk van elkander te onder- scheiden Cimbex-wijfjes beter te leeren kennen.

De Voorzitter verklaart zich bereid het anatomische werk te ondernemen, waarvoor Spreker zijn dank aan Dr. Oudemans

betuigt.

XIV VERSLAG.

Onder verwijzing naar zijn opstel »PProeven met ge- kleurd voedsel« in N°. 26 der Entomologische Berich- ten p. 23, worden verder door Spreker ter bezichtiging rond- gegeven :

Een Scoliopteryx libatrie-vlinder, Pteronus curtispinis-cocons en wespen, waarvan rups en larven met Neutraalrood gevoed waren. De kleurstof in poedervorm gaat mede rond.

De vlinder heeft aan boven- en onderkant der vleugels eene donkerder meer roodbruine grondkleur dan twee daar naast gezette gevangen libatriw-exemplaren ; men vindt echter in de natuur ook donkerder voorwerpen. Sprieten, zuiger en oogen zijn duidelijk rood; tusschen de segmenten van het achterlijf, waar zich geene haarschubben bevinden, is deze kleur ook waar te nemen. De rups had zich ingesponnen met lichtkar- mijnroode draden.

Bij de curtispinis-wespen zijn alle lichtere deelen (welke bij gewone manlyke ex. geelachtig zijn) benevens het vleugel- stigma fraai rood.

Ter vergelijking zijn er mannetjes bijgevoegd, die met onge- sausd voedsel grootgebracht zijn. Aan den onderkant is vooral de kleurverandering waar te nemen; dit valt minder in het oog aan den bovenkant, die voor een groot gedeelte zwart is. De heer Bierman vervaardigde eene vergroote teekening van een intensief rood gekleurd exemplaar, aan den onderkant gezien ; deze afbeelding circuleert ook, evenals de karmijnroode cocons, waaruit de wespen in het laatst van Aug. 1905 ver- schenen. De roode tinten zijn by droog bewaarde voorwerpen weinig veranderd; in alkohol verkleuren zij na eenigen tid, maar vooral in formaline verbleeken zy spoedig.

Eene rups van Muacrothylacia rubi L., welke van 26 Sept. tot bijna half Nov. rood gekleurd wilgenblad gevreten had, kwam in Januari weer uit hare winterschuilplaats te voorschijn, doch was 9 Jan. reeds overleden. Door den heer Bierman werd bij sectie bevonden, dat het geheele lichaam sterk rood gekleurd

VERSLAG. XV

was, het darmkanaal het donkerst; vetweefsel, gangliénknoo- pen en tracheeën rose. Het uiterlijk dezer rups had zeer wei- nig verandering ondergaan ; slechts aan de banden was eenige

roodachtige verkleuring te bespeuren.

De heer J. Th. Oudemans laat een drietal doozen met verschillende insecten rondgaan.

In de eerste doos bevinden zich eenige in ons land zeld- zame Lepidoptera, ten deele uit de rups gekweekt. Het zijn de volgende :

Eenige exemplaren van Acronicta euphorbiae F. uit Drenthe

(Schoonoord, Zweeloo en Hoogeveen).

Een paartje van Agrotis janthina Esp., met nòg twee voor- werpen uit het ei gekweekt; de moedervlinder was afkom- stig van Bloemendaal.

Een paartje van Agrotis lidia Cr., waarvan te Schoonoord (Dr.) in 1904 één en in 1905 twee exemplaren werden gevangen.

Een paartje van Agrotis prasina F., met nog eenige andere uit het ei gekweekt; de moeder werd gevangen te Paterswolde.

Een exemplaar van Chloantha polyodon Cl., op 8 Juni 1905 te Soest gevangen.

Een uit de rups gekweekt voorwerp van Æuchloris pustulata Hufn. Uitgekomen 27 Juni 1905. Arnhem, Bierman.

De tweede doos bevat eenige Lepidoptera, die afwijkend gekleurd zijn, o.a. een zeer donker grijsgroen exemplaar van Dilina tiliae L. (Amsterdam e.l.), een mannetje van Arctia caja L. met oranje in plaats van roode achtervleugels (Apeldoorn e.l.) en een mannetje van Arctia villica L., waarbij de gele achter- vleugels dicht zwart bestoven zijn. Met een dito wijfje waren deze beide voorwerpen de eenige in deze richting afwijkende, verkregen uit een broedsel, afkomstig van een te Bergen-op- Zoom gevangen moedervlinder. De witte vlekken op de voor- vleugels waren bij sommige voorwerpen zuiver wit, bij andere

roomkleurig.

XVI VERSLAG.

De derde doos is gevuld met een aantal geprepareerde rupsen, waaronder sommige, die men niet dikwijls ziet. Deze collectie is vooral ter bezichtiging medegebracht, om de verzamelaars van Lepidoptera tot het prepareeren van rupsen op te wekken.

Ten slotte deelt Spreker mede, dat uit eieren van Lasio- campa trifolii Esp., in den zomer van 1904 gelegd, de rupsjes niet in den nazomer voor den dag kwamen, doch dit begon- nen te doen in ’t laatst van December. Van de vrij groote hoeveelheid eieren komen er nog dagelyks uit. De eieren worden in de open lucht bewaard. Pasgeboren rupsjes en nog

onuitgekomen eieren worden aan de aanwezigen getoond.

De heer Uyttenbogaart vertoont een tweetal levende exem- plaren van Cybister laterimarginalis Deg. d', gevangen in de Ringvaart van de Haarlemmermeer, en wijst op de kleur der dekschilden, die bij beide exemplaren zeer verschilt. Het eene exemplaar vertoont eene zeer mooie olijfkleur, terwijl het andere exemplaar roodbruin getint is.

Verder vond Spr. in kinabast, te Amsterdam aangevoerd, talrijke larven en poppen van Neerobia rufipes Deg., die echter aan de kinabast zelf geene schade veroorzaakt hadden. By hem rees de vraag, of deze larven ook op het mycelium van eene zwam, waarmede deze kinabast was bezet, afkwamen, doch de heer Everts was van meening, dat de larven van Necrobia op hare beurt weer azen op insecten, die in de aangetroffen

zwammen leven.

De heer A. C. Oudemans deelt eenige bijzonderheden mede over Acari. Zij volgen hieronder. Penteekeningen gaan ter verduidelijking; rond.

Tarsonemus minusculus (Can et Fanz.), de type van het genus Chironemus Can. et Fanz. (1875), non Chironemus Cuv., 1829, derhalve later Tarsonemus Can. et Fanz. (1876) genoemd, is

verloren gegaan. Sedert 1875 is deze Acarus niet teruggezien.

VERSLAG. XVII

Ik meen haar weder gevonden te hebben. De beschrijving, die Canestrini en Fanzago er van geven, is, hoewel kort, zeer goed. Ik mag er alleen het volgende wel aan toevoegen. Het poot- paar draagt volgens C. en F. aan de buitenzijde van het 8e lid een tamelijk lang haar. Blijkbaar hebben C. en F. bedoeld het zichtbare lid, indien men het dier van de rugzijde beschouwt. In waarheid is dit lid het 6°, namelijk de tar- sus. Ook de tibia van het tweede pootpaar draagt aan hare buitenzijde een tasthaar. Lengte 165 p, breedte 105 u. Het is eene nympha, door mi gevonden in het opveegsel van een kaas- en meelmagazijn te Arnhem, 22, II, 1902. d en 9 zijn nog onbekend.

Het tracheeënsysteem der Tarsonemidae is niet het eerst door Micuart beschreven (Journal Quekett Mier. Club. v. 6. p. 118, 44, August, 1880), maar door Geser (Wiener Medic. Presse, v. 20, 1879, p. 1397). Bovendien meende Micmaer, dat de stigmata zich bevonden tusschen het en pootpaar en wel in den vorm van twee kolfvormige organen. Een en ander berust op eene verkeerde waarneming. GEBER daarentegen heeft juister geobserveerd. Hij noemt de twee kolfvormige organen »Schwingkolben«, en ver- moedelijk heeft hy gelijk ; zeer waarschijnlijk zijn de »pseudo- stigmatische organen« der Thrombididae, Tarsonemidae en Oribatidae statische organen. Verder heeft hy duidelyk de stigmata afgebeeld en beschreven »an den Seitentheilen des Kopfes«, meer bepaald tusschen de maxillae en het eerste pootpaar.

Heterostigmata Berlese, 1897 (Rivista Patol. Veget. v. 6, p. 46, 51, 65). Daar deze naam ouder is dan degene, die door my is voorgesteld:Trachelostigmata (Entom. Bericht. v. 2. p. 44, 2 Jan. 1906), vervalt deze laatste als synoniem.

Pediculoides spinosus (Kram.). Dit is eene nympha, niet een

3, zooals Mrouarr. meent. MicHarr geeft daarentegen juist op, Tijdschr, v. Entom. XLIX,

XVII VERSLAG,

dat deze vorm ook een tracheeënsysteem bezit; d en © zijn nog onbekend. Ik kon van deze nympha het darmkanaal gedeel- telijk volgen. Van den mond loopt het recht naar achteren. De slokdarm eindigt bij het begin van coxae II. Iets voorbij de helft monden twee speekselklieren er in uit. De langwerpige maag bezit vooraan een paar naar voren gerichte blindzakken. Behalve op Talpa europaea (Arnhem, April), vond ik deze nympha ook op Mustela vulgaris (Haag, October) en Arvicola amphibius (Sneek, Juli).

Pediculoides pilosus Oudms. nov. nom: MicHarL beschreef en beeldde onder den naam van Pygmephorus spinosus © (Journ. Quekett Mier. Club, v. 6, p. 113, t. 7, f. 2, 1880) eene nympha af, die sedert niet teruggevonden is. BERLESE meende (Bull. Soc. Ent. Ital. v. 18, p. 350, 1886) terecht, dat dit © niet behoort by het door Micnarn afgebeelde d, en gaf het daarom een anderen naam. Hi verwarde echter de twee vormen: »delle quali luna a tarsi anteriori semplici« (dit is juist het zoo- genaamde ©) »dovra chiamarsi P. spinosus Kram., mentre per l’altra« (dit is het d van Micnant, de echte spinosus van KRAMER) »propongo il nome di P. michaelix. Ik geef aan deze nympha den naam van Pediculoides pilosus. De heer Porrr te Vegesack bij Bremen vond haar op Talpa europaea.

Pediculoides aestivus (Berl.). Een groot aantal van deze nym- phae waren, passagierende op Hyphydrus ferrugineus, gevonden door ons medelid Dammerman (Arnhem, April). Vermoedelijk leven deze nymphae dus vrij in mest, rottende bladeren enz. Deze nympha is geheel gechitiniseerd, behalve een sikkelvor- mig gedeelte tusschen coxae II en III. Op den zoogenaamden cephalothorax vond ik, even als by de nymphae van P. spinosus (Kram.) en P. pilosus Oudms., twee kleine oogen. Femur I heeft dorsaal een naar binnen gericht en naar voren gekromd haakje. Tarsus I heeft dorsaal 3 korte reukstaafjes. Tarsus II heeft dorsaal één groot en zeer dik reukstaafje.

Ten slotte laat Spreker teekeningen rondgaan van de eieren,

VERSLAG. XIX

het geheele dier, deelen er van, en het tracheeënsysteem van Labidostoma denticulatum (Schrank) ©, waarvan Spreker mede- deelingen deed in de Entomologische Berichten, v. 2, p. 38 (2 Januari 1906) en den Zoologischer Anzeiger, v. 29, 20, p. 634 (8 Januari 1906).

Naar aanleiding van deze mededeelingen vraagt de heer Molengraaff, of van de acari reeds volkomen reeksen stadién bekend zijn, daar Spr. van zoovele soorten slechts afbeeldingen van nymphae liet rondgaan.

De heer A. C. Oudemans somt eenige voorbeelden op van soorten, waarvan alle elkander opvolgende stadién bekend zijn, doch van zeer vele soorten zijn slechts nymphae bekend, daar deze zoo dikwyls op insecten passagieren, terwyl de adulti verborgen leven. De nymph-toestand kan soms 11/, jaar

duren.

De heer de Meijere doet vooreerst eenige mededeelingen omtrent het geslacht Sepsis, waarvan hij in de gelegenheid was, vooral door materiaal uit het museum te Budapest, talrijke, voor het meerendeel nog onbeschreven soorten uit Z. O. Azië en Australië te onderzoeken. Zij zijn over ’t geheel klein en moeilijk van elkaar te onderscheiden; een goed kenmerk levert de bewapening der voordijen en voorschenen van de dd; in beide sexen is de plaatsing der borstels aan de pooten en de uitbreiding der witte bestuiving aan de borstzijden van belang. Daarentegen is overigens aan de kleur niet veel gewicht te hechten ; bij eene zelfde soort is de thorax soms bijna geheel roodgeel, in andere gevallen zoo goed als geheel verdonkerd ; bij vele ontbreekt de bij de onze aanwezige zwarte vlek aan de vleugelspits. Sepsis rufa Macq. heeft blijkbaar een groot verbreidingsgebied ; zij komt van de Canarische eilanden tot Nieuw-Guinea voor.

Van 3 Oost-Indische Ortalinen uit hetzelfde museum, mede ‘alle nieuw, bleken er 2 te behooren tot het geslacht Anti- 9*

XX ‚VERSLAG.

neura, 1 tot Philocompus. Deze merkwaardige genera worden door deze nieuwe vondsten nader tot elkaar gebracht. De dwarsaderen zijn n.l. by de typische Antineura-soorten van Osten Sacken in elkaars verlengde geplaatst, wat bij die van Spr. niet het geval is, waardoor het aderbeloop meer overeen- komst met dat van Philocompus gaat vertoonen.

In de tweede plaats wordt besproken het merkwaardige genus Lonchoptera, van welks Europeesche soorten door Spr. eene monographische bewerking ten einde werd gebracht. De groote moeilijkheden, bij het determineeren van exemplaren van dit genus ondervonden, worden voornamelijk veroorzaakt door de groote variabiliteit in kleur van een paar der meest voor- komende soorten, L. lutea Panz. en L. furcata Fall. In beide wisselt de kleur van geel tot donkergrauw met allerlei over- gangen, wat tot het opstellen van te veel soorten geleid heeft, terwijl andererzijds gelijk gekleurde exemplaren van beide als identisch werden beschouwd, zoodat de meeste soorten boven- dien nog »Mischarten« zijn. Dan zijn nog Meigen’s beschrij- vingen in dit genus zeer weinig karakteristiek, zoodat zonder onderzoek der typen zelf, die zich in het museum te Parijs bevinden, het zeker niet gelukt zou zijn de ingewikkelde syno- nymie te ontcijferen. Ook uit het van andere zijden aan Spr. welwillend ter onderzoek gezonden materiaal bleek ten over- vloede, dat ook latere auteurs omtrent de opvatting van Mei- gen’s soorten de meest verschillende inzichten openbaarden. De beste kenmerken vond Spr. in den bouw der manlijke copulatieorganen, verder, en dit geldt ook voor de wijfjes, in de plaatsing der borstels aan de pooten, terwijl dikwijls de kleur der 2 binnenste borstels aan den achterrand van het voorhoofd van gewicht bleek. Behalve de aanwezigheid van talrijke overgangsvormen, was het ook vooral de volkomen overeenstemming in den bouw der gonapophysen enz., welke Spr. er toe brachten de zoo verschillend gekleurde exemplaren

van L. lutea alle tot ééne soort te rekenen. By L. furcata is

VERSLAG, XX

dit hoofdzakelijk op het voorkomen van overgangen gebaseerd, want bij deze soort zijn merkwaardigerwijs, ook volgens erva- ring van andere onderzoekers, mannetjes uiterst zeldzaam ; onder zeer vele exemplaren kon Spr. er slechts een enkel ontdekken. Het vermoeden ligt dus voor de hand, dat zij zich parthenogenetisch voortplant, althans gewoonlijk. Kweeken is in dit geval nogal bezwaarlijk ; de larven leven op rottende bladeren en het is moeilijk den geheelen levenscyclus nauw- keurig waar te nemen; dit is althans nog niet gelukt. Wat echter sterk voor genoemd vermoeden pleit, is, dat bij deze wijfjes de receptacula seminis sterk gereduceerd bleken te zijn; deze buisvormige organen zijn hier zeer kort, bij de even groote L. lutea, waarvan beide sexen zeer gewoon zijn, bleken ze viermaal zoo lang te zijn. In den loop der jaren hebben zich in al meer en meer insectengroepen dergelijke voorbeelden van parthenogenesis voorgedaan, waarbij alle graden van zeld- zaamheid der mannetjes werden geobserveerd. Soms werden ze in ’t geheel nog niet gevonden, soms ook bleken er nog wel af en toe enkele voor te komen, maar slechts een »doelloos« bestaan te voeren. Bekende voorbeelden leveren vele Phasmiden, bladwespen, galwespen, sommige sluipwespen, Thysanoptera, Mallophaga, onder de vlinders het geslacht Solenobia enz. Bij Diptera werd een geval van dezen aard tot dusverre nog niet aangetroffen. Wel kent men enkele voorbeelden van geslacht- looze voortplanting (b.v. bij larven van sommige Cecidomyiden), maar dan wisselt deze met het optreden van geslachtelijke generaties af. By Z. furcata schijnen de mannetjes werkelijk

bijna totaal uitgestorven te zijn.

Ten slotte vermeldt Spr., dat door hem in Aug. Ll. in de Kortenhoefsche plassen eene /%ylla op els werd gevonden, welker achterlijf door eenigszins vreemde kleur zijne aandacht trok. In de meening, dat dit wellicht aan de aanwezigheid van b.v.

eene larve van een of andere Pipunculus-soort zou kunnen te

XXII VERSLAG.

wijten zijn, werd het dier meegenomen en onderzocht, met het verrassende resultaat, dat het in het abdomen 4 Cecidomyiden- larven bleek te bevatten. Ter zelfder plaatse werden later nog eenige door deze larven bewoonde Psylla’s aangetroffen. Welke soort het is, zal eerst na het uitkomen der imagines kunnen worden gezegd, waarschijnlijk zal het wel eene nieuwe zijn. Spr. wijst er op, dat de levenswijze der Cecidomyidenlarven eene uiterst verschillende is, veel meer, dan men uit den naam »galmuggen« zou opmaken. Zoöphage larven zijn er reeds verscheidene bekend; sommige leven van mijten, meest: van het geslacht Phytoptus, andere van bladluizen, meerdere ook van andere, galvormende Cecidomyiden-larven. Van endopara- sitisme was tot dusverre slechts een enkel geval ontdekt. Kieffer vermeldt nl, dat hy roode Cecidomyiden-larven vond binnen het achterlijf van de lichtgroene bladluis op Acer plata- noides Schr.; de larven waren hier uitwendig reeds te zien. Hier waren echter steeds slechts ongevleugelde bladluizen met deze larven bezet, de ontdekking van dergelijke larven binnen

gevleugelde Psylla’s is dus wel merkwaardig.

De. heer. van den Bergh laat ter bezichtiging rondgaan eenige exemplaren van Ornithoptera croesus Wall. & var. lydius Feld. &, afkomstig van Halmaheira.

Spr. wijst er op, dat, hoewel de kleur van de var. lydius d meer goudgeel is, dit toch niet als een kenmerk kan worden aangenomen, daar ook goudgele exemplaren van croesus voor- komen, die van boven volkomen op de var. lydius gelijken. Echter vond Spr. een goed kenmerk der variëteit aan de onder- zijde der bovenvleugels, waar het groen in de middencel ster- ker geprononceerd is dan bij den type croesus.

Vindplaats O. croesus type, Batjan.

» » » var. lydius, Halmaheira. (Djilolo).

De wijfjes van O. croesus en de var. lydius zijn zeer duide- lijk van elkander te onderscheiden, doch onder de wijfjes van

VERSLAG. XXITT

de var. Iydius bestaat groote verscheidenheid, waarop Spr. later hoopt terug te komen.

Vervolgens vertoont Spr. een poppennest van Nieuw-Guinea (Doreh), benevens eenige losse vellen spinsel der rupsen, waar- van de Papoea’s zakken enz. vervaardigen.

Ten slotte vermeldt Spr. nog eenige merkwaardige vang- sten nam.:

1 ex. Catocala sponsa L., Hondsberg bij Oisterwijk, 8 Aug. 1905.

2 ex. Agrotis janthina W. V., Hondsberg, 27 Juli 1905.

Melitaea dictynna Esp., eenige exemplaren in Juli by Oirschot.

» athalia Rott., » » ee VO »

Argynis adippe L., één exemplaar bij Oirschot.

Argynis selene W. V., een zeer licht exemplaar in Juli te Tilburg.

Arctia villica L., & en 9 in Juni te Tilburg.

Nog vertoont Spr. een gerimpeld ex. van Ornithoptera van- depolli Snellen © var Java.

De heer H. A. de Vos tot Nederveen Cappel laat rond- gaan een kistje, waarin :

le, Een zeer klein 4 van Æuchloë cardamines L. met eene vlucht van 32 mm., de gewone grootte is 33—43 mm. ; daarbij is geplaatst een d van dezelfde soort, waarvan de achterrands- helft der voorvleugels in plaats van donker oranje, oranje-geel is.

2°. Een zeer klein J van Lycaena argus L. met eene vlucht van 18 mm., de opgegeven grootte is 22— 27 mm.

3e, Een © en een & van Lycaena alcon F. met respectieve- lijk 30 en 26 mm. vlucht, Voor de grootte van deze soort vindt men opgegeven 30—33 mm. Hierbij moet Spreker opmerken, dat de opgegeven grootte voor deze streken hem zeer zeker te klein voorkomt, daar de meeste voorwerpen, die hij zoowel onder Apeldoorn als onder Laag Soeren gevangen heeft, eene grootere vlucht dan 83 mm. hadden; met kleiner vlucht worden ze zelden aangetroffen.

XXIV VERSLAG.

Ter vergelijking is bijgeplaatst eene £. alcon © vlucht 35 mm, eene L. alcon IS vlucht 36 mm. en eene Lyc. semiargus Rott. &.

4°. Eene Agrotis pronuba L. vlucht 44 mm. By ter Haar staat voor de grootte opgegeven 45—58 mm. en daarby, dat ze zelden kleiner dan 48 mm. zijn, Snellen geeft op 52—58 mm., voor ons land is dit wel de meest voorkomende grootte.

5e, Eene Agrotis ypsilon Rott. 34 mm. vlucht. Door Snellen wordt als grootte opgegeven 38—50 mm., door ter Haar 38—48.

6°. Een merkwaardig ex. van Trachea atriplicis L. met eene vlucht van 36 mm. Als grootte geeft Snellen 40—45 mm. en ter Haar 38—48 mm. op.

In een tweede kistje komen voor eenige ex. van Melitaea athalia Rott. die zoowel om hunne kleur als om hunne tee- kering merkwaardig zijn. Vooral is dit het geval met de onder- kant van het eene exemplaar, waarbij van de vijf wortelvlekken, er drie zwart ingevuld zijn. De lichte band is zeer breed, voor- namelijk doordien het zwarte lijntje vóór de roestkleurige vlekken, met de zwarte afzetting van deze, tot eene dikke zwarte streep verbonden is.

Verder eene merkwaardig lichte Euplexia lucipara L. uit eene in Sprekers tuin gevonden pop gekweekt. De grondkleur der voorvleugels is, in plaats van paarsbruin, lichtgrijsgeel ; het middengedeelte in plaats van zeer donker paarsbruin, licht paarsachtig grijs, evenzoo de thorax en het achterlijf. Achter- vleugels zeer licht, nagenoeg zonder donkere bestuiving.

Ten slotte eene zeer eigenaardig donker gekleurde Orthosia pistacina F., bij welke de grondkleur der voorvleugels donker zwartbruin, de omtrek der vlekken en verdere teekening rood- bruin, de achtervleugels even als het achterlijf bruinzwart en de thorax donker zwartbruin is.

Nog wenscht Spr. mededeeling te doen van eenige waarne- mingen betreffende het voorkomen van vlinders in bepaalden tijd.

Meermalen zijn op deze vergaderingen vlinders ter sprake

VERSLAG. XXV

gekomen, op tijden gevangen, dat bij sommigen het vermoeden gewekt werd, dat men met eene tweede generatie te doen had.

Over ’t algemeen moet men zeer voorzichtig zijn met het aannemen eener generatie. Evenmin als de vlinders zich steeds houden aan de opgegeven grootte, evenmin houden zij zich stipt aan de door de schrijvers vastgestelde tijden van verschijnen. Verscheidene vlindersoorten komen op zeer onge- lijke tijden uit de poppen, van daar dat men soms van dezelfde soort volwassen rupsen en vlinders tegelijk aantreft; ook vindt men bij zeer vele, zoo niet bij alle soorten, zoowel voorloopers als achterblijvers. Zelfs daar, waar men bepaald met twee generaties te doen heeft, zooals by Arg. selene Schiff, is het menigmaal onmogelijk uit te maken, of men een vlinder der le of wel een der generatie heeft. In Spr.’s verzameling staan o.a. vlinders gevangen den 29sten Juni en den 21sten Juli; van deze is niet te zeggen tot welke generatie zij behooren.

Den 21sten Juli 1902 werd door Spr. onder Apeldoorn eene Hesperia malvae L. gevangen; de gewone vliegtijd van deze soort kan men aannemen, dat van 15 April tot 15 Juni is.

Den 13% Aug. 1892 ving Spr. onder Winterswijk en den 2gsten Juli 1905 onder Voorst, telkens een exemplaar van Thanaos tages L.; de gewone vliegtijd van deze soort is van Mei tot half Juni. Alle drie vlinders behoorden volgens zijne vaste overtuiging niet tot eene tweede generatie, maar waren waarschijnlijk nakomers.

Den 6den September Ll. ontving Spr. nog eene Mamestra thalassina Rott. d en den 194en van diezelfde maand eene Mamestra brassicae L. &. De gewone vliegtijd van de eerste is de maanden Mei en Juni, van de tweede soort Mei, Juni, Juli. Bekend is het, dat van soorten, die gewoonlijk als rups of als pop overwinteren, somtijds enkele dezer het volwassen insect reeds in het najaar leveren, in zekeren zin dus eene tweede generatie. Spr. beschouwt het echter niet als zoodanig, daar

de meeste van deze exemplaren tot voortteling ongeschikt zijn

XXVI VERSLAG.

of, indien zij nog eieren en rupsjes leveren, deze reeds in 't najaar of in den winter te gronde gaan.

Dusdanige dieren zou men ontijdig geborene kunnen noemen.

Eenige jaren geleden ving o.a. de heer Caland in het najaar eene Taeniocampa stabilis View. op de stroop. Van + 270 poppen van Mamestra contigua Vill., die in Sprekers tuin onder een afdakje in eene kist met gaas bewaard werden, leverden 18 in Aug. en Sept. reeds de vlinders.

Van het gelijktijdig aantreffen van volwassen rupsen en vlinders wil Spr., om niet te uitgebreid te worden, alleen één voorbeeld uit het afgeloopen jaar aanhalen.

Den 26sten Juli vond hij tegen een hek twee nog tamelijk goede exemplaren van Sphinx pinastri L.; den volgenden dag werd hem eene volwassene rups van deze soort gebracht, die reeds den daarop volgenden dag ter verpopping in den grond is gekropen.

Dat van het vinden van een vlinder op een voor dezen ongewonen tijd in de entomologische werken geene melding wordt gemaakt, is volgens hem natuurlijk; het behoort er ook niet thuis.

Een entomologisch werk heeft alleen aan te geven én den gewonen vliegtijd èn de meest voorkomende grootte ; alle abnor- male verschijnselen in deze te vermelden, zoude eenvoudig ondoenlijk zijn.

De heer van Roon vertoont eene serie van 5 d'd van Odontolabis ludekingi Voll, eene Lucanide van Sumatra, en merkt daarbij op: Onder het vele merkwaardige, dat door den heer Knappert van Sumatra is medegebracht, bevonden zich twee Odontolabis-soorten, elke in eenige exemplaren, die in kleur en lichaamsvorm overeenkwamen, doch in kaakvorm veer verschillend waren, Bij onderzoek bleek de minst ont- wikkelde dezer twee vormen te zijn Odontolabis ludekingi Voll. en wel de meest ontwikkelde vorm, welken Leuthner in zijne

VERSLAG XXVII

»Monograph of the Odontolabini« aangeeft als den telodonten vorm. Dat Leuthner dezen vorm met een vraagteeken heeft vermeld, bewijst, dat reeds hij vermoedde, dat dit wel de meest ontwikkelde bekende vorm was, doch dat hij reeds twijfelde, of het wel de telodonte vorm zou zijn.

_ Uit het vergelijkend onderzoek blijkt nu, dat de andere der twee bovengenoemde soorten óók Odontolabis ludekingi Voll. is, en wel de echte telodonte vorm, die tot nog toe van deze soort onbekend, of althans onbeschreven is, doch die van verwante soorten als wollastoni Parry, alticola Möll., cuvera Hope enz. wel bekend en beschreven is, en daarmede groote overeenkomst vertoont. Hiermede is dus bewezen, dat Leuthner gelijk had, toen hij den telodonten vorm van Od. ludekingi met een vraag- teeken vermeldde, aangezien nu gebleken is, dat de echte telo- donte exemplaren veel sterker ontwikkelde kaken hebben, veel langer dan den kop en van een slanken bouw en eleganten vorm.

Spreker zal nu trachten na te gaan, of in andere Lucaniden- collectién reeds dergelijke exemplaren aanwezig zijn, door de exemplaren te fotografeeren en de afbeeldingen rond te zenden aan verschillende Lucaniden-specialiteiten. Later denkt hij den nieuwen vorm in het Tijdschrift te behandelen en zoo noodig af te beelden.

Bij de vertoonde exemplaren bevindt zich een ex. van den telodonten vorm en ook een ex. van den anderen, tot heden

voor den telodonten gehouden vorm.

De heer Mac Gillavry was in de gelegenheid in April 1905 een zwermdag bij te wonen van schorskevers en wel in het Grünewald bij Berlijn, een bosch hoofdzakelijk uit naaldhout bestaande. De soorten, die het meest rondvlogen, waren Xyloterus (Trypodendron) lineatus Oliv., Hylastes ater Payk. en Myelophilus piniperda L. Vooral eerstgenoemde soort vloog op vrij versch

geschilde dennenpalen, die gebruikt waren om eene omrastering

*xviri VERSLAG.

te steunen en welke loodrecht in den grond stonden. De palen zelf vertoonden geene boorgaten.

Na het aanvliegen gingen de kevers onmiddellijk over tot paring. By het nalezen over de ontwikkelingsgeschiedenis van X, lineatus bleek het, dat de daarbij aangenomen gang van zaken berust op de onderzoekingen van RATZEBURG. Deze ver- meldt o. a., dat de wijfjes reeds bevrucht worden ter plaatse waar zij zich ontwikkelden en wel door mannetjes van hetzelfde broedsel, eene waarneming die met die van Spr. in strijd is. Aan te nemen, dat een zoo goed waarnemer als RATZEBURG zich ver- gist heeft, is voorloopig voorbarig, maar aan den anderen kant is het waarnemen van de bevruchting zelf in de diepe hout- gangen, die deze kever maakt, wel haast onmogelijk. RATZEBURG kan alleen geobserveerd hebben, dat de wijfjeskevers bevrucht uit de gangen te voorschijn kwamen.

De onderlinge bevruchting van leden van een zelfde broedsel blijft altijd iets dat wij niet gaarne als een feit aannemen,” vooral daar kweekproeven in die richting genomen altijd tot resultaat geven, dat het geslacht spoedig verbastert en er ten slotte geene goede, tot voortplanting geschikte exemplaren meer verschijnen. Wel worden er bij de dieren meer observaties van ongekruisde copulaties gedaan, maar het is twijfelachtig of daarover het laatste woord reeds gesproken is. Een bekend verhaal is b.v. dat, wanneer bij de bijen in een korf koningin en darren geslachtsrijp zijn, zij dan hoog in de lucht gaan zwermen en daar copuleeren. Toch acht Spreker het waar- schijnlijk, dat ook daar wel kruisbevruchting zal plaats hebben en steeds de zwermtijd van meerdere bijenkorven zal samen- vallen.

Hetzeltde vindt men bij de mieren, waar de zwermen eene dergelijke wolkachtige hoeveelheid kunnen vormen, dat niet aangenomen kan worden, dat deze zwermen uit één nest af kom- stig kunnen zijn. Daar schijnt dus wel degelijk vermenging

plaats te vinden. Dit is des te opmerkelijker, daar in den

VERSLAG. XXIX

gewonen omgang leden van verschillende kolonies dikwijls zeer vijandig tegenover elkaar staan.

Spreker heeft zich nu afgevraagd, of zijne waarnemingen, die niet één maar vele individuen betroffen, aanleiding moeten geven de opinie van RATZEBURG als onjuist te verwerpen en of b.v. de verklaring gezocht moet worden in waarnemingen, die Spreker bij andere schorskevers verrichtte. Daar bleek toch, dat de kevers, die reeds lang volkomen ontwikkeld ieder in zijn eigen boorgat zaten, in een betrekkelijk kort tijdsverloop van slechts eenige dagen hun boorgat openen en dan ’s avonds en ook overdag rondkruipen. Bij slecht weer hadden zij nei- ging in de boorgaten weg te kruipen, waarbij lang niet elk individu zijn eigen wieg weer betrekt. Herst op mooie dagen hadden de dieren neiging tot vliegen.

De mogelijkheid bestaat dus, dat de door RATZEBURG waar- genomen kevers reeds gezwermd hadden en buiten bevrucht waren, maar b.v. door eene snelle weersverandering hunne oude woningen weer opgezocht hadden en daar later by gunstig weder weer uit te voorschijn kwamen.

Er bestaat echter eene tweede mogelijkheid en deze zou zijn, dat bij gebrek aan goed zwermweer de kevers in hunne boor- gaten of in den omtrek daarvan blijven en dan noodgedrongen tot onderlinge bevruchting overgaan. De kans daartoe zou dan by Xyloterus vrij groot zijn, doordat in eene moedergang een geheel broedsel bij elkander hokt. Toch zal paring in de gang zelf moeilijk of onmogelijk zijn, daar de kevers op elkaar zitten by de paring en de gang nauw is.

De paringsgeschiedenis van Xyloterus zou dus analoog zijn aan hetgeen wij bij vele bloemen zien, waar bij het uitblijven van kruisbestuiving ten slotte zelfbestuiving plaats heeft.

Wanneer de waarneming van RATZEBURG daarentegen den regel vormde, dan zou dit te vergelijken zijn met de kleisto- gamie der planten, die echter op hare beurt aan de parthe-

nogenesis doet denken,

XXX VERSLAG.

Ten slotte vermeldt Spr., dat op dezelfde palen, waarop de schorskevers rondliepen, vele exemplaren Thanatosimus formi- carius L. aanwezig waren, die met de grootste onpartijdigheid verschillende schorskevers nuttigden ; misschien hadden zij voor Xyloterus voorkeur ; of dit aan het ambrosia-voedsel lag of aan

hun grooter aantal, waagt Spr. niet te beslissen.

Verder vertoont Spr. een exemplaar van Oodes helopoides F. naar aanleiding van eene observatie die hij meent gedaan te hebben. By het vangen van de kevers werden deze gehuld in eene melkachtige vloeistof met een uiterst walgelyken reuk. Het leek nu, of deze vloeistof voor en achter het borststuk te voor- schijn kwam, wat dus een verdedigingsmiddel zou kunnen zijn overeenkomstig met hetgeen wij by de Dytisci vinden. Het is Spreker niet bekend, of deze waarneming al meer gedaan is en zoo ja, of meerdere Carabidae deze eigenaardigheid ver- toonen. Spr. verzocht dus den anderen heeren coleopterologen ook hieraan hunne aandacht te willen schenken, waardoor uit-

gemaakt zal kunnen worden, of zijne observatie al dan niet juist is.

Vervolgens vertoont Spr. eenige coleoptera naar aanleiding van het voorkomen en de verspreidingswijze der kevers.

1. Exemplaren van Urodon rufipes L., een op wilde reseda voorkomend kevertje, dat in het oosten van ons land niet onge- woon is, in de duinen echter slechts enkele malen werd waar- genomen. Spreker heeft jaren lang steeds de wilde reseda in de duinen afgezocht, maar nooit een enkel exemplaar gevonden, totdat hy dit jaar den kever in groote quantiteiten vond te Overveen, op elke plant vele exemplaren.

2. Lathridius bergrothi Reitt., gevangen in zijn huis te Amsterdam. Spr. ontdekte voor vele jaren deze soort nieuw voor de fauna in eene schuur te Leiden, waar zij in groot aantal voorkwam, waarschijnlijk ingevoerd met eene dadeikist.

Later vond hij een enkel exemplaar in het laboratorium, waar

VERSLAG. XXXI

hij werkte en waar wel pakmateriaal kwam uit die schuur. Voor een jaar werden uit dezelfde schuur pakkisten naar zijn huis in Amsterdam verzonden en nu heeft de kever ook daar vasten voet verkregen. De heer LEESBERG vond de soort intus- schen ook in den Haag op wijnvaten. Een samenhang tusschen deze vondst en die van Spreker is hem niet bekend.

3. Exemplaren van eene Dinoderus-soort, ontwikkeld in eene bamboefabriek te Krommenie uit Bamboe van Japansche her- komst. Allicht zal deze nog niet nader gedetermineerde soort tot de kosmopolieten gaan behooren.

Tot slot laat Spr. eenige zeldzame inlandsche Coleoptera circuleeren. Elaphrus uliginosus F. Amsterdam, Ludius ferru- gineus L. Driebergen, Dascillus cervinus L. Bussum, Cerambya cerdo L. te Amsterdam uit Oostenryksch hout ontwikkeld en een exemplaar van Dromius quadrinotatus Panz. van de ab. c. biplagiatus Heyd. eene f. n. ab. door de heer v. Dn. Beuk te Hilversum ontdekt.

De heer H. J. Lycklama a Nyeholt doet eenige mededeelingen betreffende verschillende vlinders, die hy ter bezichtiging laat rondgaan, nam. :

1°. Pseudoterpna pruinata Hufn. Ten einde iets meer te weten te komen omtrent de wordingsgeschiedenis der grijze exemplaren, zijn door Spr. dit jaar eenige rupsen gekweekt. Deze vertoonden, toen zij volwassen waren, eene fraaie roze- roode zijstreep, zooals in Sepp beschreven staat, doch niet in Snellen, noch in ter Haar. In het voorjaar waren eenige rupsen van brem geklopt; deze groeiden voorspoedig en verpopten. Alle poppen leverden zuiver groene vlinders. Ter vergelijking vertoont Spr. ook een zuiver grijs exemplaar, eenige jaren geleden gevangen. Deze kweek heeft hem dus niet verder gebracht, doch Spr. hoopt hierop later terug te komen, als

het hem gelukt zal zijn meer rupsen te vangen en ook eieren

XXXII VERSLAG.

te verkrijgen van zuiver grijze exemplaren, om daaruit dan de rupsen te kunnen kweeken.

2%. Agrotis pronuba L., een exemplaar, dezen zomer gevan- gen, dat het zwarte vlekje aan den voorrand der golflijn totaal mist, Links zijn twee zeer kleine zwarte puntjes dicht bij den voorrand, rechts zijn deze bijna niet te zien, doch op de typi- sche plaats is geen spoor van zwart.

3%, Cidaria sagittata F., in Juli 1898 te Laren in Gelder- land gevangen en dus het tweede inlandsche exemplaar.

49, Luperina porphyrea Esp. Van deze soort, tot nu toe alleen bij Cuyk (ter Haar) en Apeldoorn (de Vos) gevangen, werden 10 exemplaren op smeer aangetroffen bi) Nijmegen (Berg en Dal); ook werden eenige exemplaren te Putten op de Veluwe gevangen door Dr. T. Lycklama a Nyeholt.

5%. Agrotis castanea Esp. komt by Nijmegen op bloeiende heide voor, doch is er niet gewoon.

6%. Xanthia aurago F., in aantal op smeer by Berg en Dal gevangen, waaronder een eigenaardig exemplaar van de var. fucata Esp., waarbij het zeer donkere middenveld door lichte lijnen is afgezet; meestal zijn de dwarslijnen slechts aangeduid aan de grens van de velden.

70. Orrhodia silene W. V. (vau-punctatum Esp.). Van deze soort, slechts enkele malen in Nederland waargenomen, ving Spr. 4 exemplaren op smeer te Berg en Dal.

8°. Cabera pusaria L. var. heyeraria, gevangen 9 Aug. 1901 op de Hillegersbergsche plas in een stortregen en reeds vermeld in Tijdschr. v. Entom. Dl. XLVI.

T'en slotte wenscht Spr. te vermelden eenige aanteekeringen door hem gemaakt betreffende het vangen van vlinders op smeer. In September en October had Spr. op 75 a 100 boomen gesmeerd met 1 K.G. stroop, een weinig appelaether en een scheut rhum en zelfs nog tien dagen na het smeeren kwamen verscheidene vlinders op het smeer af, hoewel het in die

dagen een paar keer flink geregend had.

VERSLAG. XXXIII

gesmeerd 20 September. gesmeerd 23 October. waargenomen op 26,28 Sept. 23,24, 27,50, 31 Oct. 1 Nov.

Orthosia helvola L. . . 150 130 1 3 5 5 3

» Lota Clan.) 50 25

» circellaris Hufn. 30 30 15 5 10 2 1

» macilenta Hb. . AMS 29102 2 Xanthia icteritia met var. flavescens . . . . . . . 10 6 Xanthia -togata Hb. 1 LU ———— Orrhodia vaccinii L. : 27.20.25 50.202480. 16 3 Imubiginea Ban in RARO PONS rg > erythrocephala¥. 30 10 30 25 30 28 » sine Hb... ——— 8 1

.Scopelesoma satellitia L. 2 1 512 116°. Salt basco ROOT OA Dyyobota proteanBkh... 502 200) i, i. ae Xylina ornithopus Rott. 1 Calocampa vetusta Hb. 1 Catocala nupta L.... 1 Hypena rostralis L... 2 _Cheimatobia brumata LO 1 Cidaria dilutata W.V. —— 2—

Totaalaantalexemplaren 298 222 77 22106118 75 51 Totaal aantal soorten 11 10 SAR 905 6

Sprekers aanteekeningen betreffende het weder luiden als volgt: 20 September, zoel, bewolkt, geen maan, vlinders vrij vast. 28 » , kouder, helder, geen maan, vlinders vrij vast. 23 October, geen maan, bewolkt, weinig wind, vlinders vast

(half 8). 24 , koud, verder als 23 Oct., een uur later (half 9) vlinders vast, ver van het smeer. 27 » , goed weer, matige wind, bewolkt, vlinders vast (half 8),

XXXIV VERSLA Ge

30 October, het heeft heden hard geregend, storm, warm, be- wolkt, nu en dan helder, dan weer regen, geen maan, vlinders vast (half 8). 31 » , warm, helder, storm, geen maan, vlinders minder vast (half 8). 5 1 November, warm, helder, harde wind, begin maan, vlinders vast (half 8).

De heer van der Weele deelt het volgende mede:

De secundaire sexeverschillen bestaan bij de Ascalaphiden in de meeste gevallen in verschil in dikte van het abdomen, dat bij het d slank en cylindrisch is, bij het © gezwollen, wanneer het de eieren nog bevat of ineengeschrompeld, wanneer: deze afgezet zijn. Het Amerikaansche geslacht Suhpalacsa Lefv. levert van dezen eenvoudigsten vorm van sexeverschil zeer goede voorbeelden. Bij het geslacht Ascalaphus, Hybris, Ogaogaster en vele andere Indische genera zijn bij het d groote tangenvor- mige Cercoiden ontwikkeld, welke bij het © rudimentair zijn of geheel ontbreken. Bij het geslacht Theleproctophylla vindt men bij het 9 nog aan iedere zijde van het abdomenuiteinde een bladvormig aanhangsel, dat eene membraneuze uitstulping schijnt te wezen, die bij pas ontpopte imagines nog niet voorkomt, maar eerst later geleidelijk ontstaat. Zijne functie is onbekend.

Een dikwijls voorkomend sexueel verschil is in de lengte van het abdomen gelegen, die bij het d die van het © wel 3. maal overtreft, zoo bijv. bij Eneyoposis bacillus Gerst. uit Afrika, en Acheron longus uit Indië. By de laatst genoemde hebben de antennen der 74 aan hare 10—12 basale leedjes aan de binnenzijde een kort tandje, dat by het © ontbreekt. Bij Supha- lasca spectabilis Gerst. uit Australië is op het 2de abdominaal- segment van het 4 aan de bovenzijde een lang staafvormig, bijna rechtafstaand uitsteeksel, waarvan de functie onbekend is. Bij

vele geslachten der beide onderfamilies Holophthalmen en

VERSLAG. XXXV

Schizophthalmen komt een dergelijk uitsteeksel voor, soms op het 3de of 4% segment, maar meestal op het 34°. By enkele vormen eindigt het in 2 beweegbare aanhangsels. Het komt uitsluitend bij het .d' voor.

In den vleugelvorm is slechts zelden sexueel verschil op te merken; meestal zijn de vleugels van de TY iets smaller. Bij het Afrikaansche genus Allocormodes M. L. heeft het d melkwitte voorvleugelpunten en zijn de achtervleugels iets korter en breeder aan de basis dan bij het o. Daar Spr. van dat geslacht exemplaren zag, waarvan de vleugelpunten stukgeslagen waren, is er reden te vermoeden, dat zij krachtig vliegen en deze witte vlek, die tegelijk eenigszins verdikt is, den vleugeltop versterkt.

Bij de Zuid-Amerikaansche genera Cordulecerus, Colobopterus en Orphne vooral vindt men het sexeverschil in den vorm der achtervleugels: uitgedrukt. In het eerste: geslacht zijn die van het d aan den anaalrand bijna en ingesneden, DI het © daarentegen bijna recht. |

Bi Orphne heeft het d' aan den lodi der smalle ach- tervleugels ééne breede hakvormige uitbochting, die het zeer duideljk van het ©, dat gaafrandige smalle achtervleugels heeft, onderscheidt. By Orphne macroceras Burm. uit Bahia heeft het d aan de zeer lange antennen aan de binnenzijde van het onderste derde gedeelte uitsteeksels, die aan kleine tandjes doen denken. By nauwkeurig onderzoek blijkt echter, dat dit geene tandjes zijn, maar rijen van zwarte borstelharen, die dien indruk maken.

Polymorphisme kon Spr. tot nog toe voor twee soorten, Acheron longus en Cordulecerus alopecinus, vaststellen. Bij de eerste soort heeft het * hyaline vleugels, welke by zeer rijpe exemplaren eenigermate bruin getint kunnen zijn. Het © heeft bijna altijd de costaalstreep der voorvleugels en de achtervleu- gels bijna geheel, goudgeel. Er komen nog 99 voor, welke deze kleur missen en hyaline vleugels hebben, evenals het ©.

Mac Lachlan hield ze voor onuitgekleurde exemplaren, maar

XXXVI VERSLAG.

door een groot materiaal te vergelijken, heeft Spr. kunnen constateeren, dat de gekleurde en de hyaline vorm nooit in elkaar overgaan, zooals hy by pas uitgekropen 99 met reeds geelgetinte vleugels en zeer rijpe met hyaline vleugels kon waarnemen. Ofschoon deze soort eene groote geographische verspreiding heeft, vasteland van Índië tot Formosa toe, heeft hij toch steeds beide vormen van de verschillende localiteiten gezien.

Van Cordulecerus alopecinus vond Spr. een 9, zonder vind- plaats-opgave, onder de Ascalaphiden van het Weener Museum, dat de bruine vlek aan den anaalrand der achtervleugels mist en daardoor eveneens meer overeenkomst met het d' vertoont. Het exemplaar komt Spr. volkomen uitgekleurd voor.

De verschilende soorten laat Spr. ter bezichtiging rondgaan.

Hierop sluit de President de vergadering.

Ve eS ENG

VAN DE

EEN-EN-ZESTIGSTE ZOMERVERGADERING

DER

NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREERIGING,

GEHOUDEN TE OLDENZAAL ep Zaterdag, 7-1 Juli 1906,

des morgens ten 11 ure.

President de heer Dr, J. Th. Oudemans.

Met hem zijn tegenwoordig de heeren: Dr. J. F. van Bemmelen, P. J. van den Bergh Lzn., Mr. A. Brants, Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, D. van der Hoop, E. R. Jacobson, K. J. W. Kempers, Mr. A. F. A. Leesberg, Dr. D. Mac Gillavry, Dr. J. C. H. de Meijere, Dr. A. C. Oudemans, Dr. A. J. van Rossum, P. J. M. Schuyt, Mr. D. L. Uyttenboogaart, Dr. H. J. Veth, Mr. L. H. D. de Vos tot Nederveen Cappel, W. Warnsinck, Dr. H. W. van der Weele en als gast de heer J. B. Bernink.

De heeren: ©. J. H. Bierman, A. van den Brandt, M. Caland, Mr. A. J. F. Fokker, P. Haverhorst, W. M. Docters van Leeuwen, A. A. van Pelt Lechner, A. Mos, Dr. C. L. Reuvens, P. C. T. Snellen, H. A. de Vos tot Nederveen Cappel en Erich Wasmann, S. J. zonden bericht, dat zij ver-

hinderd waren de vergadering bij te wonen. Tijdschr, v. Entom. XLIX. 3

XXXVIII VE RAS AL VANG:

De President opent ten 11 ure de vergadering met de

volgende toespraak : Mijne Heeren !

Voldoende aan de verplichting, den President uwer Veree- niging opgelegd in Art. 18 onzer Wet, heb ik het genoegen u de lotgevallen onzer Vereeniging in het afgeloopen jaar te schetsen.

Gy zult u herinneren, dat het vorige jaarverslag, in ver- band met de in 1905 vroegtijdiger dan gewoonlijk gehouden zomervergadering, slechts reikte tot 20 Mei. Ik wees er toen reeds op, dat al hetgeen er in de weinige nog te verstrijken weken van het vereenigingsjaar gebeuren mocht, in het vol- gende, zijnde dit jaarverslag vermelding zou vinden.

Zeker had geen onzer gedacht, dat in die korte spanne tijds een der nog in volle levenskracht op de vorige zomerverga- dering aanwezigen ons door den dood zou ontvallen. Dirk ter Haar overleed 29 Juni 1905, 44 jaar oud. Een levens- bericht van mijne hand met portret is reeds verschenen in de eerste aflevering van Deel 49 van ons Tijdschrift, zoodat ik daarnaar mag verwijzen. Doch een laatst vaarwel zij hem nog eens hier van deze plaats gebracht, nu wij weer bijeen zijn op eene zomervergadering, welke steeds in zoo hooge mate zijne sympathie had.

Kort na ter Haar overleed onze Bisschop van Tuinen, en wel op 14 Juli 1905, 64 jaren oud. Ook hij was op de vorige zomervergadering aanwezig en stelde zich zooveel voor van zijn weldra intredend otium, in de hoop, zijne lievelingsstudie, het microscopisch onderzoek en het photographeeren van de zagen der bladwespen, met kracht te kunnen vervolgen. Het heeft niet zoo mogen zijn. Ons medelid van Rossum zal hem herdenken in een »In memoriam«, dat in aflevering 4 van

den loopenden jaargang van ons Tijdschrift zal verschijnen.

VERSLAG. XXXIX

Eindelijk verloren wy door een gewelddadigen dood in Januari 1906 ons medelid den controleur M. Knappert te Beirabei op Borneo. Hy werd gedood bij gelegenheid van een aanval door inlanders. De bijzonderheden staan u allen levendig voor den

geest; zij werden uitvoerig in de dagbladen vermeld.

Voor het lidmaatschap bedankten de Heeren : L. P. de Bussy te Amsterdam, J. B. Heinemann te Groningen, Mr. C. P. L. Rutgers te Zwolle, Joh. Ruys te Bussum en A. H. J. Thie te ’s-Gravenhage.

Hunne plaatsen worden ingenomen door de volgende nieuwe leden: C. A. L. Smits van Burgst te Beek in N.-Brabant, E. D. van Dissel te Utrecht, Jos. Cremers te Rolduc, Kerk- rade, J. D. Moerman te Wageningen, W. M. Docters van Leeuwen te Utrecht en E. R. Jacobson te Samarang. Hun allen roep ik een hartelijk welkom toe en ik hoop, dat zy in onzen kring alles zullen vinden, wat zij verwachten, ja meer dan dat. De heer van Dissel, die vroeger reeds persoonlijk lid was, toen hy de Nederlandsche Heidemaatschappy vertegen- woordigde en thans, nn hij inspecteur van het Staatsbosch- beheer is, zijn persoonlijk lidmaatschap weder aanvaardde en dus eigenlijk geen nieuw, doch een oud lid onzer Vereeniging is, zal daarover het best kunnen oordeelen. En wij zien dat oordeel met vertrouwen tegemoet, want nog zelden, wellicht nooit, heeft onze kring hen, die toetreden, teleurgesteld, wel daarentegen banden doen aanknoopen, die bleken banden voor het leven te zijn. Kon ik hier de lijst der ons outvallenen nu maar als gesloten beschouwen, doch helaas is dat niet zoo.

Onze oudste begunstiger, Dr. F. J. L. Smidt te Rotterdam is ons in Maart 1906 ontvallen. Hij was ons niet minder dan 37 jaar getrouw, want zijn donateurschap dateerde reeds van 1869. Dankbaar voor den zoo lang ondervonden steun, zal zijne herinnering bij ons voortleven.

Dr. G. von Seidlitz, te Ebenhausen, in onze vorige zomer- 3%

XL VERSLAG.

vergadering tot correspondeerend lid benoemd, heeft deze benoeming aangenomen. De heer H. Schouteden te Brussel trad als buitenlandsch lid toe. Onze vereeniging bestaat thans uit : Het buitengewoon Eerelid, 6 Eereleden, 15 Begunstigers, 9 Correspondeerende leden, 5 Buitenlandsche leden en 111 Gewone leden.

Wat onze publicaties betreft, verschenen sedert het vorige verslag vooreerst het geheele deel 48, en wel compleet voor het einde van 1905, en de eerste aflevering van deel 49. De tweede en derde aflevering van datzelfde deel zijn gereed en zouden reeds uitgegeven zijn, ware het niet, dat op het laatste oogenblik eene vertraging, buiten de bemoeiingen der redactie liggende, ontstaan was, die het verschijnen eenige dagen tegen- hield. Binnen eene week zal echter deze dubbele aflevering 2+3 het licht zien. Van de entomologische berichten ver- schenen alle afleveringen op den bepaalden tijd, zijnde de nummers 24 tot en met 80. Tevens werd een register voor de afleveringen 1 tot 24, die te zamen Deel I vormen, gereed- gemaakt en uitgegeven. De stof, zoowel voor het Tijdschrift als voor de Entomologische Berichten, blijft in ruime mate aan de redactie toestroomen.

Het overzicht van ons financiewezen zal u zoo aanstonds door onzen Penningmeester gegeven worden, waarna de toe- stand van onze Bibliotheek nader namens den helaas afwezigen Bibliothecaris zal worden toegelicht.

Nog kan ik u mededeelen, dat ik in April het door onze Wet voorgeschreven bezoek aan de Bibliotheek gebracht heb

en er alles in de meest volmaakte orde heb aangetroffen.

VERSLAG.

XLI

De Penningmeester brengt hierop verslag uit van zijn

gehouden beheer, en legt een schrijven over van de heeren

Dr. H. Bos en A. A. van Pelt Lechner, waarin genoemde

heeren verklaren de rekening van den Penningmeester te heb-

ben nagezien en accoord bevonden.

Algemeene Kas.

ONTVANGSTEN.

Voordeelig saldo vorig jaar Rente van effecten

» » kasgeld Contributie van leden

» » begunstigers .

Vergoeding voor overdrukken uit de Ent. Ber..

Verkochte geschriften

Uitloting van een 4°/, Pandbr. Rott. ere Bank

UITGAVEN.

Bewaring fonds Tijdschrift. Assurantie .

Jaarl. bijdrage aan ee aie ee "Di » » » » Ned. Heide-Maatsch. .

Aankoop van boeken. Inbinden van boeken. Drukken van verslagen . PIE

» » de Entomol. Berichten Circulaires, adressen, enz. . Lokaalhuur enz. voor de Bibliotheken. Verschotten der leden van het Bestuur Aankoop 8!/,°/ Pandbr. Rott. Hyp. Bank

397.245 185.39 36.71 666.— 140.— 2.20 2.80 1000.—

2430. 345

ble

274.475 39.75 123.50 129.70 79.85 60.— 95.76 986.87

1876.405

XLII VERSLAG.

De ontvangsten bedroegen . . f 2430.34 De uitgaven » ern 11870.A40>

dus batig saldo f 553.945

Fonds voor de uitgaaf van het Tijdschrift.

ONTVANGSTEN.

Voordeeligsaldo vorig jaar.) in er Rikssubsidie. . . . A Org era hic le D Verkochte ex. aan de leden gi ET STIA

» >. » den handel (2 jaren) . .. » Bijdragen van begunstigers... .. . 2.» Vergoeding extra-overdrukken . . . . . . . >

307.355 500.— 324,-— 344,— 55,— 2.80

f 1533.155

UITGAVEN.

Platenrekening Deel 47 .. . na a 3 J a. 72084 > DAB So) go hek Lok NOT us DEMO ieee Drukken Deel 487. 2 A 22270992 Rekenmoy Balin CONC REP i > 4,— » Roeloffzen, Hübner en v. Santen . . 59.925 Zegel en leges op de rijkssubsidie . . . . . » 1.72 Assurantie van het fonds Tijdschrift. . . . . » 1.75 Verschotten, waaronder kosten van verzending . » 57.— Di

1869.65

De uitgaven bedroegen . . f 1869.63

De ontvangsten » Se

dus te kort 7 990. 47°

VERSLAG. XLIIT

Voor het eerst na jaren sluit deze rekening met een te kort, maar thans is zij ook geheel zuiver, schulden zijn er niet meer. Daar de platenrekening gedurende de laatste vier jaren eerst inkwam na de afsluiting der boeken, bestond er in wer- kelijkheid gedurende die jaren ook een te kort, hetgeen echter steeds grooter wordt.

Fonds der Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier.

ONTVANGSTEN. Moordeelio Saldo worıo jnarı go esa We 10470 Rente inschrijving Grootboek . . .-. . . . » 802.54 f 497.30 UrrGAVvEN. Inbindengvansboekene2 wo a. CP Ole N ankoops van boekenk Rd Ae Re 1328.70 ESSENT Meare rt ey mn en RER" 9.— f 374.70

De ontvangsten bedroegen . . f 497.30 De uitgaven » SUA ro)

dus batig saldo f 122.60

De President brengt een woord van dank aan den Penning- meester, die weder in het afgeloopen jaar de finantiën der Vereeniging met groote zorg heeft beheerd en stelt voor, dezen van het gehouden beheer te dechargeeren, waartoe de

vergadering bij acclamatie besluit.

De Bibliothecaris, tot zijn leedwezen wegens huiselijke

XLIV VERSLAG.

omstandigheden verhinderd de vergadering bij te wonen, zond het Verslag over den toestand der Bibliotheken in. Dit wordt hierop door den Secretaris voorgelezen.

Het luidt als volgt:

Nile Jah

Het verslag door my als Bibliothecaris uit te brengen over den toestand der Boekery onzer Vereeniging, kan gelukkig weder gunstig van inhoud zijn. Er werden geene verliezen geleden, integendeel, er konden nieuwe werken aangekocht worden, een heuglijk verschijnsel, dat zich in de laatste jaren herhaald heeft, en naar ik hopen mag voortdurend zich zal blijven vertoonen. Verscheidene geschenken werden ont- vangen ; van alle is door mij in de Entomologische Berichten melding gemaakt; mocht ik een enkel vergeten hebben, dan maak ik mine verontschuldiging daarover, en wordt den gevers hierbij dank gebracht. In dit verslag is echter eene schenking te memoreeren, ons kort geleden gedaan van wege onzen Vice- voorzitter, Dr. Everts. Of het voorbeeld, indertijd gegeven door wijlen onzen penningmeester Groll, hem voor oogen stond, weet ik niet, maar evenals toen ontving ik eene opgave van werken, waaruit eene keuze mocht gedaan worden. Hulde en dank wordt den gever hier gebracht, zóo voor het geschenk, áls voor de wijze, waarop het gegeven werd. Behalve eene reeks separata en eenige grootere werken, vooral Coleoptera betreffend, ontvingen wij verscheidene ontbrekende deelen van Tijdschriften, en werden zoodoende lacunes aangevuld in: Feuille des J. Naturalistes, Revue Entomologique red. p. Fauvel en Le Naturaliste.

Van de aankoopen wil ik hier nog vermelden de twee tijd- schriften : Le Naturaliste en Die Insectenbürse, beiden op ver- zoek van eenige werkende leden aangeschaft, terwijl kort

geleden (doch op rekening van ’t nieuwe jaar) aangekocht

VERSLAG. XLV

zijn : Distant, Oriental Cicadidae en Lethierry et Sévérin, Cata- logue général des Hemiptères, beide standaardwerken.

Voeg ik hier nog aan toe, dat den leden het jaarlijksch supplement op de Catalogi ontvingen, evenals een overzicht van Entomologische literatuur, en dat verder ’t noodzakelijk bindwerk verricht is, dan meen ik mijne taak op éen onder- deel na volbracht te hebben. Het is mij namelijk eene behoefte, om mijn dank te betuigen aan mijn medebestuurslid Dr. v. Rossum voor de groote welwillendheid waarmede hy, in mijne

afwezigheid, waar noodig, als Bibliothecaris optrad.

81

De President stelt aan de vergadering voor, de heeren Dr. H. J. Lycklama à Nyeholt en Dr. J. Prince, beiden te Nijmegen, te verzoeken de rekening van den Penningmeester over 1906—1907 na te zien, waartoe besloten wordt. Genoemde heeren, niet ter vergadering aanwezig, zullen door den Secre-

taris in kennis worden gesteld van hunne benoeming 1).

Overgaande tot punt 5 der agenda, verzoekt de President de vergadering over te gaan tot het vaststellen van de plaats, waar de volgende zomervergadering zal gehouden worden.

Daar door verschillende leden ’s Hertogenbosch, Tilburg, Alkmaar, Doetinchem en Maastricht worden aanbevolen, wordt tot stemming overgegaan. Maastricht blijkt gekozen te zijn en de volgende zomergadering zal dus aldaar gehouden worden.

De heeren Dr. A. J. van Rossum en D. van der Hoop worden tot leden van het Bestuur herkozen en nemen deze

herbenoeming aan.

Alsnu overgaande tot de benoeming van twee leden in de Commissie van Redactie voor het Tijdschrift voor Entomologie, deelt de President mede, dat de aftredende leden der Com- missie, de heeren Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts en Mr. A. F. A.

!) Beide heeren namen hunne benoeming aan.

XLVI VERSLAG.

Leesberg, hebben verzocht voor eene herbenoeming niet meer in aanmerking te komen.

Spr. meent, dat het hem zeker past tot beide heeren, die geruimen tid in deze Commissie zitting hebben gehad, een woord van dank te richten. De heer Everts heeft jaren lang de vervaardiging der platen verzorgd, terwyl de heer Leesberg zich meer met den druk van den tekst heeft bezig gehonden. Beiden hebben zich voor de Entomologische Vereeniging zeer verdienstelyk gemaakt.

Daar het hem bekend is, dat er geene kans bestaat, dat zij op hun genomen besluit terugkomen, stelt Spr., namens het Bestuur, de twee volgende dubbeltallen voor: de heeren Dr. J. C. H. de Meere en Dr. J. Versluys jr.; Dr. D. Mae Gillavry en Dr. H. W. van der Weele.

De gehouden stemming wijst uit, dat de heeren de Meyere en Mac Gillavry gekozen zijn. Beide heeren, ter vergadering aanwezig, nemen hunne benoeming aan.

De heer Prof. Dr. G. Kraatz te Berlijn wordt hierop tot Eerelid en Dr. P. Speiser te Zoppot (Westpreussen) tot Cor- respondeerend lid benoemd 1).

Thans komt in behandeling het voorstel van het Bestuur, om eene jaarlijksche bijdrage te verleenen aan de » Vereeniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland.

De President, dit voorstel toelichtende, wijst er op, dat’het niet de bedoeling van het Bestuur is, bedoelde vereeniging met eene groote jaarlyksche bijdrage uit de kas der Entomo- logische Vereeniging te steunen, doch enkel om een bewijs van instemming namens onze vereeniging te geven met het doel, dat beoogd wordt. Hij stelt dus voor, deze bijdrage op f 10.— jaarlijks te bepalen.

Het aldus aangevulde voorstel wordt hierop met algemeene

stemmen aangenomen, nadat de heeren P. J. M. Schuyt en

1) Beide heeren hebben sedert hunne benoeming welwillend aanvaard.

VERSLAG. XLVII

Dr. J. F. van Bemmelen het bestuursvoorstel met warmte hebben aanbevolen. Na de gebruikelijke pauze wordt tot de wetenschappelijke

mededeelingen overgegaan.

De heer J. Th. Oudemans stelt ter bezichtiging een prachtexemplaar van Mamestra persicariae L. ab. unicolor Stgr., welke afwijking zich onderscheidt, doordien de niervlek, die bij den type wit is en dus op den zwarten ondergrond scherp afsteekt, hier nagenoeg dezelfde kleur heeft als de geheele voorvleugel. Deze vorm, die niet locaal is, doch verspreid tus- schen de typische exemplaren voorkomt, is zeer zeldzaam. Het voorwerp werd uit de rups gekweekt, welke laatste in het najaar van 1904 te Nijmegen gevangen werd door Dr. J. Prince, die het aan Spreker afstond. De pop kwam 28 Mei 1905 uit.

Vervolgens gaat rond een afwijkend voorwerp van Coeno- nympha pamphilus L., dat, overigens een normaal, groot wijfje, op den linker voorvleugel eene serie van ten deele in elkander vloeiende groote zwarte vlekken heeft, waarvan de voorste het normale oogje insluit en de overige daaronder staan, tot aan den binnenrand. Op de onderzijde van den vleugel zijn dezelfde vlekken aanwezig. Het dier werd in Juni 1905 door Dr. J. A. Schutter te Paterswolde gevangen en onlangs aan Spreker ten geschenke aangeboden.

Het derde voorwerp, dat rondgaat, is een wijfje van Dor- thesia of Orthezia urticae L., eene Coccide, die haar zuiver witte kleur en merkwaardig gevormde oppervlakte ontleent aan de wasafscheiding van hare huid. Voor zoover Spreker heeft kun- nen nagaan, werd de soort nog niet in Nederland aangetroffen. Ook dit dier werd door Dr. J. A. Schutter, en wel in de buurt van Groningen, gevonden.

De heer Everts deelt een schrijven mede van Pater H.

Schmitz 8. J. (collega van ons medelid E. Wasmann

XLVIII VERSLAG.

in Luxemburg) naar aanleiding van de vraag op de 39° wintervergadering omtrent het voorkomen in Nederland van Laboulbeniaceeen, op kevers parasiteerende. Volgens genoemden heer bljkt nader, dat dergelijke Cryptogamen op Carabiden (vooral op Bembidium), verder op Histeriden en op Aphodius in massa voorkomen. Van de loopkevers zijn hoofdzakelijk zoodanige exemplaren geinfecteerd, die op vochtige plaatsen, b.v. langs beken en dgl., rondloopen. Bovendien schijnen de in koemest levende kevers daarmede veel bezet te zijn. Dit geldt voor Zuid-Limburg.

Wat zine waarnemingen aangaat, is het Spr. nog niet gelukt in zijne collectie iets van Laboulbeniaceeén te vinden, wel die eigenaardige steeltjes, waarmede de bekende Uropodidae (Acariden) aan het lichaam van kevers, o.a. van! Aphodius, zijn vastgehecht. Spreker stelt zich voor, het onderzoek nader voort te zetten, en noodigt de collega’s uit, hem later hunne bevin- dingen mede te deelen.

Sprekende over parasitisme by kevers, meende hi, dat het wel interessant kon zijn, den leden een Blaps en een Ptero- stichus te laten zien, by welke uit den anus een reusachtige Gordius (een rondworm, Nematode) te voorschijn komt. Deze wormen leven in de lichaamsholte van roofinsecten (en omni- voren ?), kruipen tegen den tyd der copulatie in water, waar zij volkomen geslachtsrijp worden; de embryonen doorboren de eihulsels en kruipen in insecten-larven, om zich spoedig te enkysteeren. Waterkevers en andere water-roofinsecten nemen met het vleesch der larven (o.a. van Chironomus en Ephemera) de geënkysteerde jeugdvormen in zich op, welke in de lichaams- holte van het nieuwe grootere woondier tot jonge Gordiiden ontwikkelen. Spr. vermoedt, dat de beide hier vertoonde kevers in buitengewoon natte jaren geïnfecteerd zijn, daar zy zelf niet te water gaan; b.v. doordat regenplassen, waarin geïn- fecteerde larven, bijna opgedroogd zijnde, rijkelijk voedsel ver-

schaften aan de hier vertoonde kevers.

VERSLAG. XLIX

Nog juist bytyds voor de vergadering is de »Lyjst der in Nederland en het aangrenzend gebied voorkomende Coleoptera« verschenen, welk werkje tegen den prijs van f 0,25, of tegen toezending van een postwissel groot / 0,30, verkrijgbaar is bij den Secretaris.

Sedert het verschijnen van de Lijst van soorten en varië- teiten nieuw voor de Nederlandsche fauna, zijn hier wederom eenige nieuwe zaken te vermelden, nl. :

Dromius quadrinotatus Panz., ab. c. biplagiatus Heyd., by Hil- versum (Me Gillavry).

Stenus palustris Er., bi Den Bosch, Mei (Kempers) ; deze soort was reeds vroeger als inlandsch opgegeven, maar ten onrechte.

Anthobium primulae Steph. (triviale Er.), bij Meerssen (Kempers).

Bryaxis sanguinea L., ab. c. nigropygialis Fairm. en var. & laminata Mots.; met het type by Den Bosch, Febr. (Kempers).

Laccobius regularis Rey., Arnhem, Aug. (Dammerman).

Aphodius melanostictus Schmidt, bij Den Haag (P. Tesch).

Mantura obtusata Gylh., bij Meerssen, Sept. (Kempers).

Ceuthorrhynehus angulosus Boh., Den Bosch, Mei (Kempers) en

» albosignatus Gylh., bij Meerssen, Juni (Kempers).

Al deze soorten zijn reeds in zijne »Lijst« vermeld, behalve Stenus palustris Er., die N°. 989Pis wordt.

Spr. verzocht by N°. 1099 achter Anthobium primulae als auteur te lezen Steph. in de plaats van Er.

De heer Jacobson laat ter bezichtiging rondgaan eene tee- kening van Laboulbeniaceae, eene schimmelsoort door hem op Gryllus en Gryllotalpa te Samarang (Java) gevonden.

Verder gaan nog rond eenige teekeningen van een ter zelf- der plaatse door hem gevonden Strepsipteron, op Homoptera

parasiteerend.

L VERSLAG.

De heer A. C. Oudemans doet eenige mededeelingen over Hymenoptera, Gryllidae, Acari en Suctoria.

1. Hymenoptera. In April 1902 zond de heer E. E. Grurzy uit Ceylon Spreker eene larve, twee poppen en drie volwassen Coptorthosoma tenuiscapa (Westw.). Onlangs zijn materiaal nagaande, vond Spreker deze voorwerpen en onderzocht ze. Daarbij bleek hem, dat de volgroeide larve van deze houtbij geheel gevuld was met uiterst kleine popjes van een ander Hymenopteron. Zi) zijn slechts 2 mm. groot. Spreker stelt ze gaarne tot onderzoek beschikbaar.

Het is bekend, dat Coptorthosoma-wijfjes in het abdomi- naalsegment eene acarus-kamer hebben, waarin meestal 1—7 nymphae van Greenia zich opbouden. Nu is het de vraag: wanneer kruipen deze acari in de kamer? De heer GREEN schrijft Spreker daaromtrent (16 Januari 1902): »I have found the acari in the bee immediately after its emergence from the pupa. In fact, in one instance, the acarid chamber of a Xylocopa that had not yet completely freed itself from its pupae envelope, was found to be fully occupied by the acari«. Deze mededeeling kan Spreker bevestigen. In eene der hem toegezonden poppen vond hij een geheel gechitiniseerd en reeds zwart © van deze houtbij. De pophuid was reeds op enkele plaatsen gescheurd, maar de vleugels van het © waren nog kort en zakvormig. Tusschen cephalothorax en abdomen van de bij bevonden zich reeds 10 nymphae van Greenia, en in de mijtkamer zelf nog 5. De mijten hebben zich blijkbaar door de scheuren der pophuid toegang tot de bij verschaft. By de manlijke pop, eveneens met gescheurde pophuid, bevonden zich geen Greenia-nymphen. Derhalve kunnen deze mijten reeds aan de poppen waarnemen of zij een d of een © by inhouden. In alle geval is de © bij reeds door Greenia bezet vóórdat zij de pophuid verlaat.

2. Gryllidae. In de Entomologische Berichten van 1 Juli 1906 (v. 2, p. 95) deelde Spreker mede, dat hij eene nymph

VERSLAG. LI

van Gryllotalpa vulgaris L. geluid had hooren geven. Hij kan nu hetzelfde verklaren van eene nymph van Acheta domestica (L.). In eene inmaakflesch hield Spreker verscheidene exemplaren van dit dier. Het was een lustig gekriek! Hij schonk er telkens een aan zijne leerlingen, totdat er twee overbleven, een man- netje en eene nymph met volledig ontwikkelde voorvleugels, doeh natuurlijk zonder achtervleugels. De nymph was kleiner en bleeker dan het mannetje. Tot zijne verbazing hoorde Spre- ker twee geluiden. Hij zag toen, dat de twee genoemde indi- viduen bezig waren elkaar uit te dagen : tegenover elkander hoog op de pooten staande en schokkende bewegingen makende, daarbij elkander met de sprieten betastende, gaven beide geluid, beide met de voorvleugels. Het geluid der nymph was echter zwakker en van hooger toon. Spreker vermoedt, dat dit eene manlijke nymph was.

In een ander glas hield Spreker eenige manlijke Gryllus campestris L. Daaruit stegen drie verschillende geluiden op. Om te weten, wie die geluiden te voorschijn bracht, werden ze alle apart gezet, ieder in een glas. Toen bleek hem, dat iedere manlijke krekel drie geluiden kan voortbrengen. 1. het gewone krachtige gekriek, waarbij de voorvleugels hevig trillen. 2. een geluid als dat van eene vleermuis: tjiet-tjiet, waarbij de voorvleugels slechts ééne enkele buitenwaartsche beweging maken; dit geluid schijnt met uitdagende bedoelin- gen te geschieden; het is zwakker dan het gewone gekriek. 3. Tegelijk met het sub 2 beschreven geluid was een zeer zwakke ritselende klank hoorbaar als: tirrr—tirr ; vermoede- lijk wordt dat ook met de vleugels veroorzaakt, maar hiervan is Spreker niet zeker.

3. Acari. Over Greenia zie hierboven.

Glycyphagus pilosus nov. nom. voor Glycyphagus setosus Oupms. (non C. L. Kocn), Tijdschr. v. Entom. v. 47, p. 127, t. 8, f. 51—53.

Den echten Glyeyphagus setosus (C. L. Koch) vond Spreker

LII VERSLAG.

terug in eene zending acari van de omstreken van Bremen en aldaar door den heer S. A. Poppr verzameld. Hij zal in de Abhandlungen des Naturhistorischen Vereins zu Bremen beschre- ven worden.

Glyeyphagus prunorum Hering, type van het genus. Hoe meer Spreker de beschrijving en afbeeldingen van Hurine vergeleek met degene, die Spreker zelf gegeven heeft van Glyeyphagus cadaverum (SCHRANK) (privatus Oups.) in de Ento- mologische Berichten, v. 1, p. 103 (2 Nov. 1903) en in het Tijdschrift der Nederlandsche Dierkundige Vereeniging, ser. 2, v. 8, p. 232, t. 10, f. 37—45 (18 Jan. 1905) en met zijne preparaten, des te meer kwam hy tot de overtuiging, dat genoemde dieren slechts tot ééne soort behooren. Reeds SCHRANK noemde het dier Acarus subbilobo… enz., doelende op de con- strietie in het midden van het lichaam. Ook Herine wijst op de zijdelingsche insnoeringen van het lyf. De genitaalopening is bij nuchtere cadaverum-Q werkelijk in het midden van het lichaam. De ronde bruine vlek, die Hering afbeeldt, en die hij aan de genitalia toeschrijft, komt van den inhoud der maag. De tarsen, de bewapening er van, de plaatsing en lengte der haren, zoowel aan de rug- als aan de buikzijde, alles wyst er op, dat Hertne’s prunorum identiek is aan een nuchter 9 van cadaverum SCHRANK (privatus Oupus.). De teekeningen, die Spreker van het © gaf, zijn van een sterk zwanger ©, zoo- dat de gelijkenis van dit © met dat van Hertne niet sterk is.

Over de benaming der pootleden by Octo- stigmata (Oribatidae) in het algemeen en over het aantal pootleden der Phthiracaridae in het bizo n- der. Micuaiir, de monograaf der Oribatidae, zegt hierover (British Oribatidae, v. 1, p. 132): »Each leg always consists of five free joints in addition to the ungues« en (I. c. p. 133): »I call the joints coxa, femur, genual, tibia, and tarsus,« verder (1. c. p. 133):» The first question would be whether

the divisions of the sternal surface should be regarded as

VERSLAG. LIll

fixed coxae, according to the view of Ducès and others, fol- lowed somewhat by Nicornr. I cannot think so«. (volgen zijne beschouwingen). Had Micnart, evenals Börner (Arachnologi- sche Studien II, III, in Zool. Anz., 1902, v. 25, p. 433—466 en Die Beingliederung der Arthropoden, in Sitzb. Ges. Nat. Freunde Berlin, 1903, n°. 7, p. 292—341) alle Arachnoidea met elkander vergeleken, of slechts alle Acari, dan zou hy Ducès gelijk gegeven hebben. Blijkbaar heeft Micnarr geheel over het hoofd gezien, dat de Phthiracaridae (Hoplophora sive Hoploderma) zes pootleden hebben, en dat hier alle eerste leden (coxae) vrij zijn, geene sternaalplaat vormen, doch in de weeke huid ingeplant zijn. Wij hebben hier derhalve te doen met een waarschijnlijk secundair verkregen primitieven toestand. Ook bij de beschrijving van het genus (Brit. Orib. v. 2, p. 548) wordt niet alleen niet van 6 leden gesproken, maar zelfs het eerste lid (dat juist bijzonder sterk ontwikkeld is!) genegeerd. Toch beeldt Micuaerr bij eenige zijner Hoplo- phora’s zes pootleden af !).

4. Suctoria. Wacner’s Nebenborstentheorie. Inde Hor. Soc. Ent. Ross. v. 36, p. 135 sqq, tracht WAGNER aan te toonen, dat de zoolvlakte van het tarslid der Typhlopsylla (Spalacopsylla Oupms.)-soorten oorspronkelijk 6 randborstels heeft, dat van deze het proximale en het distale paar internwaarts verplaatst kan zijn, en zelfs daarna kan verdwijnen. Dit geeft hem aanleiding dit genus in drieën te splitsen : Palaeopsylla, Typhlopsylla (= Spalacopsylla Oups.) en Neopsylla. De intern- waarts gerukte borstels noemt hij » Nebenborsten«.

Toetst men deze theorie aan andere genera, dan wordt zij zeer problematisch. By Zschnopsylla pentactena (KoLeNATI) bijv. krijgt men den indruk, alsof de beharing der zolen der tars- leden uit 5 dwarsrijen van 4 à 5 haren bestaat, waarvan de geheele proximale rij, de externen der 2°, en ry, en de internen der ry borstels geworden zijn. By Zschnopsylla

octactena (KOLENAïTI), hewactena (Kur), jubata (Waan), elongata Tijdschr. v Entom. XLIX. 4

LIV VERSLAG.

(Curtis) ziet men 4 rijen van 4 haren, waarvan de proximale rij, de externen der ry, de geheele rij en de internen der ry borstels geworden zijn. Door de min of meer onre- gelmatige plaatsing en hoeveelheid der fijne zoolharen krygt men bij Zschn. pentactena den indruk, alsof de zoolbeharing oorspronkelijk eene veel rijkere geweest is, wat by zoo vele Hexapoda ook werkelijk het geval is. By Pulew brasiliensis (BAKER) L. is de distale helft der zoolvlakte der metatarsi van eene menigte zeer fijne haartjes voorzien; dit wijst m.i. eveneens op eene oorspronkelijk rijkere beharing.

Liesing der sternieten en tergieten. Hoe natuurgetrouw in de laatste jaren de afbeeldingen der Suctoria betreffende de haren en borstels ook zijn, slechts zeer weinige auteurs beijveren zich, den omtrek der tergieten en sternieten aan te geven. Men krijgt zelfs bij het zien van dergelijke afbeeldingen den indruk, alsof tergieten en sternieten geene grenzen hebben, onmerkbaar in de intersegmentale chitine- bekleeding overgaan. De eenige, die hierop eene gunstige uit- zondering maakt, is ENDERLEIN en toch ook EnpERLEIN teekent verkeerd. By de manlijke Suctoria ligt namelijk het eerste en tweede sterniet en bij de vrouwelijke liggen het eerste, tweede en zevende sterniet over de gelijknamige tergieten ! Ziehier dus een eigenaardig sexueel verschil. Geen der schrij- vers schijnt dit opgemerkt te hebben. Met sterniet bedoel ik de zoogenaamde pleuraalschub.

De zoogenaamde pleuralschub aan de derde pleura is door Lanpors (in Nov. Act. Ac. Leop. Car. Nat. Cur. v. 33, 1867, p. 7. 9.) als eerste sterniet verklaard gewor- den. Na zorgvuldige beschouwing van een aantal vlooien, moet ik Lanpors gelÿk geven, niettegenstaande alle auteurs vóór en na Lanpots andere meeningen toegedaan zijn. Vóór de meening, dat de schub geen vleugel, maar het eerste abdominaalsterniet is, voert LaNpors aan: dat de schub met

twee rijen borstels bezet is, evenals het eerste abdominaalter-

VERSIAG. LV

giet, en een stigma draagt, evenals de overige »Schienenx. De eerste dezer bewijsvoeringen is zwak, daar het eerste abdo- minaaltergiet dikwijls slechts ééne ry borstels draagt. De tweede is onjuist, daar niet de sternieten, maar de tergieten stigmata dragen. Bovendien zou een rudimentaire vleugel best borstels kunnen dragen. Het bezit van een stigma is m.i het eenige bewjs, dat de pleuraal- schub geen vleugel kan zijn. Wat is de pleuraal- schub dan? Zy is òf eene achterwaartsche uitbreiding der pleura II, of wel het gewijzigde eerste abdominaalsterniet. Zooals wij boven reeds zagen, is Lanpots de eenige, die de schub voor het abdominaalsterniet houdt; zijne bewijzen zijn echter zeer zwak of onjuist. Tegen de sterniet-theorie zijn door schrijvers na Lanpois de volgende gronden aange- voerd, die ik tevens zal trachten te ontzenuwen. Ten eerste: de overige stigmata liggen niet in de sternieten, maar in de tergieten. Volkomen juist, maar dan kan de schub ook geen verlengstuk van de pleura zijn, want de beide andere thorakaalstigmata bevinden zich niet in de pleurae, maar in de weeke huid boven pleura I en onder pleura IL. Ten tweede: geen der overige sternieten is zóó met borstels bezet Dit is onjuist, want bij Malacopsylla toly- peutis (ENDERLEIN) is ook het tweede sterniet met zulke borstels bezet ; bij Zschnopsylla pentactena (Kurı.), octactena (Kurr.), jubata (Waen.), maar vooral elongata (Curtis) is het zevende sterniet van zware borstels voorzien, terwijl by Pulex kerguelensis (TascH.) de 3°, 4e, 5e, 6°, 7e en sternieten zwaar bebor- steld zijn. Ten derde: het stigma komt overeen met dat der andere thorax-segmenten. Hierboven toonde ik reeds aan, dat dit niet waar is. Vóór Lannots’s sterniet-theorie kan ik daarentegen aanvoeren: Ten eerste, dat de »schub« geene schub, geen vrij over de zijden van het lichaam liggend blad, maar een gedeelte der lichaamsbekleeding zelve is ; onder haar

ligt geene integumentplooi. Ten tweede, dat, wanneer de 4%

LVI VERSLAG.

schub eenigszins sterk ontwikkeld is, zooals by de genera Pulex en Ctenocephalus, de vorm en de ligging er van volkomen gelijk zijn aan die van sterniet I. Ten derde, dat de golfvormige of schubvormige teekening, de zoogenaamde struc- tuur, die de chitinebekleeding van pleura III en van de schub vertoont, niet in elkander overgaan (N.B. dit is wel het geval bij pleura II en haar zoogenaamd verlengstuk). Ten vierde, dat de eigenlijke pleura III met een vrijen rand over de zoo- genaamde schub ligt, of zelfs omgekeerd de schub gedeeltelijk met een vrijen rand over de pleura ligt! (N.B. dit is niet het geval by pleura II). By Ctenocephalus wordt daardoor zelfs een zoogenaamd zadelgewricht gevormd, waardoor de schub ten opzichte van de eigenlijke pleura niet alleen in dorso- ventralen. maar ook in intern-externen zin zich vrijelijk bewe- gen kan! Ten vijfde, na behandeling met kali verwijderen deze stukken zich een weinig van elkander en laten, vooral aan de benedenzijde, een smallen kleurloozen band van uiterst dunne chitine tusschen zich. Uit alles blijkt, dat de zoo- genaamde pleura III uit twee stukken bestaat, uit de eigenlijke pleura en het sterniet. Neemt men nu bovenstaande gronden aan, dan moet men ook in het bewuste stigma een abdomi- naalstigma, geen thorakaalstigma zien.

Ik meen deze vreemde verhoudingen aldus te moeten ver- klaren :

De aanhechting van de coxa III heeft plaats aan den ach- tersten benedenhoek der pleura III, zóó ver naar achteren, dat het abdominaalsterniet daarbij betrokken wordt, óók tot aanhechting der coxaalspieren dient, daardoor aanzienlijk zich vergroot ten koste van het abdominaaltergiet, waarbij het tevens het abdominaalstigma in zich opgenomen heeft, ja zelfs somtijds met pleura III één geheel schijnt te vormen, zoodat men by eenige genera den indruk krygt, alsof pleura IlI een over het abdominaalsegment liggende schub

(apophyse) draagt, terwijl het abdominaalsterniet ontbreekt.

Ctenocephalus erinaceus (Boven) = cuspidatus (Koresar). Wacner (1893 in Hor. Soc. Ent. Ross. v. 27, p. 355) scheidt Pulex erinaceus Bovcuk van Trichopsylla cuspidata KoLENATI, aileen omdat Korrnarr (1863, in Hor. Soc. Ent. Ross. v. 2, p. 33, t. 1, f. 4) geene melding maakt van de ctenidia onder het oog en aan het pronotum. Raadplegen wy echter vroegere werken van Koresarı, dan vinden wij deze organen wel beschreven.

1856. Ctenophthalmus erinacei Kouunatt, Die Parasiten der Chiroptern, Brünn, p. 33. Hier lezen wy: »dem C. erinacei fehlt das Rückenctenidium« (am Kopfe), »dagegen ist ein kurz- zweizähniges Ctenidium tief unter den Augen vorhanden und der zweite Halsring gezackt.« Verder :

1857. Ctenophthalmus erinacei KoLeNATI, Die Parasiten der Chiroptern, Dresden, p. 38. Woordeljjk hetzelfde. Eindelijk :

1857, Sept. Ctenophthalmus erinacei KozeNart in Wien. Ent. Monatschr. v. 1, n°. 5, p. 65: »Zu Ctenophthalmus (unterhalb des Auges ein Ütenidium) gehört erinacei (Augenctenidium zweizähnig, kein Rückenctenidium).

Het is licht te raden, wat KoLenatI bewogen heeft, van deze ctenidia in 1863 geene melding te maken: hij moest zijn Ctenophthalmus erinacei in zijn nieuw genus Trichopsylla wrin- gen en negeerde toen niet alleen de ctenidia, maar zelfs zijne eigene vroegere beschrijvingen ! Ik vereenig dus zonder gemoeds- bezwaren Trichopsilla cuspidata KOLENATI weer met Pulex eri- nacei BoucHk, te meer, daar oek Bouchz (1835 in Nov. Act. Ac. Leop. Car. Nat. Cur. v. 17, p. 507) eveneens geene melding maakt van de oog- en pronotum-ctenidia !

Trichopsylla octactenus 'TASCHENBERG. Indien wij TASCHENBERG’S beschrijving zorgvuldig lezen, meenen wy tot het besluit te moeten komen, dat hij twee, zoo niet drie soorten met elkan- der verwart. Bijvoorbeeld : »Der gelbbraune Körper ist lang- gestreckt, schmal, namentlich im vorderen Teile bis zum

Beginne des Abdomens. Dieser vördere Körperabschnitt ist in

LVII VERSLAG.

Folge des langen Kopfes und Thorax grösser als das Abdo- men«. Dit gedeelte past op geene der my bekende soorten. »Mandibeln an den Rändern mit sehr feinen harartigen Zähnchen besetzt«. Dit gedeelte past meer op Zschnopsylla elon- gata (Curtis). Het gedeelte, waarin het aantal der kamtanden besproken wordt, past het best op Zschnopsylla octactena Kutt. »An den Thoraxringen stehen deren zwei« (nml. Reihe von Borsten) »und ausserdem ist der Rücken ziemlich dicht behart«. Dit slaat positief op jubata Wagner !

Een nieuw genus: Nycteridopsylla wordt door my voor- gesteld, type Ceratopsyllus pentactenus Kouexarı. Beter dan eene

beschrijving, teekent de volgende vergelijkende tabel het genus.

Ischnopsylla. Nycteridopsylla.

Geene oogen.

Parallel aan den bovenrand van den kop twee rijen uiterst korte haartjes.

Vooraan en onderaan den kop twee breede platte tanden.

Aan de slapen eene afhan- gende, min of meer driehoe- kige lamel.

Aan het 7°, en voe- lerlid een lang, duimvormig gebogen reukorgaan.

Aan het abdominaal ter- giet een lange borstel.

Aan de metatarsuszool vier

dwarsryen van vier borstels.

Kleine oogen aanwezig.

Aldaar slechts ééne ry lan- gere haren.

Aldaar twee smalle tanden.

Aldaar geene lamel.

Aldaar een zeer kort reuk- orgaan.

Aldaar een ctenidium.

Aldaar vif dwarsryen van

vier borstels.

Tot Zschnopsylla behooren: elongata Curtis (type), jubata

WAGNER, octactena Konenarı, variabilis WAGNER, decempilata

Waener, obscura WAGNER, alle met 8 kammen; hewactena

VERSLAG. LIX

Konenati, petropolitana WAGNER, beide met 6 kammen ; uni pectinata TASCHENBERG, met een kam.

Tot Mycteridopsylla behooren: bouchei, (nov. nom. voor vespertilionis Bouchk 1835, non vespertilionis Ducks. 1832) met zes kammen; pentactena Kuti, met vijf kammen, en dic- tena Kuri. met twee kammen.

Tot welk genus de overige soorten behooren, kan ik op dit oogenblik nog niet vaststellen, daar my de noodige literatuur ontbreekt.

By de Suctoria vind ik de coxae II en III uit twee pseudo- leden bestaande ; de beide stukken zijn nagenoeg even groot ; de pseudoarticulatie loopt zeer schuin; toch is waar te nemen, dat het achterstuk basicoxa, het voorstuk telocoxa is. Coxae II en en III gelijken in dit opzicht op die van Peri- planeta orientalis.

Sexueel verschil. Zie hierboven by de bespreking van de ligging der sternieten en tergieten.

Ischnopsylla octactena (Kutt.). Op Vesperugo pipistrellus(Scares.). Arnhem, 20, III, 1903.

Ischnopsylla hewactena (Kurt). Op Vesperugo pipistrellus(SCHREB.). Arnhem, 20, III, 1903.

Ischnopsylla elongata (Curtis). Op Vesperus serotinus (Schreb.). Arnhem, 15, IV, 1903.

Ischnopsylla jubata(W AGNER). Op Vesperugo pipistrellus (Schreb.). Arnhem, 20, XI, 1903.

Nycteridopsylla pentactena (Kutt). Op Vesperus serotinus SCHREB.). Arnhem, 16, III. 1903.

Clenocephalus erinacei (Bouc). Op Ærinaceus europaeus L.

Arnhem, VI, 1904.

De heer de Meijere brengt vooreerst een paar merkwaar- dige Dipteren ter tafel, gedurende de expeditie naar Zuid- Nieuw-Guinea door Dr. Koch verzameld. De eene is eene nieuwe

soort van het genus Zaglaisia, tot dusverre alleen door Z.

LX VERSLAG.

caloptera Big., eveneens van Nieuw-Guinea, vertegenwoordigd, en o.a. gekenmerkt door den by het o, ter weerszijden steel- vormig verbreeden kop. Ter vergelijking gaan een paar andere Dipteren met vreemd gebouwden kop rond. De verhouding by Laglaisia komt overeen met die van het Trypetinengenus Themara ; by beide zijn slechts de oogen naar de toppen der stelen verplaatst, terwyl by de bekende Diopsis ook de sprieten daarheen zijn verhuisd, en dus zeer ver uiteenstaan. Hier is de eigenaardige kopbouw in beide sexen voorhanden, wat by Themara en Laglaisia caloptera althans niet het geval is.

Zeer eigenaardig is de habitus van eene tweede nieuwe soort, eene Asyntona, evenals Laylaisia eene Ortaline, maar gekenmerkt door den zeer breeden en platten lichaamsvorm. De soort is blijkbaar nauw verwant aan A. doleschalli O. S., tot dusverre de eenige beschreven soort van het genus. Opmerkelijk is, dat de vleugels even voorbij het midden eene soort van gewricht vertoouen, waardoor het mogelijk wordt, dat de eindhelft der vleugels in den rusttoestand het achterlijf nauwkeurig bedekt. Eene dergelijke overdwarse vouwing wordt by insecten weinig aangetroffen, nl. overigens slechts bij Coleoptera en Derma- toptera. Onder de Europeesche Diptera zijn bij het genus Stegana de vleugels in de rust geknikt; hetzelfde verschijnsel komt ook bij eenige vliegen uit den O.-I. Archipel voor, o. a. bij eene Stratiomyide, Tinda indica Walk., en eene nog ongede- termineerde Muscide, die beide worden rondgegeven. Eene over- langsche vleugelplooiing is door Spr. indertijd voor de Ortaline Xenaspis vespoides de Meij. vermeld.

Verder wordt vertoond eene larve van eene Oestride, af kom- stig van een reudier van New Foundland (Rangifer terrae-novae), dat zich slechts sedert korten tyd in de diergaarde van Natura Artis Magistra bevindt. Het is ongetwijfeld eene Cephenomyia ; of het dezelfde soort, ©. trompe Mod. is, die bij rendieren in Noord-Europa algemeen voorkomt, was naar de larve alleen

niet zeker uit te maken. Wel is het bevreemdend, dat in den

VERSLAG, LXT

onlangs verschenen Catalogus der Noord-Amerikaansche Di- pteren van Aldrich geene enkele Cephenomyia uit rendieren van dit gebied wordt vermeld.

Ten slotte doet Spr. eenige mededeelingen aangaande de metamorphose van Sapromyza. Omtrent de levenswijze der larven van dit in Europa door talryke soorten vertegenwoor- digd geslacht is nog niet veel meer bekend, dan dat Bouché de larven van S. obsoleta Fall. kweekte uit vergane boombla- deren. Spr. vond, dat deze levenswyze ook voor verscheidene andere soorten geldt; hij kweekte S. subfasciata Zett., notata Fall, plumicornis Fall, praeusta Fall, en ook obsoleta Fall. bovendien nog de naverwante ZLauvania aenea F., uit larven, die ’s winters te vinden waren tusschen op den bodem liggende, in rotting overgegane boombladeren. Opmerkelijk is, dat deze larven leven tusschen de beide opperhuiden der bladeren en het bladmoes in groote blazen uitvreten. Zij zijn wit, met bruin of zwart doorschijnend darmkanaal, vrij kort en gedron- gen van gestalte, en daardoor zeer afwijkend van de smalle, eylindrische larven der vroeger als zeer verwant beschouwde Lonchaea’s. De puparia zijn bina mat geelbruin, by de Lon-

chaea’s glanzig roodbruin.

De heer van Rossum vermeldt het volgende over pa r- thenogenesis by bladwespen:

1. Clavellaria amerinae L.

Uit de zeven cocons, welke Spreker bezat van larven par- thenogenetisch in vierde generatie (Tijdschr. v. Ent. Deel 49, p. VI), verschenen tegen het vermoeden, dat zich uit dezen kweek geene vrouwelijke wespen meer zouden ontwikkelen 12 April 1906 toch een wijfje, en 17 April en 4 Mei twee mannetjes, in het geheel dus 3 wespen = 43 percent. Het wijfje, dat klein was en zwak scheen, werd 13 April inge- bonden op Salix vitellina in tuin en heeft bij koud weer met

nachtvorsten tot in het begin van Mei geleefd, maar niet

LX11 VERSLAG.

gelegd. Reeds het wijfje, parthenogenetisch in derde gene- ratie, had weinig gelegd (T. v. E. Deel 48. p. LIX).

De mannetjes waren normaal; vooral het laatstverschenen exemplaar bleek krachtig te zijn en beet tot tweemaal toe gaten in het gaas van het glas, waarin het zich bevond; de mannetjes leefden ruim drie weken.

Nu het wijfje niet gelegd heeft, en de nog overige cocons van dezen kweek doode larven bevatten, is dit parthenogene- tisch onderzoek, dat acht jaren geduurd heeft, ten einde gebracht. Het geheele verloop hiervan zal in een opstel in het Tijdschrift beschreven worden.

2. Trichiosoma tibialis Steph.

Den 7 April verscheen eene vrouwelijke wesp uit een cocon in het voorjaar door den heer Bierman bij Arnhem gevonden. Het was geen groot, maar een zeer wierig exemplaar, dat 8 April een zevental niervormige groenige eitjes legde in Mei- doorn-blad aan takjes, welke in water geplaatst waren. Op een na waren zij alle aan den bovenkant van het blad gelegd, hoogstens twee by elkaar. Zij werd daarop denzelfden dag ingebonden op een tak van een in pot gekweekten en ver- vroegden Meidoorn, leefde tot 16 April en heeft ongeveer 30 eitjes gelegd. Den 20% April, dus na 11 à 12 dagen, begonnen de parthenogenetische larfjes te verschijnen, grijzige diertjes met donkerder koppen, die aan den rand van het blad vreten, en als zij rusten ineengerold tegen den achterkant der blade- ren zitten. Den 27% April waren verscheidene afgestroopte huidjes onder in het gaas waar te nemen; de nu vervelde larfjes zijn groenig-grijs, wit bepoederd, de kop, ook gedeel- telijk met poeder bedekt, is aan schedel en achterhoofd zwart, daaronder grijswit, mond bruinachtig; de oogen staan in zwarte vlekjes, pooten wit. Enkele larfjes bezweken ; 10 Mei, toen de tak bijna kaal gevreten was, werden er 24 overgebracht naar een ruim kweekglas.

Omstreeks 13 Mei begonnen zij weer te vervellen; zij bezit-

VERSLAG. LXII

ten daarna op den ongepoederden geelachtigen kop een geel- bruine vlek; het lichaam is dofgroen, niet meer met een wit exsudaat bedekt. De larven vertoonen zich nu zooals zy door Snellen van Vollenhoven (iets te groot) afgebeeld zijn, in het Tijdschr. v. Entom. Deel 2 plaat 3 als Cimbex betuleti KI. In de hierbij gevoegde beschrijving wordt aangegeven, dat vol- gens Westwood (Gardener’s Chronicle 1852 p. 68) de wesp hare eitjes in de zachte takjes der Meidoorn-heesters legt. Dit geschiedde bij Spr. niet; hier werden de eitjes in blad gelegd, evenals Trichiosoma lucorum L. dit in berkenblad doet en ook door de Cimbex-wespen verricht wordt.

Den 5% Juni begonnen de larven zich tegen de takjes in te spinnen; dit duurde tot 25 Juni; eenige waren slap gewor- den en bezweken. In het geheel maakten 16 larven cocons, welke over het algemeen klein zijn.

In het genus Trichiosoma zijn tot nog toe alleen by 7. lucorum L. parthenogenetische wespen gekweekt; von Siebold verkreeg wel dergelijke larven van 7. sorbi, welke hem echter geene imagines leverden (T. v. H., Deel 44, Versl. p. 57).

3. Pteronus hypowanthus Först.

Reeds vroeger zijn door Spr. mededeelingen omtrent een parthenogenetischen kweek dezer wespen gedaan, waarbij uit- sluitend mannetjes verschenen (T. v. E. Deel 47, p. XXIII). Aangezien Brischke vermeldt een parthenogenetisch wijfje ver- kregen te hebben, werd besloten de proef nog eens te herhalen met deze larven, welke zeer gemakkelijk uit ei groot te bren- gen zijn.

Den Augustus 1905 was eene vrouwelijke wesp ver- schenen uit larve op populier in tuin gevonden. Zij werd op afgesneden wilgentakjes in water geplaatst, en heeft 7 Aug. en later + 25 ovale witte eitjes verspreid tegen den boven- kant van het blad gelegd.

Op 15 Augustus begonnen de larfjes zich te vertoonen; in

het geheel 23, waarvan er 3 aan den heer Bierman verstrekt

LXIV VERSLAG.

werden, welke de goedheid had er afbeeldingen van te ver- vaardigen. De overige 20 hadden zich in het begin van Sep- tember alle in den grond begeven.

Na een warmen voorjaarsdag (7 Maart) verscheen 8 Maart 1906 de eerste wesp d. Tot 24 Maart waren er 9 voor den dag gekomen; van 24 Maart tot 7 April, in gure dagen, ver- schenen er slechts 2, en van 7 April—13 April nog 6, weder alle manlijke exemplaren, en ten slotte één op 23 April; in het geheel dus 18 = 90 0/,.

4. Phymatocera aterrima Klg.

Uit 65 parthenogenetische larven (T. v. E. Deel 49, p. XI) zijn van 12 April tot 10 Mei 51 mannetjes te voorschijn gekomen = 78.5 °/).

Omtrent parthenogenesis waren bij deze wesp tot nog toe geene waarnemingen gedaan.

5. Selandria temporalis Thms.

Het vermoeden op de wintervergadering te Utrecht uitge- sproken (T. v. E. Deel 49, p. XII), dat er uit cocons van 1904, na tweejarige overwintering, in het voorjaar van 1906 nog wespen te voorschyn zouden komen, werd niet bevestigd. Het bleef slechts bij het eene manlijke exemplaar van 28 Mei 1905 uit 35 larven ! Hieruit blijkt weder, dat op varen levende bladwespen niet gemakkelijk te kweeken zijn ; herhaaldelijk mislukte dit Spr. ook met Strongylogaster-larven. De pot, waarin zich de Struthiopteris germanica en de cocons van Sel. temporalis bevonden, was steeds vochtig gehouden.

6. Thrina® miata Klg.

Ook deze larven waren gekweekt op bekervaren, Struthio- pteris germanica; in Juni 1905 hadden zich omstreeks 38 par- thenogenetische larven in den grond begeven. (T. v. E. Deel 49, p. XII). Den 23” April verscheen een wijfje, dat 15 dagen geleefd en op een jong blaadje van de uitloopende plant gelegd heeft. De zeven uitgekomen larfjes zijn dus partheno-

genetisch in tweede generatie, want de door Spr. in Mei

VERSLAG. LXV

1905 van Dr. J. Th. Oudemans ontvangen Thrinaw-wespen waren wel afkomstig uit een kweek, welke alleen wijfjes leverde, doch kwamen uit larven, die in vryheid gevonden waren.

De larfjes werden 14 Mei naar een kweekglas overgebracht, vraten veel, en hebben zich na doffe vaalgroene verkleuring in het begin van Juni in den grond begeven.

Cimbex fagi Zdd. Spreker had gehoopt in dit jaar parthe- nogenetische larven van Cimber fagi Zdd. te kunnen kweeken. Dit onderzoek kwam hem belangrijk voor, omdat hij uit onbe- vruchte eieren van ©, lutea en C. femorata steeds manlijke voorwerpen, daarentegen van €. connata uitsluitend vrouwe- lijke verkregen had. (T. v. E. Deel 47, p. 94).

Nadat 1 April uit cocons van 1904, na tweejarige over- wintering, een groote man verschenen was met sterk blauwen gloed op de vleugels (welke meestal by fag? niet aanwezig is), kwam eveneens uit larven van 1904 den 7°“ April een wijfje voor den dag, en den 11% April weder 1 d en 1 o, welke niet met elkander in aanraking geweest konden zijn, want terstond worden de wespen in verblijven »voor mannen« of »voor vrouwen« afgezonderd. Het resultaat van deze kwee- king is bijzonder gunstig te noemen: 80%, slechts uit één (vijfde) cocon was reeds 13 Juli 1905 de bekende vijand der Cimbices, Opheltes glaucopterus, te voorschijn gekomen. Maar... de flinke wespen waren helaas te vroeg verschenen; de beuken hadden nog geen blad en hoewel de wespen ongeveer drie weken in leven gehouden werden, waren de beukenblaadjes toen nog te klein en niet geschikt om er in te zagen en te leggen. En... 23 April verscheen het derde wijfje onverwacht na éénjarige overwintering uit eene larve 31 Augustus 1905 van den heer A. Mos ontvangen. Dit was een bijzonder forsch exemplaar, maar voor het groote dier was het beukenblad nog te teer en te slap, het werd ineengefrommeld, wanneer zij, vol goeden wil, legpogingen deed! Toen eindelijk het blad

steviger begon te worden, werd zij 7 Mei ingebonden op een

LXVI VERSLAG,

beuk in tuin, maar de wesp was zwak geworden, en verloor tot overmaat van ramp een stuk van een voorpoot, zoodat zij schrijdelingsch over den bladrand gezeten, zich bij hare zaag- pogingen niet vast kon houden. Zij overleed 12 Mei zonder gelegd te hebben. Het was dus eene groote teleurstelling drie Jagi-wÿfjes te bezitten, waarvan er geen tot leggen kon komen, omdat zij ontijdig den cocon verlaten hadden. Wat hiervan de oorzaak kan zijn, is Spr. onbekend; de kweekglazen met de cocons hebben geene warmere plaats gehad dan in andere jaren; intusschen is het meer bij hem voorgekomen, dat fagi-wespen vroeger verschenen dan de Cimbices van berk, els en wilg, terwijl de beuk juist later in blad is.

Spreker doet hierna nog de volgende mededeelingen over bladwespen-larven.

I. Pteronus-larve op wilg.

Den eersten Juni vond Spr. in zijn tuin te Arnhem op Salix vitellina negen larven op één blad bij elkander gezeten. Zij waren zwartkoppig, de rug fraai zeegroen, in de zijden iets geliger groen; hierin bevindt zich op elf segmenten eene gele vlek, waarboven en waaronder men rijen van zwarte vlekken waarneemt; op den rug in de eerste en laatste seg- menten zwarte stipjes; boven anus een grootere zwarte vlek en daar aan weerszijden een groenig staafje met zwarte spits ; het geheele lichaam is glanzend vooral naar het achtereinde. De larve komt overeen met de beschrijving, die Cameron geeft van larven door hem op Salix cinerea gevonden; hy telde echter slechts tien gele vlekken. Zij werd door hem Nematus glottianus genoemd (Monogr. Brit. Phytoph. Hymen. Vol. I. p. 148) en is later niet meer door hem aangetroffen, zoodat hij ze voor zeldzaam houdt. Van de imago beschrijft hy alleen de vrouwelijke wesp. Later (Vol. IV p. 198) zegt Cameron over dezen Nem. glottianus; »Konow accepts my sug- gestion that this is identical with N. ferrugineus Först.«

Van dezen Pteronus ferrugineus geeft Konow in zijne larven-

VERSLAG. LXVIT

tabel op p. 20 de beschrijving volgens den glottianus van Cameron. In de daar achter gevoegde »Uebersicht der Arten nach ihren Nährpflanzen« komt onder Salix (System. Beschr. der Chalastogastra, Band I. 8. 107) dezelfde beschrijving dezer larve voor, doch daar wordt er slechts by vermeld: Pteronus spec.

In Konow’s »Revision der Nematiden Gattung Pteronus Jurr.« wordt in de systematische tabel Pier. ferrugineus Först. nu alleen ter loops als synoniem met Pt. miliaris Pz. genoemd. (Zeitschr. f. Hym. und Dipt. Jahrg. IV 1904; p. 44). |

De heer Bierman had de welwillendheid afbeeldingen van de gevonden larven te maken, welke door de leden bij de bezichtiging wegens de fraaie uitvoering geroemd worden. Spreker wijst er hierbij op, dat wanneer men deze teekeningen vergelijkt met de afbeelding en beschrijving eener berken-larve Nem. betulae Htg. van Snellen van Vollenhoven (T. v. E. Deel 7 p. 70 pl. 3) de overeenkomst dezer larven in het oog valt. Later heeft v. Vollenhoven (Deel 23, p. 10 pl. 3) larven van treurwilg afgebeeld, welke hier zeer veel op gelijken, de tint is echter helderder groen ; hy beschreef ze als Nem. per- spicillaris Klg, en meende twee naverwante soorten te moeten aannemen. Intusschen zijn beide later vereenigd onder deu naam Nem. melanocephalus Htg; de larven leven op berk, wilg en iep, en zijn thans Pteronus dimidiatus Lep. benoemd.

Spreker vermoedt, dat zijne gevonden larven dimidiatus-larven, en dat Cameron’s larven ook dergelijke zijn, welke door den invloed van het voedsel eene wijziging in tint ondergingen. Dat zij hier gevoelig voor zijn blijkt daaruit, dat, toen Spr. dimidiatus-lar- ven van Salia vitellina met iep voedde, deze veel doffer, blauw- groen, zelfs loodkleurig werden; ook de gele vlekken waren lichter.

Omstreeks 9 Juni hebben de larven zich in den grond bege-

ven; wespen zijn er nog piet uit voortgekomen !).

1) Konow zegt bij de beschrijving van Pt. fagi Zdd. in zijne ,,Revision” (Zeitschr. £ Hym. u. Dipt, IV 1904 S. 40): „Da Mr. Cameron von seinem

TXVIII VERSLAG.

II. Pteronus spiraeae Zdd.

Over deze zeldzame, tot nog toe alleen in Beieren, Oosten- rijk en Nederland aangetroffen soort, kan Spr. vermelden, dat zij hier te lande steeds algemeener wordt, en dat de larven zich in dezen zomer om en bij Arnhem op Spiraea aruncus in vele tuinen en kweekerijen vertoonen.

III. Proeven met Croesus-larven.

In aansluiting met vroegere berichten hierover (T. v. E. Deel 48, p. XVII en Deel 46, Versl. p. 62) deelt Spr. mede, dat hy in Mei parthenogenetische larven van Croesus varus Vill. op els uit ei gekweekt heeft, en toen deze ongeveer zes dagen oud waren er takjes van berk en hagebeuk (Carpinus betula) bij plaatste, terwijl hi het elzevoeder liet verdrogen. Zij kro- pen eerder over op hagebeuk dan op berk om hiervan te vreten, doeh gaven na een vijftal dagen beslist de voorkeur aan berk. Zij werden later verdeeld op berk en hagebeuk ; de op Carpinus vertoevende gingen weder hiervan vreten, doch dit voedsel bekwam haar niet, en zij zijn alle achtereenvolgens bezweken ; slechts eene is in grond gekropen, doch schijnt geen cocon gemaakt te hebben. De 25 larven op berk zijn echter alle volwassen geworden; de verandering van voedsel had weinig invloed op de kleur, zij werden alleen iets lichter groen dan de varus-larven, die ter vergelijking op els gekweekt waren. Vele zijn ter cocon-vorming omstreeks 9 Juni in den grond gekropen, hieruit verschenen begin Juli 11 vrouwelijke wespen, waarvan eenige op berkentakjes gezet werden. Zij legden hier niet op; intusschen legden een paar andere dezer wespen, op els geplaatst, ook zéér weinig; de moederwesp had daarentegen van 27 April—4 Mei ongeveer 40 eitjes hierop afgezet; de

N. glottianus behauptet die Fühler seien kürzer als bei seinem cadderensis (syn. miliaris Pz.) also weniger länger als der Hinterleib, so ziehe ich denselben hierher”… Hoe is dat overeen te brengen met de beschrijving der glottianus-larve, welke hoegenaamd niet aan eene fagi-larve doet denken ?

v. R.

VERSLAG. LXIX

takjes hielden zieh nu niet zoo lang frisch meer als in het voorjaar. Een drietal dezer varus-wespen werd daarop op berk ingebonden, 9 Juli, in de kweekerij op Sonsbeek en... eer- gisteren, 19 Juli, meende Spr. één larfje te bespeuren, een gaatje vretend in het blad ter zijde van de hoofdnerf, waarin de eitjes vermoedelyk gelegd werden ').

Proeven met Toluyleen-rood (Zie T. v. E. Deel 49, p. XIV en Entom. Ber. Deel 2, p. 23).

Daarna laat de heer van Rossum ter bezichtiging rond- gaan eene Pieris brassicae L. © en twee Stilpnotia (Leucoma) salicis L. ©, waarvan de rupsen met Toluyleen-rood of z.g. Neutraal-rood gevoed waren. Bi P. brassicae zijn de voor- vleugels aan den bovenkant zacht geelachtig rose (aurora) getint, aan den onderkant is dit slechts aan de aderen waar

te nemen; sprieten en pooten zijn rose, de haren aan kop

1) Den 28sten Juli uit Oldenzaal te Arnhem teruggekomen, bleek mij, dat er wer- kelijk een klein aantal larven aanwezig was! Zij werden 26 Juli naar een kweekglas overgebracht; het waren er slechts zes. Merkwaardig is het, dat dezelarven niet meer de kleur der groene zwartgevlekte varus-larven van els bezitten. Zij zijn glanzig bruin met zwarten kop, het eerste en de 3 of 4 laatste segmenten iets lichter, meer bruinig geel; in de bruingele zijden bruine streepvlekken, welke bij de beide laatste segmenten zeer klein zijn of ontbreken. Boven de licht- bruingelige pooten met zwarte klauwtjes bevinden zich zwarte vlekken; buik geelbruin met zwarte segmentrandjes. De larven doen denken aan een tusschen- vorm van varus (els) en latipes (berk), en gelijken, hoewel lichter, op de jorige donkerbruine latipes Vill., voordat deze va vervelling zwart en geelpootig zijn geworden. Omstreeks 30 Juli begaven de larven zich in den grond; zij waren kleiner dan latipes-larven, maar schenen krachtig, zoodat er eenige hoop bestaat, dat er uit deze in abnormale omstandigheden gekweekte larven wespen te voor- schijn zullen komen. Mocht dit vooralsnog niet gelukken, dan is hier toch het resultaat verkregen, dat eene wesp gekweekt uit elzelarve, welke met berk gevoed was, op berk gelegd heeft en dat de hieruit voortgekomen larven niet meer de kleur der elzelarve bezitten. Misschien hebben in de vrije natuur varus-wijfjes ook eitjes op berk afgezet, en is hieruit, na eenige generaties, de zwarte latipes ontstaan, welke zeldzamer dan varus is. Het onderscheid tusschen de imagines is gering en bestaat hoofdzakelijk in een kleiu verschil van de tint der vleugels en de kleur der dijen. (Zie: T. v. E. Deei 6, pl. 6, en Deel 10, pl. 8). v. R.

Tijdschr. v. Entom. XLIX 5

LXX VERSLAG

roodbruinig, en het lyf is aan het bovengedeelte zwartrood, van onderen lichtrood. By de exemplaren van S. salicis 1) ziet men aan de vleugels sterkere verkleuring ; zoowel voor- als achtervleugels zijn hier rozerood aan den boven- en onder- kant; oogen en sprieten aan den onderkant zwartrood. By één exemplaar is de beharing der dijen ook lichtrood, en neemt men aan het lyf, onder de beharing, eene zwartroode kleur waar; bij dezen vlinder zijn de vleugels aan den onder- kant iets bruinig-rood.

Geene verkleuring was ontstaan by Huplexia lucipara L. en Spilosoma menthrasti Esp.; by één exemplaar van Mamestra persicariae L. was eene donkerroode kleur te bespeuren op het achterlyf tusschen de geledingen. Aangezien de chitine-huid sterker gekleurd schynt te worden dan de schubben zelve, zal men sprekender resultaten verkrijgen, wanneer men deze proeven met dunbeschubde vlinders neemt, zooals bijv. S. salicis. Ook Dieranura vinula L. zal hiervoor in aanmerking kunnen komen. Spreker bezat een groot aantal dezer rupsen, welke na gebruik van gekleurd voedsel prachtig karmijnrood werden ; toen zij bijna volwassen waren ontstond, zooals meer bij deze rupsen, eene infectie-ziekte en zijn zij, na slap en bruin geworden te zijn, overleden. Neutraalviolet (zoutzuur- Dimethyldiamidophenazine) werd evengoed door rupsen ver- dragen als Neutraalrood (zoutzuur-Dimethyldiamidotoluphena- zine). Daarentegen bekwam het Neutraalblauw (Phenyldime- thylparamidonaphtazoniumchlorid) niet goed aan vinula-rupsen ; zij wilden slechts weinig vreten van wilgeblad, dat met de paars-blauwe oplossing bestreken was en stierven. Misschien moet deze kleur in sterker verdunning toegepast worden.

Ten slotte vermeldt Spreker, dat van minder algemeene vlindersoorten Cymatophora octogesima Hb. en Larentia (Cidaria)

Julvata Forst. bij hem op lamplicht aanvlogen. Een d van Dilina

1) Het spinsel der rupsen was karmijnrood.

VERSLAG. LXXI

(Smerinthus) tiliae L. zette zich 11 Juli tegen den avond op het gaas van een der kweekglazen, dat voor een open raam stond. Het werd daar met suikerwater gelaafd, verplaatste zich nu en dan een weinig, maar bleef overigens geheel vry dag en nacht voor het open raam zitten als »huisdier«, totdat het 17 Juli overleed.

Met een woord van dank sluit de President hierop de

vergadering.

Onder leiding van den heer Bernink uit Denekamp, die zich beschikbaar had gesteld om tot gids te strekken, werd den volgenden dag eene excursie gemaakt naar Denekamp, waar vooral op de oevers van de Dinkel werd verzameld. De schoone natuur en overvloedige plantengroei gaven hoop op belangrijke vangsten, doch deze hoop bleek wel wat teleurgesteld te worden, wat vooral aan het vergevorderde seizoen zal toe te schrijven zijn.

In de Entomologische Berichten zullen de uitkomsten der excursie worden vermeld.

Den heer Bernink een warm woord van dank namens onze

7 . . 2 1 2 Vereeniging!

LXXII VERSLAG.

Voor de leden der Nederlandsche Entomologische Vereeniging zijn verkrijgbaar bij den Secretaris, D. van der Hoop, Scheepstim- mermanslaan 7 te Rotterdam, voor zooverre de voorraad strekt :

Tijdschrift voor Entomologie; per deel:

met gekleurde met zwarte

platen, platen, Deel I—VI, VIII—XVI . . . f 3.— iP Mea » VI, XVII-XXXVII . . » 6.— » 3.— BORKEN er dOr Entomologische Berichten: per 6 nummers. N°. 1—6, 7—12, 13—18, 19-24. . . . . . e le

Handelingen der Nederlandsche Elaine Vereeni- ging, bevattende de Verslagen der jaarlijksche Ver- gaderingen van 1846—1858, met Repertorium . . » 1.25 Pinacographia. Afbeeldingen van meer dan 1000 soorten van Noordwest-Europeesche sluipwespen (Ich- neumones sensu Linnaeano), door Dr. S. C. Snellen

van Vollenhoven, met 45 gekl. platen. . . » 30.— P. C. T. Snellen, De Vlinders van Neder

Macrolepidoptera, met 4 platen . . . » 7.60 Re M. van der W ullep, Pe of the ‘one

Diptera from South-Asia. . . . » 2.40

PME wea edie ay slip enna: J. 0. H. at

Meyere, Nieuwe naamlijst van Nederlandsche Diptera » 2.10 Handleiding voor het verzamelen, bewaren en ver-

zenden van uitlandsche insecten . . . » 0.40 Repertorium betreffende deel I—VIII van ne i Tijd-

schrift voor Entomologie, bewerkt door Mr. E. A.

de Roo van Westmaas . . » 0.50 Repertorium betreffende deel IX XVI van a Tijd-

schrift voor Entomologie, bewerkt door F.M.v.d.Wulp » 0.75 Repertorium betreffende deel XVII—XXIV van het

Tijdschrift voor Entomologie, bewerkt door F. M.

vanzderı Wulpr ee ee ees » 0.75 Jhr. Dr. Ed. Everts, List ¢ der in ton en

het aangrenzend gebied voorkomende Coleoptera. . . » 0.30

LIJST VAN DE LEDEN

DER

NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,

op 1 Juli 1906. MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.

(De leden, die het Tijdsehrift voor Entomologie Deel XLIX

ontvangen, zijn met een * aangeduid).

BUITENGEWOON EERELID. * Z.K.H. de Prins d. Nederlanden, Hertog van Mecklenburg, 1903. EERELEDEN.

* Dr. Gustav L. Mayr, Professor aan de Hoogere Burgerschool te Weenen, III Hauptstrasse 75, te Weenen 1867.

* Frederic du Cane Godman, F.R.S., 10 Chandos-street, Cavendish- square, London W. 1898.

* Edmund Reitter, te Paskau, Moravie. 1900.

* Erich Wasmann, 8. J., Bellevue te Luxemburg. 1901.

*Dr. Chr. Aurivillius, Hoogleeraar in de Zoölogie aan de Universiteit te Stockholm. 1903.

* L. Ganglbauer, te Weenen. 1903.

* Prof. Dr. G. Kraatz, Linkstrasse 28, te Berlin. 1906.

BEGUNSTIGERS.

Het Koninklijk Zoölogisch Genootschap » Natura Artis Magistra« te Amsterdam. 1879.

LXXIV LIJST DER LEDEN ENZ.

De Hollandsche Maatschappy der Wetenschappen te Haarlem. 1884.

Mevrouw de Wed. Mr. J. Kneppelhout, geb. van Braam, Hemelsche Berg, te Oosterbeek. 1887.

Mevrouw M. Neervoort van de Poll, geb. Zubli, te Rijsenburg, (prov. Utrecht). 1887.

Mevrouw A. Weber, geb. van Bosse, te Herbeek. 1892.

Mejuffrouw S. C. M. Schober, Maliebaan 29, te Utrecht. 1892.

Mevrouw J. M. C. Oudemans, geb. Schober, Paulus Potter- straat 12, te Amsterdam. 1892.

Mevrouw M. de Vries, geb. de Vries, huize »de Toorts« Aerdenhout, Zandvoort. 1895.

Mevrouw J. P. Veth, geb. van Vlaanderen, Sweelinckplein 83, te "s-Gravenhage. 1899.

Mevr. C. W. Reuvens, geb. van Bemmelen, te Oosterbeek. 1899.

J. W. Frowein, Æusebius-buitensingel 55, te Arnhem. 1899.

Dr. C. C. Sepp, Leidschegracht 3, te Amsterdam. 1900.

Mej. ©. E. Sepp, Stadhouderskade 16b, te Amsterdam. 1900.

W. Jochems, Korte Vijverberg 4, te ’s-Gravenhage. 1901.

Mejuffrouw M. L. Reuvens, Dreestraat OF, te Leiden. 1902.

CORRESPONDEERENDE LEDEN.

* Frederic Moore, Maple road, 17, Penge (Surrey). 1864.

Dr. W. Marshall, Professor aan de Universiteit te Leipzig. 1872.

A. Fauvel, Rue d'Auge 16, te Caen. 1874.

Dr. O. Taschenberg, te Halle a. S. 1888.

A. W. Putman Cramer, 142 West-street 87, te New-York. 1883.

Dr. F. Plateau, Professor der Zoölogie aan de Hoogeschool te Gent. 1887. £

S. H. Scudder, te Cambridge (Mass.) in Noord- Amerika. 1887.

* Dr. L. Zehntner, te Salatiga (Java). 1897.

Dr. G. von Seidlitz, te Ebenhausen, Oberbayern. 1905.

Dr. P. Speiser, Seestrasse 3, te Zoppot (West-Pruissen). 1906.

BUITENLANDSCHE LEDEN.

Comte Henri de Bonvouloir, Avenue de l’Alma 10, te Parijs. (1867—68). Coleoptera.

* René Oberthür, Faubourg de Paris 44, te Rennes (Ille-et-Vilaine). Frankrijk. (1882—83). Coleoptera, vooral Carabiden.

LIJST DER LEDEN ENZ. LXXV

* The Right. Hon. Lord Th. Walsingham, M. A., F. R. S., Eaton House 66a, Eaton-square, London 8. W. (1892—93). Lepidoptera.

* Julius Weiss, te Deidesheim (Rheinpfalz). (1896 —97).

* Dr. H. Schouteden, Steenweg van Elsem 12, te Brussel. (1906— 1907).

GEWONE. LEDEN,

Vine. Mar. Aghina, Saer. Ord. Praed., te Huissen (Geld.) Algemeene Entomologie. (1875—76).

Dr. H. J. van Ankum, Hoogleeraar aan ’s Ryks Universiteit te Groningen. Algemeene Zoölogie. (1871—72).

G. Annes, Hoogeweg 11, te Watergraafsmeer. (1893—94).

Dr. J. F. van Bemmelen, Buitengewoon Hoogleeraar aan de Technische Hoogeschool te Delft. Dunklerstraat 8, te ’s-Gra- venhage. (1894—95).

E. Berends, M. H. Trompstraat 6, te Utrecht. (1904-1905).

*P. J. van den Bergh Lzn., Spoorlaan, te Tilburg. (1901-1902).

E. M. Beukers. Emmastraat, te Schiedam. Lepidoptera. (1898—99).

C. J. H. Bierman, Ketelstraat 9, te Arnhem. Rhynchota Homoptera. (1904—1905).

P. A. M. Boele van Hensbroek, te ’s-Gravenhage. Biblio- graphie. (1894— 95).

Dr. H. Bos, Leeraar aan ’s Rijks Landbouwschool te Wage- ningen. Formiciden. (1881—82).

Dr. J. Ritzema Bos, Buitengewoon hoogleeraar aan de Uni- versiteit van Amsterdam, te Wageningen. Oeconomische Entomologie. (1871—72).

Dr. J. Bosscha Jz., te Bandong, Java. Coleoptera. (1882 83).

A. van den Brandt, te Venlo. Inlandsche insecten. (1866—67).

*Mr. A. Brants, Verl. Rijnkade 119, te Arnhem. Lepido- ptera. (1865 —66).

* Dr. J. Büttikofer, Directeur van de Diergaarde, te Rotterdam. (1883 84).

Mr. R. Th. Bijleveld, Sophia-laan 11, te ’s-Gravenhage. -— Alge- meene Entomologie. (1863—64). i

*M. Caland, Ingenieur van den Waterstaat, te Zutphen. Lepidoptera. (1892—93).

LXXVI LIJST DER LEDEN ENZ.

*P. Caland, Bergstraat, te Wageningen. (1899 1900).

* A. Cankrien, » Colenso«, te Soestdijk. Lepidoptera. (1868—69).

J. B. Corporaal, Tandjong Morawa, Fost Medan, Deli, Sumatra. (1899 1900).

* Jos. Cremers, 8. J. te Rolduc, Kerkrade. Coleoptera en Lepidoptera. (1906— 1907).

*K. W. Dammerman, Weerdsingel W.z. 13, te Utrecht. (1904— 1905).

* W. van Deventer, te Djokjakarta, (Java). (1901—1902).

*E. D. van Dissel, Inspecteur der Staatsbosschen en ontgin- ningen, Schoolstraat 25, te Utrecht. (1906—1907).

C. J. Dixon, Tandjong Poetoes Estate, Langkat, Sumatra, (1890— 21).

*Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Leeraar aan de Hoogere Burger- school, Stationsweg 79, te ’s-Gravenhage. Europeesche Coleoptera. (1870—71).

* Mr. A. J. F. Fokker, te Zierikzee. Rhynchota (1876-77).

N. H. la Fontijn, te Bergen op Zoom. Hymenoptera acu- leata. (1894—95).

* Dr. Henri W. de Graaf, Vreewijkkade 4, te Leiden. Ana- tomie en Physiologie der Insecten. (1878—79).

Mr. H. W. de Graaf, Daendelsstraat 37, te ’s-Gravenhage. Inl. Lepidoptera, in ’t bijzonder Microlepidoptera. (1847—48).

L. W. Havelaar, Zijlsingel 2, te Haarlem. Lepidoptera. (1887 —88).

*P. Haverhorst, Schiedamsche Singel 20, te Rotterdam. Lepidoptera. (1901— 1902).

*F. J. Hendrichs, S. J., Heerengracht 415, te Amsterdam. (1898 99).

*F. J. M. Heylaerts, Haagdijk, B 377, te Breda. Lepi- doptera enz. (1866—-67).

* Dr. J. van der Hoeven, te Eefde bij Zutphen. Coleoptera. (1886— 87).

J. van den Honert, Koninginneweg 26, te Amsterdam. Lepi- doptera. (1874— 75).

* D. van der Hoop, Scheepstimmermanslaan 7, te Rotterdam. —- Coleoptera. (1882—83).

LIJST DER LEDEN ENZ. LXXVII

Dr. A. A. W. Hubrecht, Hoogleeraar aan ’s Rijks Universiteit te Utrecht. (1904—1905).

* KE. R. Jacobson, te Samarang. (1906—1907).

J. Jaspers Jr., Plantage Lijnbaansgracht 11, te Amsterdam. Inlandsche Insecten. (1880 —81).

Dr. F. A. Jentink, Directeur van ’s Rijks Museum van natuur- lijke historie, Rembrandt-straat, te Leiden. (1878—79).

* J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D 368, te Dordrecht. Lepidoptera. (1858—59).

N. A. de Joncheere, te Dordrecht. Lepidoptera. (1886—87).

D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal, F. 3471, te Zwolle. Lepidoptera. (1863— 64).

* Dr. F. W. 0. Kallenbach, Wilhelminapark, te Apeldoorn. Lepidoptera. (1868—69).

*K. J. W. Kempers, te ’s Hertogenbosch. Coleoptera. (1892— 93).

Dr. C. Kerbert, Directeur van het Koninkl. Zoölogisch Genoot- schap » Natura Artis Magistra«, Plantage Middenlaan 39, te Amsterdam. (1877--78).

*B. H. Klijnstra, Galileïstraat 2, te ’s Gravenhage. (1902— 1903).

J. D. Kobus, te Pasoeroean (Java). (1892 —93).

J. V. M. van Toulon van der Koog, te Oosterbeek. (1904— 1905).

* Dr. J. C. Koningsberger, Landbouw-zoöloog aan ’s Lands Plantentuin, te Buitenzorg. (1895 96).

M. ter Kuile. Markt 46, te Delft. (1904—1905).

H. J. H. Latiers, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te Rolduc, Kerkrade. Coleoptera en Lepidoptera. (1893 —94).

*A. A. van Pelt Lechner. Bibliothecaris der Ryks-Landbouw- school, Bowlespark 327, te Wageningen. Algemeene Ento- mologie. (1892 —93).

*Mr. A. F. A. Leesberg, Jan Hendrikstraat 9, te ’s Graven- hage. Coleoptera. (1871—72).

* W. M. Docters van Leeuwen, Prins Hendriklaan 1, te Utrecht. Gallen. Anatomie en Histologie der Insecten. (1906 —1907).

Dr. Th. W. van Lidth de Jeude, Conservator by ’s Ryks Museum van natuurlijke historie, Boommarkt, te Leiden. Anatomie der Insecten. (1883—84).

* J. Lindemans, Delftsche Vaart 23, te Rotterdam. (1901—1902).

LXXVIII L1JST DER LEDEN ENZ.

Dr. J. ©. C. Loman, Leeraar aan het Gymnasium, Roelof Hartstraat 121, te Amsterdam. Opilionidae. (1886—87).

*Mr. H. A. Lorentz, Drift 14, te Utrecht. Lepidoptera. (1900—1901).

* Dr. T. Lycklama a Nyeholt, Westersingel 83, te Rotterdam. Lepidoptera. (1888—89).

Dr. 1. J. Lycklama a Nyeholt, St. Canisius-singel 22, te Nijmegen. Lepidoptera. (1896—97).

J. Maat, Boschlaan 30, te Rotterdam. Lepidoptera. (1903— 1904).

* Dr. D. Mac Gillavry, P. C. Hooftstraat 171, te Amsterdam.— Inlandsche Coleoptera en Lepidoptera. (1898—99).

* Dr. J. G. de Man, te Yerseke.—Diptera en Crustacea.(1868—69).

Dr. J. C. H. de Meijere, Conservator der entomologische en ethnographische Musea van het Kon. Zoöl. Genootschap » Natura Artis Magistra« Villa Yda, Waldecklaan te Hilver- sum. Diptera. (1888 89).

*J. D. Moerman, Boterstraat 387, te Wageningen. (1906 1907).

Dr. G. A. F. Molengraaff, Hoogleeraar aan de Technische Hoogeschool te Delft, Juliana van Stolberglaan 43, te ’s-Gra- venhage. (1877 78).

A. Mos, Utrechtsche straat, te Arnhem. (1900-1901).

* De Nederlandsche Heide-Maatschappij, Nieuwegracht 94, te Utrecht. (1908 —1904).

Dr. A. C. Oudemans, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, Boule- vard85,te Arnhem. Acari, Chernetidae, Pulicidae.(1878—79).

* Dr. J. Th. Oudemans, Paulus Potterstraat 12, te Amsterdam. Macrolepidoptera, Hymenoptera, Thysanura en Collembola. (1880—81). |

* Dr. E. Piaget, aux Bayards, Neuchâtel (Zwitserland). Dip- tera en Parasitica. (1860 —61).

*Mr. M. C. Piepers, Oud-Vicepresident van het Hoog Gerechts- hof van Ned. Indië, Noordeinde 10a, te ’s-Gravenhage. Lepidoptera. (1870—71).

R. A. Polak, Noordstraat 5, te Amsterdam. (1898 —99).

*J. R. H. Neervoort van de Poll, Huize Beukenstein, te Rijsen- burg (prov. Utrecht). Coleoptera. (1883—84).

Dr. J. Prince, St. Annastraat 44, te Nijmegen. Lepidoptera (1904—1905).

LIJST DER LEDEN ENZ. LXXIX

*Dr. P. H. J. J. Ras, Velperweg 56a, te Arnhem. (1876—77). Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Oud-hoogleeraar aan ’s Ryks Uni- versiteit te Utrecht. Algemeene Zoölogie. (1866—67).

* Dr. C. L. Reuvens, te Oosterbeek. (1889 —90).

C. Ritsema Cz., Conservator by ’s Rijks Museum van natuur- lijke historie, Rupenburg 94, te Leiden. Algemeene Ento- mologie. (1867 68).

*G. van Roon, 2e Pijnackerstraat 18, te Rotterdam. Coleoptera. (1895—96).

* Dr. A. J. van Rossum, Zusebius-plein 25, te Arnhem. Biolo- gie der bladwespen. (1872—75).

Dr. R. H. Saltet, Hoogleeraar aan de Univereiteit, Oosteinde 21, te Amsterdam. (1882 —83).

M. M. Schepman, te Rhoon. Neuroptera. (1871—72).

DENSE a Schutter, te Groningen. Lepidoptera. (1900—1901).

È Si J. M. Schuyt, te Oosterbeek. Lepidoptera. (1890—91). 20: a Sluiter, Hoogleeraar aan de Universiteit, Oosterpark a. te Amsterdam. (1899—1900).

* ©. A. L. Smits van Burgst, te Beek (N. Brabant). (1906 1907).

*P. C. T. Snellen, Wijnhaven (Noordzijde) 45, te Rotterdam. Lepidoptera. (1851—52).

* L. Soeten, Joh. Verhulststraat 52, te Amsterdam. (1904—1905).

J. B. van Stolk, villa Jarpa, Hoogeweg te Scheveningen. Lepidoptera. (1871— 72).

A. L. J. Sunier, Groothertoginnelaan 51, te ’s-Gravenhage. (1904—1905).

*P, F. Sijthoff Jzn., Administrateur op de kina-plantage Kerta- manah, in de afdeeling Bandoeng, Preanger regentschappen, Java. Coleoptera. (1878—79).

Dr. J. J. Tesch, Zoölogisch station, te Helder. (1898—99).

* P. Timmer, Adj. Houtvester, Grobogan, te Poerwodadi (Resid. Samarang, Java). (1901—1902).

* Mr. D. L. Uyttenboogaart, Achterburgwal 177, te Amsterdam. -— Coleoptera. (1894—95).

*H. Verploegh, Med. Stud., Oudkerkhof 45, te Utrecht. Lepidoptera. (1900— 1901).

Dr. J. Versluys jr., Assistent aan het Zoölogisch Laborato- rium, Amsteldijk 62, te Amsterdam. Coleoptera en Macro- lepidoptera. (1892—93).

LXXX LIJST DER LEDEN ENZ,

* Dr. H. J. Veth, Sweelinckplein 83, te s-Gravenhage. Alge- meene Entomologie, vooral Coleoptera, (1864— 65).

Johan P. Vink, te Nijmegen. Lepidoptera (1883 —84).

Dr. G. C. J. Vosmaer, Hoogleeraar aan ’s Rijks Universiteit te Leiden. (1903— 1904).

*H. A. de Vos tot Nederveen Cappel, te Apeldoorn. Lepi- doptera. (1888—89). \

J. J. de Vos tot Nederveen Cappel, te Medan, Sumatra. (1902—1903). |

* Mr. L. H. D. de Vos tot Nederveen Cappel, te Velp. Algemeene Entomologie. (1899—1900).

* W. Warnsinck, Rijnkade 92, te Arnhem. (1898—99).

Dr. Max C. W. Weber. Buitengewoon Hoogleeraar aan de Universiteit van Amsterdam, te Herbeek. (1886—87).

* Dr. H. W. van der Weele, Statenlaan 4, te Scheveningen. Neuroptera. (1899—1900).

H. L. Gerth van Wyk, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te Middelburg. Hymenoptera aculeata. (1874—75).

* A. J. Zöllner, Goudsche singel 111, te Rotterdam. Coleoptera. (1904—1905).

J. G. Zöllner, Goudsche singel 111, te Rotterdam. be rr GRAAD, (1904—1905).

BESTUUR.

President: Dr. J. Th. Oudemans. Vice-President: Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts. Secretaris: D. van der Hoop. Bibliothecaris: Dr. C. L. Reuvens. Penningmeester: Dr. H. J. Veth.

Dr. A. J. van Rossum.

COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT.

Dr. J. Th. Oudemans. Dr. J. C. H. de Meyere. Dr. D. Mac Gillavry.

ie | _TUNSCHRIFT VOOR ENT OMOLOGIE

1 | + DOOR | - È DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE | venen ING SI

ONDER REDACTIE VAN |

Dr. Te TH, OUDEMANS, Jor. Dr. Ep. J. G. EVERTS | 2

Mr. A. F. A. LEESBERG

NEGEN-EN-VEERTIGSTE DEEL

JAARGANG 1906

Eerste Aflevering met 3 platen

(25 Maart 1906) .

94 -GRAVENHAGE MARTINUS NUHOFF Se 1906

Teves X EXC Rehlztenzv.es:

Di TER HAAR geboren 25 Oct. 1860 overleden 29 Juni 1905,

IN MEMORIAM

DIRK TER HAAR,

DOOR

Dr. J. Th. OUDEMANS.

MET PORTRET.

Toen op 20 Mei 1905 de leden der Nederlandsche Ento- mologische Vereeniging te Driebergen bijeengekomen waren op de jaarlyksche zomervergadering en tevens om het zestig- jarig bestaan der Vereeniging feesteljk te herdenken, wie had toen kunnen denken, dat een der opgewektste aanwezigen, Dirk ter Haar, ons weldra door den dood zou worden ontrukt? Toen dan ook enkele weken later het bericht van zijn over- lijden anderen en mij bereikte, was de verslagenheid groot, de deelneming algemeen. Zij, die hem nader kenden, beseften, hoe veel deze degelijke, werkzame en op middelbaren leeftijd zoo jeugdige man nog had kunnen arbeiden, ware het leven hem nog geruimen tijd gespaard gebleven.

Als oud vriend van den overledene zy het mij vergund, hier enkele bladzijden aan hem te wijden en, door het daaraan toevoegen van zijne beeltenis, de herinnering aan zijn persoon ook voor later levendig te houden.

De gegevens, waaraan het onderstaande is ontleend, ben ik voor een deel verschuldigd ‘aan zijne zwaar beproefde echt- genoote, terwijl ook de heer Bruna, predikant te Hengeloo (Ov), mij enkele bijzonderheden mededeelde. Daar ik ter Haar reeds

zeer lang kende en hy mij, in de latere jaren vooral, geheel Tijdschr. v. Entom. XLIX. 1

2 J. TH. OUDEMANS, IN MEMORIAM DIRK TER HAAR.

op de hoogte hield van zijn entomologisch werken en streven, viel het my niet moeilijk, hem te schetsen, voor zooverre hij zich op dit, zijn lievelingsgebied, bewogen heeft.

Dirk ter Haar werd op 25 October 1860 geboren te Nijme- gen, waar zijn vader predikant was. Hy doorliep er het gym- nasium en studeerde vervolgens voor notaris. In 1884 ging hy naar Giessendam in Zuid-Holland. In dat lage land gevoelde hij zich in het geheel niet te huis, ook voor een groot deel, omdat de omgeving voor zijne entomologische neigingen wei- nig aantrekkelyks aanbood. Weldra, Juli 1885, verliet hij dan ook die plaats, en vertrok naar Cuyk, waar vooral de bekende entomologische jachtterreinen aan de overzijde van de Maas, namelijk de St. Jansberg en zijne omgeving, hem aantrokken. Op 28 Mei 1890 werd ter Haar tot notaris benoemd en wel te Warga in Friesland. Hij bleef er tot April 1899, toen hy het notariaat te Kollum aanvaardde. Naar hy my zelf mede- deelde, was het zijn plan, daar voorgoed te blijven ; eerst woonde hij er aan den ingang van het dorp, als men dit van de zijde van het naastbijzijnde spoorwegstation, Buitenpost, binnenkomt; later werd hij eigenaar van een zeer fraai huis midden in het dorp, met veel en boomryk terrein er bij; daar gevoelde hij zich eerst recht naar zijn genoegen en richtte er in de laatste jaren allerlei, ook den fraaien bloementuin, geheel naar zijn welbehagen in. Helaas heeft hij van dit alles nauwelijks iets kunnen genieten! Op 28 Juni 1905, des avonds te acht uur van eenige ambtsbezoeken te huis gekomen, werd hij kort daarop door eene benauwdheid overvallen, die door meerdere andere gevolgd werd, welke reeds in den morgen van den volgenden dag een einde aan zijn leven maakten. ter Haar werd dus slechts ruim 44 jaar oud; niemand die den stevig gebouwden man, den onvermoeiden excursionist kende, had dat verwacht. Zijn heengaan, een onherstelbaar verlies voor zijne echtgenoote en zijne drie kinderen, laat

mede eene groote leegte na bij zijne vele vrienden.

J. TH. OUDEMANS, IN MEMORIAM DIRK TER HAAR. 3

ter Haar bewoog zich, behalve op het gebied van zijn ambt, nog op velerlei ander terrein. Zoo gevoelde hij veel voor de algemeene verspreiding van natuurkennis en hield verscheidene lezingen, die hij zeer aantrekkelijk maakte door de sciopticon- beelden, die hy daarbij vertoonde. Zelfs schafte hij zich voor dat doel een eigen sciopticon en een groot aantal lantaarn- plaatjes aan. Dat hij eertijds eene belangrijke rol gespeeld heeft in den Algemeenen Nederlandschen Wielrijdersbond, is in sportkringen algemeen bekend.

De studie der natunr was ter Haar reeds lief van der jeugd af aan; planten en insecten hebben hem steeds geboeid. Reeds op 10-jarigen leeftjd werd en dan een vlinder gevangen en bewaard en toen de jeugdige liefhebber in 1872 en 1873 des zomers op een buiten te Lemele (Ov.) logeerde, was dit verblijf voor het verzamelen bijzonder gunstig. Volgens zijne eigene mededeelingen werden de voorwerpen toen nog door hem aan gewone spelden in sigarenkistjes zonder turfbodem gestoken eene wijze, waarop menigeen in dien tijd begon- nen is. Alles ging dan goed, zoolang men te Lemele bleef, doch dan kwam die »verschrikkelijke« reis, eerst per rijtuig, de kinderen soms per boerenwagen, naar Wijhe of Deventer. Die wegen schijnen toen niet zeer effen geweest te zijn de aangestoken vlinders konden in elk geval deze vuurproef slecht doorstaan.

Na aankomst te Nijmegen bleek zelden iets anders te zijn te huis gebracht dan een chaos van beschadigde voorwerpen, losse achterlijven, vleugels enz. Deze tegenspoeden vermochten echter het heilige vuur bij onzen jongen verzamelaar aller- minst te dooven! Hij maakte kennis met den heer Bruna, destijds predikant te Wichen bij Nijmegen, thans te Hengeloo (Ov.). Deze gaf hem de eerste goede aanwijzingen, hoe met de gevangen voorwerpen te handelen en maakte ook wel excursies met hem, waarop hem ter Haar’s gevoel voor al wat de natuur

betrof opviel. Toen kwam het tijdperk, dat hij kennis maakte 1*

4 J. TH. OUDEMANS, IN MEMORIAM DIRK TER HAAR.

met geroutineerde verzamelaars, o.a. met de HH. Baron Lewe van Middelstum te Beek en Uyen te Nijmegen. Zoo geraakte hij in het rechte spoor, vooral nadat hij ook den heer Snellen ontmoette, onzen lepidopteroloog bij uitnemendheid: Dat was toen een gulden tid, die laatste jaren, dat hij te Nijmegen woonde ; heel wat excursies werden gemaakt, bij dag zoowel als bij nacht, alleen of in gezelschap ; mijn neef, Dr. A. C. Oudemans, en Prof. G. A. F. Molengraaff, destijds beiden ver- zamelaars van Lepidoptera, woonden toen ook te Nijmegen en ik zelf logeerde er meer dan eens, en wij waren allen van ongeveer gelijken leeftijd.

In het vereenigingsjaar 1879—1880 werd ter Haar lid van de Nederlandsche Entomologische Vereeniging en bleef haar trouw tot aan zijn dood. Als 't hem maar eenigszins mogelijk was, woonde hy de vergaderingen by, die, gelijk hy verklaarde, voor hem zoovele feestdagen waren. In de verslagen komt menigmaal zijn naam voor onder die dergenen, die weten- schappelijke mededeelingen deden. In het Tijdschrift voor Entomologie en de Entomologische Berichten zijn verschillende opstellen van zijne hand verschenen, die aan het slot van deze schets zullen worden opgesomd. Verder schreef ter Haar in 1898 een »Handboek voor den Verzamelaar van Vlinders«, dat hem vooral geïnspireerd werd doordien hy zelf in den aanvang het gemis aan voorlichting zoo sterk gevoeld had. In dit handige boekje, door talrijke afbeeldingen verduidelijkt, vindt de beginner al wat hij noodig heeft te weten, om een degelijk verzamelaar te worden. Daarop maakte ter Haar een aanvang met de bewerking van eene Nederlandsche uitgave van Berge’s »Schmetterlingsbuch«, waarvan de eerste afleve- ring in Mei 1899 het licht zag bij den uitgever Thieme te Zutphen. Het kwam in 1904 gereed. Wat dit werk betreft, vestig ik er nog eens de aandacht op, dat ter Haar zich hierin veel moeite gegeven heeft, om de tot nog toe bekende

vindplaatsen der soorten in Nederland zoo volledig mogelijk

J. TH. OUDEMANS, IN MEMORIAM DIRK TER HAAR. 5

te vermelden en ook de vliegtijden zoo nauwkeurig mogelijk vast te stellen. Dit geeft er dan ook waarde aan voor den geoefenden verzamelaar, waar de strekking van dergelijke, in den laatsten tijd vooral in Duitschland veel uitgegeven plaat- werken vooral gezocht moet worden in de voorlichting van hen, die nog niet tot het gebruiken der standaardwerken zijn opgeklommen.

Wat de publicaties in het Tijdschrift voor Entomologie betreft, vestig ik de aandacht op de » Lijst van planten, waarop de in Nederland voorkomende Microlepidoptera te vinden zijn«, een vrij omvangrijk geschrift, dat voor hen, die Microlepi- doptera kweeken, veel gemak aanbiedt.

Nog moet ik vermelden, dat ter Haar den stoot heeft gegeven tot de uitgave van de »Entomologische Berichtene, wel niet direct, maar toch indirect. In de Zomervergadering van 1900, te Oosterbeek gehouden, stelde hy nl. de vraag, of de Nederlandsche Entomologische Vereeniging wel voldeed aan de eischen, die haar in den tegenwoordigen tijd mogen en moeten gesteld worden. Deze vraag werd op de volgende Zomervergadering, in 1901 te Groningen gehouden, door het bestuur, b monde van haren toenmaligen President, in elk opzicht bevestigend beantwoord. Intusschen was zij toch voor het Bestuur eene aanleiding geweest, om opnieuw de aan- dacht te vestigen op eene reeds vroeger geopperde zaak, nl. op het uitgeven van periodieke entomologische berichten, die gratis aan de Leden zouden worden verstrekt. Tot deze uitgave werd dan ook op die vergadering besloten. En wan- neer men thans de 27 nummers, die van deze Entomologische Berichten verschenen zijn, beschouwt en bemerkt, dat zij meer en meer aan eene behoefte in de Vereeniging voldoen, dan kan men over het besluit, dat tot die uitgave werd overgegaan, thans, nu over de zaak te oordeelen valt, niet anders dan ingenomenheid gevoelen.

Uit een en ander, dat hier door mij werd medegedeeld, ziet

6 J, TH. OUDEMANS, IN MEMORIAM DIRK TER HAAR,

men, dat ter Haar een werkzaam deel heeft genomen aan het entomologische leven in Nederland; het laatst bleek dit nog door zijne omvangrijke verzameling van entomologische utensiliën op de Biologische Tentoonstelling te Amsterdam in Juni 1905, terwijl hij een paar dagen voor zijn overlijden nog een kort opstel voor het Tydschrift voor Entomologie voltooide. Zoo is hy in het midden zijner volle werkzaamheid heengegaan, bij

velen en op velerlei gebied eene leegte achterlatend. De publicaties, door ter Haar geschreven, zijn de volgende:

Tijdschrift voor Entomologie, Deel 27, 1884, p. 134, »Aanteekeningen over eene variëteit van Lycaena medon v. Rottb. (astrarche Brgstr.).«

Id., Deel 29, 1886, p. 26—32, »Een blik in de entomologische fauna van den Alblasserwaard. «

Id., Deel 29, 1886, p. 159—223 en DI. 30, 1887, p. 245 292, »Lijst van planten, waarop de in Nederland voorko- mende Microlepidoptera te vinden zijn.«

Id., Deel 38, 1895, p. 184—195, »Gaasterland« (faunistisch).

Id., Deel 39, 1896, p. 39, »Eene voor de fauna van Neder- land nieuwe variëteit van Agrotis janthina W. V.« (— var. rufa Tutt).

Id., Deel 39, 1896, p. 71—74, »Iets over het genus Acrolepia Curt. Staint.«

Id., Deel 42, 1900, p. 97—100, » Craniophora ( Acronycta) ligustri Fabr. var. olivacea Tutt.«

Id., Deel 43, 1901, p. 235238, » Twee variëteiten van Polyom-

matus dorilis Hfn.« (= var. brantsi en var. wyent).

Id., Deel 43, 1901, p. 239—246, »Eenige merkwaardige aber-

ratién en eene nieuwe variéteit, afkomstig van een dankbaar

J. TH. OUDEMANS, IN MEMORIAM DIRK TER HAAR. 7

vangterrein.« (Polyommatus hippothoé L. var. groningana en aberraties van Polyommatus hippothoé L., Argynnis selene

W. V. en Argynnis aglaja L.).

Id., Deel 45, 1903, p. 108—111, »De rups van Xystophora palustrella Dougl.«

Id., Deel 48, 1905, p. 79—82, »Iets over het weerstands- en aanpassingsvermogen van insecten, in verband met Xysto- phora palustrella Dougl. en de langzame ontwikkeling van

met sluipwespen bezette rupsen.«

Id., Deel 48, 1905, p. 204 —205, » Chrysophanus (Polyommatus) hippothoé L. ab. ewrybina (nov. ab.)«.

Entomologische Berichten. Hierin verschenen een elftal korte mededeelingen tusschen September 1901 en September 1905.

Handleiding voor den Verzamelaar van vlin- ders, met vele tekstfiguren. Amsterdam 1898, W. Versluys.

Onze Vlinders, bewerkt naar Fr. Berge’s Schmetterlings- buch (8° Auflage). Met ongeveer 1300 afbeeldingen. Zutphen, W. J. Thieme en Cie. 1899—1904.

ter Haar’s verzameling van Lepidoptera is in myn bezit overgegaan en wordt ingelascht in de faunistische collectie, waarin reeds o.a. de verzamelingen van Backer, Lodeesen, van Leeuwen, de Graaf en anderen zijn opgenomen. Zij bevindt zich das in goed gezelschap en zal het haar ook aan goede

verzorging niet ontbreken.

BOEKAANKONDIGING

DOOR

P. C. T. SNELLEN.

Mr. A. Brants, Nederlandsche Vlinders, beschreven en afgebeeld (door). Derde Serie van Sepp’s Neder- landsche Insecten. Afl. 1 en 2. 's-Gravenhage, Martinus Nijhoff. 1905.

Toen ik, uithoofde van mijnen klimmenden leeftijd en daar- mede zamengaande vermindering van gezondheid en werkkracht, het tot mijn leedwezen raadzaam oordeelde, ook in het belang van het werk zelf, onı van mijn aandeel in de redactie van Sepp’s Nederlandsche Insecten aftezien, hoopte ik stellig dat myn geachte mederedacteur, Mr. A. Brants, spoedig, zooals ook zijn voornemen was, alleen tot de voortzetting zoude overgaan. Velerlei bezwaren, die ik nu maar niet opsommen zal, verhinderden echter dat die hoop ras vervuld werd en eene wijle vreesde ik zelfs voor hare geheele verijdeling. Thans echter mag ik tot mine groote voldoening constateeren dat alle zwarigheden overwonnen zijn en de voortzetting van het beroemde werk een feit is geworden. Niemand anders dan mijn geachte vriend ware daartoe dan ook beter in staat; zijn onovertroffen talent als teekenaar, zijne entomologische kun- digheden, zijne gave als waarnemer en, niet te vergeten, zijne grondige bekendheid met alles wat met de uitgave van zulk een werk technisch in verband staat, maken hem ten volle bevoegd de taak op zich te nemen.

Zoo liggen dan nu aflevering 1 en 2 van Sepp’s derde Serie

P. C. T. SNELLEN, BOEKAANKONDIGING. 9

voor mij en wil ik den auteur daarmede gelukwenschen, hopende dat het hem moge gegeven zijn, ten minste een paar deelen uittegeven.

In die eerste twee afleveringen is de geheele ontwikkelings- geschiedenis van den typischen vorm van Satyrus Statilinus Hfn.: beschreven en afgebeeld. Men maakt kennis met het ei, de rups op verschillenden leeftijd, de pop en den vlinder zoo- als die in Nederland voorkomt, alles op voortreffelijke wijze voorgesteld zonder dat ik er eenige aanmerking op heb te maken.

De heer Brants heeft met deze soort een eigenaardig geluk gehad. Had Mr. H. W. de Graaf het eerst het ei mogen waar- nemen en daarvan eene korte beschrijving gepubliceerd (zie zijne breedere aanteekening over Sat. Statilinus, Bouwstoffen II p. 71), zoo is Mr. Brants de eerste geweest die de rups en hare leefwijze waarnam en beschreef (Tijds. v. Entom. 22 (niet 23) p. 200— 205). Ook zijne tegenwoordige afbeelding is de eerste die bekend gemaakt wordt en deze bijdrage dus voor alle Lepidopterologen van belang. Ik zal hier geen uittreksel der beschrijving of meer dan eene korte toelichting der af beel- dingen geven, dit is geheel onnoodig, ik kan niet beter doen dan naar beide te verwijzen. Alleen wil ik opmerken dat de rups veel overeenkomst heeft met die van Satyrus Semele waarop men bij het zoeken naar haar wel mag letten.

De afgebeelde vlinders stellen inlandsche voorwerpen voor die wel allen tot den typischen vorm behooren, doch gaan de wijfjes fig. 19 en 21 over op de zuideuropesche variëteit Allionia Cyrilli, Esper, die zich onderscheidt door iets meer- dere grootte dan de door Mr. Brants voorgestelde exemplaren. Ook is deze variëteit Allionia lichter gekleurd en hebben de voorwerpen op de onderzijde der achtervleugels t wee geslin- gerde donkere dwarslijnen met sterke witte bestuiving aan de buitenzijde der tweede.

Uitvoering der platen, druk en papier laten mede niets te

10 P. C. T. SNELLEN, BOEKAANKONDIGING.

wenschen over. Het werk kondigt zich dus op eene echt degelijke wijze aan.

Hoewel het prospectus op ruime schaal is verbreid, wil ik toch nog even aanstippen dat het werk verkrijgbaar is bij de firma Martinus Nijhoff te ’s-Gravenhage ; de prijs eener afle- vering, waarvan de auteur hoopt er ieder jaar 4 uit te geven, is voor de oude inteekenaren f 2.—, voor nieuwe f 2.50 en men teekent in voor een deel van 50 afleveringen.

Mogen velen zich nu opgewekt gevoelen de uitgave door hunne inteekening te steunen en dit niet alleen onder de Lepidopterologen die er regtstreeks nut uit zullen trekken, maar ook onder alle zoölogen en onder onze kunstliefhebbers. Ook hun zal het werk een waar genot verschaffen.

Het bij deze korte aankondiging latende, wil ik alleen nog opmerken dat ik hoop dat Mr. Brants, ook al kan hij de natuurlijke geschiedenis eener soort niet zóó volledig bekend maken als nu die van Sat. Statilinus, zijne waarnemingen toch niet zal terughouden wanneer het bijzondere vlindersoorten geldt. Betere afbeeldingen toch in de eerste plaats zullen wij van niemand ontvangen.

Rotterdam, December 1905.

PLUTELLA CRUCIFERARUM 2.

(Snellen, De vlinders van Nederland, Microlepidoptera, pag. 542).

DOOR

H. M. QUANJER.

(Mer PLAAT 1 EN 2).

By het onderzoek der ziekten van kool in Noord-Hol- land, dat my voor het jaar 1905 door professor Ritzema Bos werd opgedragen, bleek het al spoedig dat de Tineide van bovenstaanden naam een geduchte vijand van den landman is. Alle jaren komt het rupsje in meerdere of mindere mate in de koolvelden voor, maar in 1905 heeft het zeer veel schade gedaan.

Het economisch belang van dit insect springt voldoende in 't oog om, ondanks de vele beschrijvingen, die er reeds van bestaan, deze bespreking te rechtvaardigen. Professor Ritzema Bos stelde mij welwillend de voornaamste literatuur, gedeel- telijk door Dr. Brants bijeengebracht, ter beschikking.

In de eerste plaats moet het gebruik van den gangbaren naam Plutella cruciferarum verdedigd worden, tegen een aanval van Walsingham en Hartley Durrant, die, in »The Entomologist’s Monthly Magazine« (serie II, vol VIII, pag. 173, 1897), de hopelooze naamsverwarring aangaande ons vlindertje uiteen- pluizen, maar die, naar het mij toeschijnt, omtrent den voortaan te geven naam, toch tot een verkeerde conclusie komen. Het is waar, Curtis heeft reeds in de eerste editie van zijn »Guide« (186, N°. 1031) den naam Cerostoma maculipennis voor deze Tineide gebruikt, welke naam daar niet vergezeld gaat van

12 H. M. QUANJER, PLUTELLA CRUCIFERARUM 2.

een beschrijving. Op de tweede bladzijde van de verklaring van plaat 420, in de »British Entomology« (1832), wordt de soort uitvoerig onder denzelfden naam beschreven. Uit die beschrijving maken de auteurs van het stuk in »The Monthly Magazine« terecht op, dat Curtis hier het op kool levend motje bedoelde; maar niet is waar, wat zij ook willen beweren, n.l. dat Curtis deze soort heeft onderscheiden van het kamperfoelievlindertje. Dit blijkt ten duidelijkste, wanneer men opslaat Curtis’ »Farm Inseets« (1860), waar hy het koolmotje, »the Turnip Diamond- back Moth« beschrijft en afbeeldt, maar nu onder den naam Cerostoma aylostella. Deze soort, zegt hy, leeft op Crucifeeren, en op het vaste land ook op kamperfoelie. Het was Zeller, die in 1843, in de »Stett. Ent. Ztg« IV, pag. 281, het eerst het koolmotje en het kamperfoelievlindertje onderscheidenlijk beschreef, het eerste Plutella cruciferarum doopte, en het tweede met den Linnaeaanschen naam Cerostoma æylostella bleef aanduiden. Het aardig geschreven opstel van de Engelsche schrijvers wordt aldus besloten :

»As the Diamond-back Moth, alias Plutella cruciferarum Z. is probably the only Tineid, known by name to the general public, having been so freely mentioned in newspapers and the reports of economie entomologists throughout the world, it is very sad to have to lead the non-entomological student of inseet scourges and pests into the regions of synonymy, and to ask him to unlearn the name cruciferarum Z., and to

substitute for it maculipennis Crt., an older and forgotten name.

»»Till old age and experience hand in hand

Lead him to death, and make him understand,

After a search so painful and so long,

That all his life-he has been in the wrong.«« (Anon).

De nomenclatuur van Curtis’ »Farm Insects« te zien, is my,

H. M. QUANJER, PLUTELLA CRUCIFERARUM Z. 13

den »non-entomological student of insect scourges and pests« een pak van ’t hart, en ik ben bly my te kunnen blijven beroepen op Snellen. Ook Stainton, Heinemann en Frey geven de voorkeur aan den naam P. cruciferarum, ofschoon de laatste vermeldt, dat de rups op kamperfoelie voorkomt, welke opgave waarschijnlijk het gevolg is van verwarring met Cerostoma æylostella. De beschryving van Snellen, ofschoon 24 jaar oud, is zeer volledig en er is ook rekening in gehouden met den arbeid van zijn voorgangers. |

De afbeeldingen van het insect, vooral wat betreft de ontwik- kelingstoestanden, zijn ontoereikend. Men vindt er in Rösel v. R's »Insecten-Belustigungen« (1746) eenige beneden de ware grootte ; in Duponchel’s »Hist. Nat. d. Lepid.« etc, (1838) een van het vlindertje; in Wood’s »Index Ent.« (1854) drie figu- ren, niet zeer duidelijk, en wel wat eenkleurig; in Stainton’s „Insecta Brit. Lepid. Tineina« (1854), zeer goede vleugelom- trekken, kop en rustend motje, alles vergroot; in Curtis’ »Farm Insects« het zittend en vliegend vlindertje, vergroot en het laatste gekleurd, met minder goed gekozen kleuren, en het rupsje en coconnetje in natuurlijke grootte en onduide- lijk; en by Rondani in »Bulletino della Societa Entomologica Italiana« (deel VIII, 1876) niet zeer duidelijke afbeeldingen van deelen }).

De nieuwe, door mij naar de natuur gemaakte teekeningen, zijn dus niet overbodig. Alleen fig. 6 van Plaat II is, na verge- lijking met levend materiaal, naar Stainton gecopiëerd. De figuren 7 en 8 komen voldoende met die van Stainton over- een. Op de vraag, waar de Engelschen hun typeerenden volks- naam »Diamond-back Moth« aan ontleenen, geeft fig. 4 van Plaat I antwoord.

Om tot den practischen kant van de zaak terug te keeren, zij vermeld, dat in 1905 Plutella eruciferarum erg heeft huisgehouden

op de koolvelden. Ofschoon ik de rupsjes van af begin Juni tot

1) Als nieuwe soort onder den naam Gelechta cicerella aldaar beschreven.

14 H. M. QUANJER, PLUTELLA CRUCIFERARUM Z.

in October hier en daar aantrof, zijn er twee perioden geweest, in welke zij. buitengemeen talrjk waren, n.l. in de tweede week van. Juli en in de laatste week van die maand. In de tweede periode, toen het gewas, al naar den tijd van zaaling en planting, tot plantjes van ongeveer 8 m.M. stamdikte of tot gevormde koolkroppen was aangegroeid, leverden de velden een treurigen aanblik op. De bladeren waren »doorhageld«, zoo- als de boeren zeggen. Inderdaad, de beschadiging ziet er uit, alsof er flinke hagelkorrels of erwten door de bladen zijn gescho- ten, en of sommige gaten naderhand, op de wijze van een schuttersschyf, zijn dichtgeplakt. Dikwijls laten n.l. de rups- jes een der twee opperhuiden van het blad zitten, zoodat een vliesje het gat afsluit. Er waren velden aan den Langendijk, maar vooral vele in de omstreken van Enkhuizen, waar men stronken zag, bezet met bladstelen, die nog slechts eenige zeef- vormig doorboorde bladresten droegen, als flauwe aanduiding, hoe het gewas had kunnen zijn.

Neemt men in aanmerking, dat daarbij op sommige plaatsen de ziekte der »vallers«, op andere die der »draaiharten« optrad, dan zal men moeten toegeven, dat het jaar 1905 geen reden tot tevredenheid gaf aan de Hollandsche koolboeren.

Daar de plaag door langdurige droogte wordt in de hand gewerkt, en daaromtrent zoo weinig te voorspellen valt, kan aan prophylaxis niet gedacht worden, en als therapeut heeft de phytopatholoog op het uitgestrekt gebied, dat in Noord- Holland met kool bebouwd is, ook geen gemakkelijke taak. De boeren moeten al hun zorg op hun eigen akkers concen- treeren en daar de rupsen trachten te keer te gaan, zooals ik dit in het Tijdschrift over Plantenziekten (15° afl. jaarg. 1906) nader aangeef.

Wat de generaties betreft, sommige schrijvers, waaronder Duponchel en Stainton, geven er twee op, van welke de rupsen in Juni en September zouden zijn aan te treffen. In het afgeloopen

jaar moest men tot een ander gevoelen komen, en wel, dat er

H. M. QUANJER, PLUTELLA CRUCIFERARUM Z. 15

verschillende, niet scherp gescheiden generaties zijn. Ook Curtis en Snellen zijn van deze meening. In andere jaren is het even moeilijk om zich omtrent dit punt rekenschap te geven. Men ziet namelyk, in Mei of Juni, als het lang uit het Oosten waait, dat de rupsen in groot aantal optreden, om spoedig weer bijna geheel te verdwijnen, als de zeewind vochtige dampen en regen brengt. Maar zoodra heeft niet de Oosten- wind het terrein herwonnen, of opnieuw begint het insect zijn vernielingswerk. Men denkt hier onwillekeurig aan het ver- haal in Exodus van de sprinkhanenplaag: »en het geschiedde des morgens, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht«, terwijl bi den daaropvolgenden Westenwind: »er niet één sprinkhaan overig bleef in al de landpalen van Egypte«.

Miss E. A. Ormerod heeft, in haar »Report of observations of injurious insects« over 1891, aangetoond, dat de hevige mottenplaag, die dat jaar in Engeland en Schotland in de turnips heerschte, ingeleid werd door met Oostenwind van het continent overgewaaide vlinderzwermen.

In de quaestie »wind-borne«, of »home-bred« hebben wij echter voor 1905 geen aanleiding om tot het eerste te beslui- ten. Het is veel meer de periode van droogte, door den Oosten- wind ingeleid, die bj ons een snelle ontwikkeling van het »springreupje« bevorderde.

»Springreupje« zegt men aan den Langendijk, omdat bij de minste aanraking, de larve met heftige rukken het achterlijf heen en weer zwaait, en zich aan een spinseldraad van het blad laat zakken. Zij blift hangen, tot de oorzaak van den schrik heeft opgehouden te werken, om zich alsdan weer naar boven te hyschen. By het verpoppen verlaat het rupsje soms de plant en begeeft zich naar den grond, maar meestal zoekt het beschutte plekjes op aan de plant zelf, b.v. de onderkant der bladeren, op zij van een uitpuilende nerf, of de ruimte tusschen de meer naar binnen gelegen bladeren en den zich

vormenden krop. Het spint zich nu een fraai, »a jour« gewerkt,

16 H. M. QUANJER, PLUTELLA CRUCIFERARUM Z.

spoelvormig coconnetje, van witte, als zijde glanzende draden. De tijd, dien het hierin doorbrengt, wisselt af van ruim één tot drie weken, behalve wanneer het seizoen om is; dan toch kan het overwinteren als pop. Zoo ten minste zegt Miss Ormerod. Snellen vermeldt dat het volwassen insect overwintert. Beide schrijvers hebben gelijk. Dezen winter vond ik zoowel poppen als rustende vlinders in de koolschuren, in hoeken en spleten en tusschen de koolen.

De eieren worden gelegd apart, of by weinige tegelijk op beschutte plekken van de plant, meest aan de onderzijde der bladeren. Door het lichtgeel gekleurd, parelmoerachtig glan- zend huidje der eitjes (fig. 1, Plaat 1), ziet men, voor de ryp- heid, den zwarten kop van de larve al doorschemeren. Het rupsje is eerst grauw, met zwarten kop; later neemt het de gedaante en kleur aan, die in fig. 3 (Pl. 1) is weergegeven; tien dagen, althans in gevangenschap, brengt het door in dezen vorm van bestaan, om zijn buikje rond te vreten, en onderwijl de enorme schade aan te richten, die my bracht tot het schrijven dezer

regelen.

VERKLARING DER FIGUREN. Plaat [L

1. Eieren van Plutella cruciferarum Z. op een blad van roode kool. Twaalf maal vergroot.

bo

Volwassen rups, in natuurlyke grootte. Volwassen rups, zes maal vergroot.

3 4. Vlinder, in rust, van boven gezien. Zes maal vergroot. Para tal:

1. Rupsje, vier dagen nadat het uit het ei is gekropen ; zes maal vergroot.

Volwassen rups, vretend aan een koolblad. Zes maal vergroot.

o DO

Pas gesponnen cocon met rups. Zes maal vergroot.

%

H. M. QUANJER, PLUTELLA CRUCIFERARUM Z. 2

Pop, een week na het inspinnen. Zes maal vergroot. Vrouwelijke vlinder, in rust, van de buikzijde. De antennen zijn niet volledig geteekend. Zes maal vergroot.

Kop, naar Stainton (zie tekst). Achttien maal vergroot. Voorvleugel. Dit is een nogal klein exemplaar. Zes maal vergroot. Overeenkomend met de figuur van Stainton. Achtervleugel. Zes maal vergroot. Overeenkomend met de figuur van Stainton.

Vlinder, in rust. Natuurlijke grootte.

Tijdschr. v. Entom. XLIX. 2

Ueber zwei neue holländische

CECIDOMYIDEN,

von welchen die eine an Kohlpflanzen schädlich ist,

VON

Dr. J. C. H. DE MEIJERE (Hilversum). (Mir TareL 3).

1. Contarinia torquens n. sp.

Ende Juli 1901 erhielt ich von Herrn Prof. Rirzema Bos, derzeit Director des phytopathologischen Instituts » Willie Com- melin Scholten« in Amsterdam Strünke Savoyer Kohles aus Schagen (Prov. Nord-Holland), welche von Cecidomyiden-Lar- ven bewohnt wurden. Dieselben befanden sich zu mehreren in den Achseln der Blätter und hatten offenbar daselbst die Pflanzen angefressen. Die Larven verpuppten sich bald nach- her in der Erde und lieferten im Anfang August die Imagines.

Im Sept. 1905 zeigte mir Herr Quanser, Assistent am obigen Institut, ebensolche Larven, welche sich ihm als Ursache einer noch wenig bekannten Krankheit des Kohles ergeben hatten. Dieselbe ist mit dem Namen »draaihartziekte« oder draaihartigheid (Drehherzigkeit) belegt worden; die Missbildung, welche zu diesem Namen Veranlassung gegeben hat, zeigt sich in mehr typischer Weise an jüngeren Pflanzen, als esan den alten Strünken des Jahres 1901 der Fall gewesen war. Doch haben wir es wohl, nach den Larven zu urtheilen, mit einer und derselben Cecidomyide zu thun. Anfang Dezember

1905 erhielt ich nochmals einige Larven. Bis jetzt liegen mir

J.C.H. DE MEWERE, UEBER ZWEI NEUE HOLLAND. CECIDOMYIDEN. 19

nur die Mücken von 1901 vor; die unten folgende Beschreibung bezieht sich also auf diese. Was die phytopathologische Bedeutung dieser Mücke anlangt, so ist über die Krankheit zum ersten Male von Rirzema Bos in »Tydschrift over Plantenziekten« IX, 1903, p. 53 berichtet worden. Die Krankheit war über- haupt erst 1901, in der Provinz Nord-Holland, entdeckt worden !). Zunächst blieb die Ursache der Missbildung unbe- kannt, nur war es sogleich wahrscheinlich, dass es sich hier um irgend welchen Insektenfrass handelte. Später (ibid. XI. 1905. p. 43) wurde eine Motte, (Plutella maculipennis Gurt. = cruciferarum 2.) als Ursache angeführt. Dies hat sich jedoch als unrichtig ergeben, indem es QUANJER gelang festzustellen, dass die Krankheit von den mir zur Untersuchung übergebenen Cecidomyidenlarven verursacht wird. Letzterer hat sich aus- führlich mit der phytopathologischen Seite der Frage beschäf- tigt und wird seine diesbezüglichen Resultate in seiner auch über andere Krankheiten des Kohles handelnden Inaugural-

Dissertation niederlegen.

Beschreibung der Mücke.

Farbe fast ganz lehmgelb, der Thorax besonders am Rücken dunkler. Augen auf der Stirn breit zusammenstossend. Fühler des & etwas länger als der Körper, die beiden ersten Geissel- glieder verschmolzen. Die oberen und unteren Knoten eines jeden Gliedes sind fast gleichgross, die oberen etwas länger als breit, die unteren unten abgestutzt; die Hälse sind fast ebenso gross wie die Knoten, die oberen um sehr weniges länger. Das Endglied zeigt einen kurzen Griffel (Fig. 1).

Die Bogenwirtel sind etwas kürzer als die Borsten, etwa 3/,—4/; so lang wie diese.

1) In: GorrHE Bericht der königl. Lehranstalt für Wein-, Obst- und Garten- bau zu Geisenheim a. Rh. fär das Jahr 1900/01, wird eine Gallmückenlarve angegeben, welche das Herz junger Kohlpflanzen öfters unter Bilduug einer

Anschwellung zerstört. Die Imago ist nicht erhalten. Es dürfte sich hier um dieselbe Cecidomyide handeln.

20 7. C. H. DE MEIJERE, UEBER ZWEI NEUE HOLLAND. CECIDOMYIDEN

Fühler des Weibchens etwas länger als Kopf und Thorax, die beiden ersten Glieder des Schaftes verschmolzen, meistens jedoch findet sich jenseits der Mitte noch eine Einschnürung; bei einem Exemplar ist dieselbe nur an der einen Seite vor- handen. Dieses Doppelglied ist fünfmal so lang wie breit, die folgenden 10 Glieder etwa zweimal so lang wie breit; von denselben zeigen die 4 unteren äusserst kurze Hälse, bei den 6 oberen sind die Hälse etwa halb so lang wie die Breite des Gliedes.

Letztes Glied mit kurzem, stumpfem Zapfen, von der Länge der oberen Hälse; derselbe erreicht etwa '/, von der Länge des Gliedes (Fig. 2).

Taster viergliedrig, das Glied etwas länger als das 2, das 41° 1,5 mal so lang wie das 3°,

Die Flügel (Fig. 3) sind an der Wurzel keilförmig, die Erweiterung beginnt der Querader gegenüber, die Längsader ist dem Vorderrande mehr genähert als der 21 ; letztere ist am Ende nur sehr allmählig etwas gebogen ; die obere Zinke der Gabel ist namentlich an der Wurzel bogenförmig, der Winkel zwischen den beiden Zinken etwas mehr als 60°.

An den Beinen sind die Haftläppchen ungefähr ebenso lang wie die Krallen. Die Länge des 1ten Tarsengliedes beträgt 5/4 von der Schienenlänge.

Legeröhre des © sehr weit vorstreckbar, am Ende mit 2 schmalen Lamellen.

Körperlänge 1—1,5 mm.

» © 1,75 mm.

Die Larven sind weiss oder lehmgelblich-weiss, ohne alle längeren Borsten (Fig. 5); die gelbe Brustgräte (Fig. 4) zeigt am Ende zwischen den beiden Lappen einen breiten Einschnitt ; der Stiel ist viel weniger gefärbt. Wie andere Contarinia- Larven besitzen sie das Vermögen sich fortzuschnellen. Die

Länge beträgt bis ca. 2 mm.

VON WELCHEN DIE EINE AN KOHLPFLANZEN SCHADLICH IST. 21

Die Puppe hat 2 lange, schmale, am Ende gebogene Prothorakalhörner (Länge 0,16 mm., Fig. 6); fast die gleiche Länge erreichen die beiden Scheitelborsten. An der Dorsalseite der Abdominalringe finden sich am Vorderrand der Ringe

1—2 Reihen grosser, gelbbräunlicher Stachelwärzchen.

Ausser der oben beschriebenen neuen Art sind noch 2 andere auf Brassica oleracea lebende Cecidomyiden bekannt, nämlich : 1. Contarinia nasturtü Kieff.; lebt in geschwollenen Blüthen

von Brassica oleracea L., Brassica napus L., Sinapis cheiran- thoides Koch, Raphanus sativus L. und raphanistrum L., Nasturtium sylvestre L., Raphanistrum silvestre Asch. (letz- teres nach Kırrrer, Entom. Nachr. XIV. 1888. p. 313).

Die Larven sind citronengelb ; die Mücken unterschei- den sich u. A. durch das zweiwirtelige Endglied der männlichen Fühlern, durch den 100° grossen Winkel zwischen den beiden Zinken der Gabel, u.s.w. Die Art wurde von Krerrer in den Entom. Nachr. XIV. 1888. p. 263 beschrieben.

2. Dasyneura brassicae Winn.; die Larve in den Schoten 1) von Brassica oleracea L. rapa L. und napus L., und von Sinapis cheiranthus Koch.

Diese Art ist durch die Schuppen am Flügelvorderrande, die zweispitzigen Krallen, die & ausserdem durch die nur unten verdickten Fühlerglieder sofort von Contarinia zu

unterscheiden.

Nach dem Katalog von DarBoux und Hovarp finden sich noch bei folgenden Cruciferen durch Cecidomyiden veranlasste Gallen :

Arabis alpina L., hirsuta Scop., montana D. C., Deformation

der blüthenlosen Zweige ... Cecidomyide.

D) In van DER Wurrp: Diptera neerlandica I, p. 51 steht: „uitschietsels van het koolzaad”; es ist dies wohl nur eine ungenaue Uebersetzung von Schote

(„hauw”).

22 J.C. H. DE MEIJERE, UEBER ZWEI NEUE HOLLAND. CECIDOMYIDEN

Barbarea arcuata Rehb, vulgaris L., Deformation in der Inflo- rescenz oder in den Achseln der Blätter... Dasyneura sisymbrii Schrank.

Barbarea vulgaris R. Br. Schotenanschwellung. . . Dasyneura sp. » » geschwollene Blüthen... Contarinia sp. Biscutella sawatilis Schleich, geschwollene Bliithen... Cecidomyide. Brassica. napus L., oleracea L., rapa L., geschwollene Blüthen

oder Schoten... Dasyneura brassicae.

Brassica napus L. (u. oleracea nach Krerrer) geschwollene Blü- then oder Schoten... Contarinia (nach Kırrrer in den Blüthen ©. nasturtü).

Cakile maritima Scop., geschwollene Blüthen, ... Cecidomyide.

Cardamine amara L., pratensis L., geschwollene Blüthen, ... Perrisia cardamines Winn.

Cardamine amara L., pratensis L., geschwollene Schoten, ... Cecidomyide.

Diplotaxis crassifolia D. C., tenuifolia D. C., geschwollene Blü- then, ... Cecidomyide.

Diplotawis tenuifolia D. C., geschwollene Schoten, . .. Asphondylia Stephani Kieff.

Erucastrum Pollichii Schimp. et Spenn., geschwollene Bliithen,. .. Cecidom yide.

Erysimum rhaeticum D. C. geschwollene Blüthen ..., Cecidomyide.

? Isatis tinctoria L. Zweigspitzen verkürzt... Diptere.

Lepidium draba L. » » ..., Contarinia.

Raphanus caudatus L., raphanistrum L., sativus L., geschwol- lene Blüthen ... Dasyneura raphanistri Kieff.

Raphanus sativus L., geschwollene Blüthen,... nach Kırrrer Contarinia nasturtü.

Raphanistrum silvestre Asch., Blüthengallen ... Contarinia nasturtu (nach Krerrer) und Dasyneura raphanıstri.

Raphanus raphanistrum, geschwollene Schoten ... Diplosine.

» » » Blüthen, Nach Kırrrer

Contarinia nasturtii,

VON WELCHEN DIE EINE AN KOHLPFLANZEN SCHÄDLICH IST. 23

Senebiera nilotica D.C, Stengelgallen . .. Cecidomyide. Sinapis alba L., geschwollene Schoten ... Diptere. arvensis L., geschwollene Schoten... Diplosine. cheiranthoides Koch, geschwollene Blüthen, nach Kırrrur Contarinia nasturtü.

Sinapis cheiranthus Koch, geschwollene Schoten oder Blüthen ... Dasyneura brassicae Winn.

? Sisymbrium alliaria Scop., Stengelgallen . .., Coleoptere oder Diptere.

Sisymbrium (Nasturtium) amphibium, austriacum Jacq, officinale L., palustre Leyss., silvestre L., Sophia L., ananasförmige Galle in der Inflorescenz oder am Stengel... Dasyneura sisymbrii Schrank. |

Sisymbrium columnae Jacq., iris L., Loeseli L., officinale Scop., palustre Leyss., pannonicum Jacq., Sophia L. ; Deformation in der Inflorescenz, oder an den Seiteniisten ... Contarinia ruderalis Kieff.

Sisymbrium (Nasturtium) sylvestre L., geschwollene Bliithen,.. nach Kigrrer Contarinia nasturtii Kieff.

Sisymbrium Loeseli L., ganze Pflanze deformirt, ... Cecidomyide.

Sisymbrium officinale Scop., Anschwellung am Blattstiel,... Cecidomyide.

Thlaspi montanum L. deformirte Zweigspitzen . . . Cecidomyide.

Zilla myagroides Forsk.; geschwollene Blüthen, ... Cecidomyide.

Recht viele der Erzeuger von Deformationen sind also noch unbekannt, sodass es zur Zeit unmöglich ist zu entscheiden, ob und von welcher sich die neue Cecidomyide auf den Kohl übergesiedelt hat.

Von Contarinia-Arten enthält obiges Verzeichnis ausser der oben schon erwähnten ©. nasturti nur noch C. ruderalis. Die- selbe ist von Kinrrer (Verhandl. k.k. zool. botan. Gesellschaft Wien. XL. 1890. p. 198) beschrieben und weicht im Bau der

Fühler von ©. torquens ab, indem bei dem die Stiele deutlich

24 7. c. H. DE MEYERE, UEBER ZWEI NEUE HOLLAND. CECIDOMYIDEN

abwechselnd länger und kürzer sind; während beim © das 1e Glied 11/, mal so lang wie das folgende ist; die Larven sind weiss.

Die meisten Contarinia-Larven sind Blüthenbewohner, einige finden sich in Früchten, einige veranlassen Falten oder Gallen an Blättern, während von anderen Deformationen an Zweig- spitzen hervorgebracht werden. C. molluginis Rübs. veranlasst Gallen am Stengel von Galium mollugo L., C. tiliarum Kieft. solche an sehr verschiedenen Stellen bei Zilia. Auch in den

Inflorescenzen von Gräsern sind einige Arten beobachtet worden. 2. Porricondyla (Dieroneurus) argentifera n. sp.

Mitte Februar fand ich auf am Boden liegenden faulenden Blättern in Gärten zu Hilversum die orangefarbigen Larven dieser Art. Sie sind von gedrungener Gestalt (Fig. 7), nur im ausgestreckten Zustande etwas abgeplattet; zusammengezogen sind sie stark gewölbt ; sie sind in der Mitte am breitesten, nach vorn und hinten stark verschmälert, das Analsegment in der Mitte eingeschnitten, also zweihörnig (Fig. 8, 10). Im Ganzen ähnelt ihre Gestalt sehr der in Kırrrer’s Monographie des Cécidomyides d'Europe et d’Algerie abgebildeten Larve von Porricondyla (Dieroneurus) venusta Winn. }).

Sie sind ca. 2 mm. lang, zusammengezogen ca. 1,3 mm., und 0,65 mm. breit. Besonders auffallend sind die langen stab- förmigen Borsten der Dorsal- und Lateralpapillen (Fig. 9). Von den 6 je einem Segmente zukommenden Dorsalpapillen sind die beiden mittleren und die beiden äusseren (ausser am Meta- thorax und am 7. und 8. Abdominalsegmente) in Stäbe ver- längert, desgleichen jederseits die 2 Lateralpapillen ; die übrigen 2 Dorsalpapillen tragen nur sehr kurze spitze Stifte. Von den Stäben sind die beiden der Medianlinie nächstliegenden am längsten (bis 0,27 mm.), die übrigen sind um so kürzer, je

1) Krerrer. Annal. Soc. Entom. France LXIX. 1900. Pl. 25. Fig. 2.

VON WELCHEN DIE EINE AN KOHLPFLANZEN SCHÄDLICH IST. 25

näher sie dem Seitenrande liegen, sie sind etwas gebogen, besonders die äusseren, überall fast gleich breit, am Ende stumpf oder sogar etwas angeschwollen, die des Prothorax sind oben mehr zugespitzt, die Oberfläche ist glatt. Die 4 Dorsalpapillen des Prothorax tragen alle eine gleichlange Borste.

Die inneren Pleuralpapillen des 2'en und 3'°" Thorakalringes sind dreitheilig, die kleinen Kreischen ohne Stifte, die äussere Pleuralpapille mit sehr kurzem Stiftchen. Von Ventralpapillen finden sich jederseits 2 vordere und 2 hintere ; die äusseren

hinteren wenigstens enden in einen kurzen Stift.

Die Körperhaut ist fast glatt, die verrucae eingentes sind an den Seiten des Körpers noch am besten ausgebildet; kurz behaart, wie z.B. die Larve von Dicroneurus venustus ist die Larve keinenfalls. Die auf den mittleren Theil der Ventralseite beschränkten Warzengürtel bestehen aus ungefärbten verrucae spiniformes ; die der vorderen Reihe sind am grössten, in den folgenden werden sie allmählich kleiner.

Die Augenflecke sind von normaler Grösse, sehr dunkel braun.

Die Stigmen sind unter einander nur wenig verschieden, die prothoracalen und die hintersten Abdominalstigmen also wenig grösser als die übrigen, letztere zeigen je 2 Knospen.

Eine spatula sternalis fehlt ; an der Stelle, wo die Spitze derselben zu erwarten wäre, findet sich nur ein sehr winziges, dreieckiges, an der Spitze etwas gebräuntes Zähnchen.

Der Fettkörper ist weisslich, die Umgebung desselben ziem-

lich stark orange.

Die Verpuppung findet in der Erde statt, in einem ovalen, schmutzig weissen Cocon.

An der Puppe sind die Prothorakalstigmen gerade, ziemlich kurz (0,15 mm.; sie sind etwas kürzer als die Scheitelbor-

sten), am Ende spitz; die Hinterstigmen (Fig. 11) ragen etwas

26 J.C. H. DE MEIJERE, UEBER ZWEI NEUE HOLLAND. CECIDOMYIDEN

vor (0,024 mm.). Die Rückenseite des Abdomens zeigt zer- streute Wärzchen ; im vorderen Theile der Ringe sind dieselben

am grössten, aber auch hier nicht besonders auffallend.

Bei Zimmerzucht erhielt ich Ende März die ersten Mücken, weitere erschienen Ende April. Leider erhielt ich nur ein einziges Männchen; ich beschreibe zunächst das 9, weil dies

mir besser bekannt ist.

©. Fühler und Beine schwarzbraun, Thorax und Schildchen desgleichen, ersterer mit 3 wenig getrennten schwärzlichen Striemen, von welchen die mittlere hinten verkürzt ist. Stirne schwarzbraun, Untergesicht heller, graulich.

Hinterleib grösstentheils orange, an der Dorsalseite sind die 4 ersten Ringe orange mit sehr schmaler, dunkler Querlinie jenseits der Mitte; die folgenden Ringe weissgrau mit weiss- lichem Schimmer, die Spitze gelblich. Der Bauch ist ganz orange, nur am Ende mehr gelblich. Es findet sich also in der zweiten Hälfte des Abdomens ein sehr auffallender, scharfbegrenzter, weissschimmernder Flecken von etwas ovaler Gestalt. Derselbe ist vorn spitz und erweitert sich auf den fol- genden Ringen bis zum Seitenrand. Der Hinterleib ist etwas glänzender als der Thorax, am Ende nicht aufgebogen (Fig. 16).

Die Augen sind in der Mitte schmal verbunden. Die Fühler sind 2-+11-gliedrig, ca. 1 mm. lang, halb so lang wie die Flügel, das Glied des Schaftes ist 1/, länger als die folgen- den Glieder, der untere Borstenwirtel findet sich in der Mitte des Gliedes. Während bei diesem Gliede der Hals äusserst kurz ist, wird derselbe bei den folgenden Gliedern allmählich länger, sodass er zuletzt halb so lang wie der betreffende Knoten ist. Die Knoten selbst sind bedeutend länger als breit ; der untere Borstenwirtel findet sich nahe der Basis, der obere, mehr unregelmässige in der Nähe des oberen Endes. Der Hals

des 10ten Gliedes ist bald kaum kürzer als der der vorigen

VON WELCHEN DIE EINE AN KOHLPFLANZEN SCHÄDLICH IST. 2

Glieder, bald kaum entwickelt, bisweilen sind das 10t° und 11 Glied fast zu einem einzigen, in der Mitte eingeschnürten Gliede verschmolzen (Fig. 13).

An den viergliedrigen Tastern verhalten sich die Glieder wie 3:3:3:4.

Die Flügel sind irisirend, die Adern verhalten sich wie in Fig. 14 angegeben, die Gabel der 5ten Längsader ist nicht immer deutlich erkennbar.

Die Krallen sind einfach, vor der Spitze nicht erweitert, der mittlere Haftlappen klein, noch nicht halb so lang wie die Kralle ; derselbe wird von 2 sehr winzigen Seitenläppchen begleitet.

Körperlänge 2 mm.

d. Die Fühler von Körperlänge, 2 + 14-

mittleren ist der Hals fast zweimal so lang wie der Knoten,

gliedrig, bei den das Glied ist nach unten etwas verjüngt, fast kurzgestielt, im Ganzen so lang wie der Hals. Das Endglied der Fühler ist kurz, eiförmig, um weniges länger als die mittleren Knoten. Letztere (Fig. 12) zeigen 3 Borstenwirtel, der untere mit kurzen Borsten, der mittlere mit sehr langen Borsten, der obere ebenfalls mit langen Borsten, welche an der Wurzel gebogen sind und weiterhin dem Halse parallel verlaufen.

Der Hinterleib ist am Ende kaum aufgebogen, die Zange (Fig. 15) ist kurz und dick, das Endglied desselben eiförmig, mit einem zahnartigen Anhang, welcher bei starker Vergrös- serung feingerippt erscheint.

Die Farbe ist im allgemeinen wie beim 9; ob sich am Hinterleibe der eigenthümliche weissgraue Flecken zeigt, konnte ich am Präparat des einzigen Männchen nicht mehr beobachten.

Die Tarsenglieder verhalten sich ungefähr wie 5:50:20:10:8.

Körperlänge 1,75 mm.

Wegen der Merkmale der Imagines und der Puppe gehört

die Art wohl bestimmt zu Dieroneurus. Die Larve weicht

28 J.0.H. DE MEIJERE, VEBER ZWEI NEUE HOLLAND. CECIDOMYIDEN.

insofern ab, als wenigstens bei D. lineatus eine gut ausgebil- dete lanzenförmige Brustgräte vorhanden sein soll. Mit der Larve von Dicroneurus venustus zeigt die vorliegende jedenfalls sehr grosse Aehnlichkeit. Diejenigen der Untergattung Porri- condyla s. str. welche ebensowenig eine Brustgräte besitzen,

unterscheiden sich durch die dichte Behaarung des Körpers.

TAFELERKLARUNG. Fig. 1—6 Contarinia torquens n. sp.

Fig. 1. Endglied des männlichen Fühlers. » 2. Endglied des weiblichen Fühlers. » 3. Flügel.

4. Brustgräte der Larve.

» 6. Hinteres Körperende der Larve.

6. Prothorakalhorn der Puppe.

Fig. 7—16 Porricondyla (Dieroneurus) argentifera n. sp.

7. Larve.

» 8. Vorderes Körperende derselben.

» 9 Borste einer Dorsalpapille.

» 10. Hinteres Körperende.

» 11. Abdominalstigma der Puppe.

» 12. Mittleres Fühlerglied des Männchens. » 13. Endglieder des weiblichen Fühlers.

» 14. Flügel.

» 15. Zange des d.

» 16. Spitze des weiblichen Abdomens.

a des Pays-Bas Ra. Scheepstimmermanslaan WES Rott er da: me ee

oe - | EEN EO UID i di VAN DE Eerste Afleverings .— : ge ® en SA i Bladz. _ Verslag van de Negen- en de Wintervergadering ITXXAVI Dr. Eh, Oudemans, In memoriam Dirk ter Haar. $ P. €. T. Snellen, Boekaankondiging . . . . . .

= M. Quanjer, Plutella cruciferarum Z. . . er ee oda vO ded Meyere, Ueber » zwei neue holländische "Grip .

Er EL

|

INDSCHR BNTOMOLOGISCHE VEREENIGING =

| ONDER REDACTIE VAN |

se 5 ; N c x ER

EN

Me APA LEBSBERE - a

NEGEN-EN- VEERTIGSTE DEEL et 3 x JAARGANG 1906 ; N a

Tweede en Derde Aflevering |

en met 5 platen

#20) Juli: 1906), >; 1

= CC S-GRAVENHAGE 5 1 à “MARTINUS NUHOFE °° Sn 1906 > =

ENUMERATION

LEPIDOPTERES HETEROCERES DE J A VA

M.M. PIEPERS et SNELLEN.

VII 1). Famille IX, NOCTUIDAE.

En continuant notre Enumération, nous abordons mainte- nant la famille des Noctuides. Le nombre des espèces obser- vées à Java et appartenant aux deux premières sous-familles de Mr. Hampson (Agrotinae et Hadeninae) n’est pas considé- rable. Il ne s’éléve qu’ à 32 mais il est remarquable que presque le tiers en a été trouvé en Europe et même, à une exception près, aussi aux Pays-Bas.

Les figures qui accompagnent quelques descriptions de che-

nilles, seront publiées avec un article suivant. es:

Sousfamille AGROTINAE Hamps.

Chloridea Peltigera W. V., p. 89 (1776) Hübn., Samml. Eur. Schm. Noct. fig. 310. Hamps., Cat. Brit. Mus. IV p- 42 (1903). Koningsberger, Med. uit ’s lands Planten- tuin 64 p. 40, 86 (1903).

!) Voir pour l’article précédent : Tijdschrift voor Entomologie XLVIII p. 181 etc, (1905). Tijdschr, v. Entom. XLIX, 3

30 PIEPERS ET SNELLEN,

C’est Mr. le Dr. Koningsberger qui mentionne cette espèce de Java comme nuisible pour le Tabac et le Mais. Mr. Piepers ne l’a pas trouvee. Elle se distingue d’ailleurs de la suivante (Chloridea Obsoleta Fabr., Armigera Hübn.), par une tache foncée au bord antérieur et un point noir très-distinct dans langle anal des premières ailes. Ces caractères ne se trouvent

jamais dans l’Obsoleta. 5.

Chloridea Obsoleta Fabr., Ent. Syst. III, 1 p. 456 (1793). Aurivillius, Ent. Tidskr. 1897 p. 156. Hamps., Cat. Brit. Mus. IV p. 657 (1903).

Noct. Armigera Hübn., Samml. Eur. Schm., Noct. fig. 370 (1827). Snellen, Vlind. v. Ned. I p. 473; II p. 1163 (1867). Hamps., Cat. Brit. Mus. IV p. 45 fig. 18 (1903). Koningsberger, Meded. uit ’s lands Plantentuin 64 p. 40, 85 pl. 2 fig. 13 (1903).

Plusieurs exemplaires de cette espèce cosmopolite ; dans la plupart le fond des ailes antérieures est d'un jaune argileux, dans les autres il est d'un olivätre pale. Pas d'autres variétés.

Mr. le Dr. Koningsberger mentionne l’espece comme nuisible pour le Tabac et le Maïs.

Batavia, Buitenzorg, Sindanglaya, Touban, Rembang (Piepers).

Tegal (Lucassen), --- Java (Hamps.). S.

Je pris la chenille a Touban (4 metres) dans la partie cen- trale de Java, à Batavia (14 mètres) et a Patjet (1000 mètres) dans l’ouest de Vile, sur le fruit du djagoung (Zea mays L.) et dans les cosses de plusieurs especes de plantes siliqueuses cultivées ou sauvages ; elle se nourrit ainsi souvent de celles des petits pois.

La chenille à 16 pattes est glabre, quelques poils très rares, blanes ou quelquefois noirs se voient cependant sur le dos. Sa couleur est très sujette à varier ; celle der individus adultes

est plus foncée que celle des les jeunes. Les adultes sont verts

HÉTÉROCÈRES DE JAVA. 31

ou bien d'un jaune foncé quelquefois rougeätre; il y en a aussi d’un brun rougeätre. On observe une raie dorsale très foncée, tandis qu'une autre qui est très claire constitue la limite entre les côtés et le ventre. Chez les adultes il y en a en outre une raie noire suprastigmatale, qui se developpe en taches aupres des stigmates qui sont noirs aussi. Quelque- fois cette raie est tachetée d’un peu de jaune ; il arrive de même que de petites taches ocrées ou orangées, parfois aussi de petits points bleus, se trouvent au dessus des stigmates ou sur le dos. La tête est jaune, verte ou orangé clair.

La chrysalide noire ou d'un brun rougeätre, est de forme ordinaire ; la chenille aime à se transformer dans la terre, une seule fois cependant une de mes chenilles, gardée dans une boite en carton, se renferma dans un cocon serré dans lequel elle avait inséré plusieurs petits morceaux de papier arrachés à cette boîte. Ce fait considéré en rapport avec la grande variabilité de couleur de la chenille et de l’imago, me fait présumer que cette espèce se trouve à présent dans une période évolutive, qui tend à amener un changement aussi bien quant à sa forme que quant à ses moeurs, mais qui ne se manifeste encore plus ou moins que chez quelques indivi- dus qui diffèrent alors en tant que cela des autres. Car c’est ainsi que les changements évolutifs procèdent toujours ; cette inégalité dans sa manifestation chez les individus leur est caractéristique.

Des chenilles devenues chrysalides le 4, le 7 et le 25 janvier, le 3 mars, le 13 juillet, le 24 août, le 26 novembre et le 7 décembre donnérent imago le 18 et le 19 janvier, le 6 fevrier, le 14 mars, le 26 juillet, le 4 septembre, le 12 et le 22 decembre. Les yeux du papillon vivant sont d’un vert très clair. Be

Chloridea Assulta Guen., Noct. II p. 178 (1852). Hamps., Cat, Brit, Mus, IV p. 47 pl. LV fig. 22 (1904). 3%

32 PIEPERS ET SNELLEN,

Quoique j'incline assez à ne voir dans l’Assulta Guen. qu’une variété à premières ailes brunätres et à dessins mieux expri- mes que dans le type de la Chloridea Obsoleta F. (Armigera Hübn.), comme Mr. Hampson la maintient aussi comme espece séparée, je la mentionne ici. Mr. Piepers n’a pas trouvé d’exem- plaires que je pourrais rapporter a |’ Assulta.

Java (Horsfield). (Hampson). S.

Enxoa Interjectionis Guen., Noct. I p. 281 (1852) Hamps., Cat. Brit. Mus. IV p. 166 pl.